Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-23
ECLI:NL:RBZWB:2026:1056
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,429 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1056 text/xml public 2026-03-24T10:05:05 2026-02-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-23 BRE 25/2173 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Breda Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026030503 FutD 2026-0461 Belastingblad 2026/140 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1056 text/html public 2026-02-26T08:46:01 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1056 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 23-02-2026 / BRE 25/2173 De rechtbank is van oordeel dat de kostenvergoeding tot een onjuist bedrag is vastgesteld. De rechtbank neemt aan dat de heffingsambtenaar bij het vaststellen van de vermeningvuldigingsfactor artikel 30a, tweede lid van de wet WOZ heeft toegeast. De forensenbelasting wordt niet geheven op grond van de wet WOZ maar op grond van de Gemeentewet. Het beroep is daarom gegrond. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Zittingsplaats Breda Belastingrecht zaaknummer: BRE 25/2173 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 februari 2026 in de zaak tussen [belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende (gemachtigde: mr.drs. J.C. Scherff), en de heffingsambtenaar van SaBeWa, de heffingsambtenaar. Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van 13 maart 2025 over de aanslag forensenbelasting over het jaar 2023 met aanslagnummer [aanslagnummer] . Het beroep is beperkt tot de hoogte van de aan belanghebbende toegekende kostenvergoeding. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank merkt op dat de heffingsambtenaar geen gedingstukken heeft overgelegd. Daarom gaat de rechtbank uit van de stukken die door belanghebbende zijn overgelegd. 2.1. De gronden van het beroep richten zich alleen tegen de beslissing van de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar om een kostenvergoeding toe te kennen van € 80,88. Voor het overige is de uitspraak op bezwaar niet in geschil. In deze uitspraak zal de rechtbank daarom een oordeel geven of de kostenvergoeding tot een juist bedrag is vastgesteld. 2.2. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar een kostenvergoeding had moeten toekennen van € 647,-. De heffingsambtenaar heeft onterecht de factor 0,125 als bedoeld in artikel 30a, eerste lid van de Wet WOZ toegepast. 2.3. De heffingsambtenaar heeft in een brief, waarin wordt verwezen naar meerdere bij de rechtbank aanhangige zaken , aangegeven dat uit nader onderzoek is gebleken dat belanghebbende gelijk heeft en de aanslag forensenbelasting voor 2022 en 2023 is verminderd tot nihil. De proceskosten zijn € 1442,- (tweemaal € 647,-), aldus de heffingsambtenaar. De rechtbank stelt vast dat de heffingsambtenaar zijn stelling in de brief niet met stukken heeft onderbouwd. 2.4. De rechtbank is van oordeel dat de kostenvergoeding tot een onjuist bedrag is vastgesteld. De rechtbank neemt aan dat de heffingsambtenaar bij het vaststellen van de vermenigvuldigingsfactor artikel 30a, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (de wet WOZ) heeft toegepast. De forensenbelasting wordt niet geheven op grond van de wet WOZ maar op grond van de Gemeentewet. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank kent een vergoeding van de kosten in het bezwaar voor de door een derde verleende rechtsbijstand toe van € 666,-. Voor zover de heffingsambtenaar al een deel heeft betaald, komt dat in mindering op het te betalen bedrag. Conclusie en gevolgen 3. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. 3.1. De proceskostenvergoeding voor de beroepsfase wordt op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld. De rechtbank stelt de vergoeding van de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 233,50. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar van 13 maart 2025 voor wat betreft de beslissing over de kostenvergoeding; veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van belanghebbende voor de bezwaarfase tot een bedrag van € 666,-; veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende voor de beroepsfase tot een bedrag van € 233,50; bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 53,- aan belanghebbende moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van mr.W. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch. 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666,- en een wegingsfactor 1. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,25.