Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-23
ECLI:NL:RBZWB:2026:1057
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,328 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1057 text/xml public 2026-02-27T16:43:39 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-23 BRE 25/5648 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026022708 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1057 text/html public 2026-02-26T08:58:36 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1057 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-02-2026 / BRE 25/5648 8:54; NTB; De rechtbank verklaart zich onbevoegd. Belanghebbende komt niet op tegen een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. Bij de inspecteur is geen openstaand bezwaar of verzoek bekend. Uit de reactie van belanghebbende op het verweerschrift volgt dat belanghebbende het niet eens is met de beslaglegging van een auto en de verrekening van een openstaand bedrag. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/5648 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen Stichting [belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende (gemachtigde: [gemachtigde] ), en de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur. Inleiding 1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende, omdat niet (tijdig) zou zijn beslist op bezwaren over geheven omzetbelasting vanaf 2018 tot en met 1 december 2025. 1.1. De inspecteur heeft in het verweerschrift gesteld dat geen bezwaren of verzoeken over omzetbelasting voor de tijdvakken gelegen in de jaren 2018 tot en met 2025 bekend zijn, waarop nog niet is beslist of gereageerd. De heffing van omzetbelasting over deze tijdvakken staat volgens de inspecteur onherroepelijk vast. 1.2. Belanghebbende heeft op het verweerschrift gereageerd en verwijst naar een brief van de ontvanger van 13 november 2025 over de verrekening van een openstaand bedrag. Ook gaat belanghebbende in op de beslaglegging van een auto. 1.3. De rechtbank verklaart zich kennelijk onbevoegd. Daarom doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt. Beoordeling door de rechtbank 2. In het belastingrecht geldt een gesloten stelsel van rechtsbescherming. Dit stelsel houdt in dat alleen bezwaar en beroep mogelijk is indien – voor zover hier van belang – sprake is van een voor bezwaar vatbare beschikking. Een beschikking is voor bezwaar vatbaar als deze beschikking in een belastingwet als zodanig wordt aangemerkt. Dit gesloten stelsel van rechtsbescherming kan meebrengen dat geen beroep bij de belastingrechter mogelijk is; wel kan een geschil aan de burgerlijke rechter worden voorgelegd. 2.1. Belanghebbende komt niet op tegen een belastingaanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking. Bij de inspecteur is geen openstaand bezwaar of verzoek bekend. Uit de reactie van belanghebbende op het verweerschrift volgt dat belanghebbende het niet eens is met de beslaglegging van een auto en de verrekening van een openstaand bedrag. 2.2. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet. Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing tot verrekening van bedragen, een brief over openstaande bedragen of beslaglegging vallen niet onder een van de uitzonderingen. Omdat geen beroep bij de belastingrechter kan worden ingesteld, is het evenmin mogelijk om beroep in te stellen wegens niet tijdig beslissen door de ontvanger. Een geschil over beslaglegging, de verrekening van bedragen of over openstaande bedragen kan worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter. 2.3. De belastingrechter is dus niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de beslaglegging, verrekening of de openstaande bedragen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht terug. Beslissing De rechtbank: verklaart zich onbevoegd; draagt de griffier op het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 385,- aan hem te vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Dit volgt uit artikel 26 van de AWR in samenhang met artikel 7:1 van de Awb. Dit volgt uit artikel 8:5 van de Awb en artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt de Invorderingswet 1990 genoemd.