Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2026-02-18
ECLI:NL:RBZWB:2026:1034
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
1,665 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBZWB:2026:1034 text/xml public 2026-03-05T13:39:16 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2026-02-18 12074118 \ VV EXPL 26-12 (E) Uitspraak Kort geding NL Tilburg Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2026:1034 text/html public 2026-03-04T14:30:36 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2026:1034 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 18-02-2026 / 12074118 \ VV EXPL 26-12 (E) Afwikkeling na beëindigen tijdelijke huurovereenkomst. In de beslissing moet rekening gehouden worden met de overeenkomst die partijen na dagvaarding hebben gesloten en waarin afspraken zijn gemaakt over de tenuitvoerlegging van het te wijzen vonnis. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Tilburg Zaaknummer: 12074118 \ VV EXPL 26-12 Vonnis in kort geding van 18 februari 2026 in de zaak van 1 [eiser 1] , en 2. [eiser 2] , beiden wonend in [plaats 1] , eisende partijen, hierna samen te noemen: [eisers] , gemachtigde: mr. C.F.L. Simons, tegen [gedaagde] , wonend in [plaats 2] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , procederend in persoon. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding - het e-mailbericht van 2 februari 2026 van de gemachtigde van [eisers] - het e-mailbericht van [gedaagde] van 2 februari 2026. 2 De feiten 2.1. [eisers] verhuren de woning aan [adres] te [plaats 2] aan [gedaagde] . De huurovereenkomst heeft een looptijd van 24 maanden vanaf 1 februari 2024 tot en met 31 januari 2026. Op de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. 2.2. Op 18 december 2025 hebben [eisers] schriftelijk de huurovereenkomst met [gedaagde] opgezegd. [gedaagde] heeft laten weten dat zij hiermee niet akkoord gaat. Ook een nieuw aangeboden huurovereenkomst heeft zij niet ondertekend. 3 De beoordeling 3.1. [eisers] vorderen in hun dagvaarding samengevat - ontruiming van de woning aan [adres] te [plaats 2] binnen 14 dagen na de datum van het vonnis en het betalen van een gebruiksvergoeding van € 1.296,18 per maand vanaf 1 februari 2026 tot het moment van daadwerkelijke ontruiming. Ook willen zij dat [gedaagde] de proceskosten moet betalen. Zij leggen daaraan ten grondslag dat de huurovereenkomst met [gedaagde] per 31 januari 2026 is geëindigd. Deze einddatum is afgesproken in de huurovereenkomst en zij hebben [gedaagde] op tijd hebben laten weten dat zij de huurovereenkomst ook echt per die datum wilden beëindigen. 3.2. [gedaagde] heeft hiertegen het verweer gevoerd dat zij geen andere woonruimte kan vinden en dat zij daarom niet wil dat de huurovereenkomst eindigt. 3.3. Partijen hebben de kantonrechter laten weten dat zij na het uitbrengen van de dagvaarding in overleg zijn gegaan. Zij hebben de daarbij gemaakte afspraken op 2 februari 2026 vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. Vervolgens hebben partijen de kantonrechter verzocht om vonnis te wijzen zoals gevorderd en heeft op hun verzoek de mondelinge behandeling van 4 februari 2026 zonder aanwezigheid van partijen plaatsgevonden. De huurovereenkomst is geëindigd 3.4. De kantonrechter stelt vast dat partijen een tijdelijke huurovereenkomst hebben gesloten met 31 januari 2026 als einddatum. [eisers] hebben met hun opzegging van 18 december 2025 voldaan aan artikel 18.1 van de algemene voorwaarden en artikel 7:271 lid 5 BW (Burgerlijk Wetboek), zodat de huurovereenkomst op grond daarvan ook daadwerkelijk op 31 januari 2026 is geëindigd. De ontruiming wordt onder voorwaarden toegewezen 3.5. De huurder moet bij einde van de huurovereenkomst de woning verlaten. Op grond daarvan zal de kantonrechter [gedaagde] veroordelen om de woning te ontruimen. 3.6. De gevraagde termijn van 14 dagen na vonnis kan echter niet zonder meer worden toegewezen. Partijen zijn namelijk na het uitbrengen van de dagvaarding opschortende voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van het vonnis overeengekomen. Omdat deze afspraken zijn gemaakt na het uitbrengen van de dagvaarding, moet de kantonrechter in het te wijzen vonnis daarmee rekening houden. Daarom wijst de kantonrechter de ontruiming toe onder de voorwaarden zoals partijen deze in hun overeenkomst van 2 februari 2026 hebben afgesproken. De gebruiksvergoeding wordt toegewezen 3.7. De gevorderde gebruiksvergoeding van € 1.296,18 komt overeen met het bedrag dat partijen in hun nadere overeenkomst van 2 februari 2026 zijn overeengekomen als gebruiksvergoeding. Daarom wijst de kantonrechter dit bedrag toe zoals gevorderd. 3.8. Omdat het starten van deze procedure nodig was om [gedaagde] tot nakoming te dwingen, is [gedaagde] de partij die ongelijk krijgt. Daarom moet zij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 152,83 - griffierecht € 93,00 - salaris gemachtigde € 577,00 - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 966,83 Ook aan het betalen van de proceskosten hebben partijen voorwaarden verbonden, zodat de kantonrechter de betaling van de proceskosten onder die voorwaarden zal toewijzen. 3.9. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te [plaats 2] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eisers] zijn, en de sleutels af te geven aan [eisers] , indien en zodra [gedaagde] in strijd handelt met één of meer van de voorwaarden zoals partijen deze hebben vastgelegd in hun overeenkomst van 2 februari 2026. 4.2. veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een gebruiksvergoeding van € 1.296,18 per maand over de periode vanaf 1 februari 2026 tot en met de dag van daadwerkelijke ontruiming, 4.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 966,83, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, indien en zodra [gedaagde] in strijd handelt met één of meer van de voorwaarden zoals partijen deze hebben vastgelegd in hun overeenkomst van 2 februari 2026, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.4. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, 4.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.