Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-08-28
ECLI:NL:RBZWB:2025:9830
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,952 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:9830 text/xml public 2026-03-19T12:12:57 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-08-28 C/02/435962 JE RK 25-984 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:9830 text/html public 2026-03-19T12:12:40 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:9830 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 28-08-2025 / C/02/435962 JE RK 25-984 Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. Tevens ambtshalve beoordeling of een minder vergaande plaatsing dan een residentiele setting in het belang is van de minderjarige. RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/435962 / JE RK 25-984 Datum uitspraak: 31 juli 2025 en 28 augustus 2025 Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg , hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] , advocaat mr. I.A.C. Cools te Tilburg. De kinderrechter merkt als informant aan: [de opa] , hierna te noemen [de opa] , wonende in [woonplaats 2] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 juni 2025; - het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek van 24 juli 2025 van de moeder, met bijlagen. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 juli 2025. Daarbij waren aanwezig: de moeder met mr. J.J.A. van Roessel, waarnemend voor mr. Cools; [de opa] ; - een vertegenwoordiger van de GI. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. Hij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat hij heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 1.4 Deze zaak hangt nauw samen met het verzoek van de moeder tot vervanging van de GI met het kenmerk C/02/436263 JE RK 25-1026. Daarom heeft de kinderrechter de zaken tegelijk ter zitting behandeld. De beslissing in de andere zaak staat in een aparte beschikking. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 augustus 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 3 augustus 2025. 2.3. Die kinderrechter heeft bij beschikking van 20 mei 2025 de machtiging verlengd om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 3 augustus 2025. 2.4. Op grond van de voormelde machtiging verblijft [minderjarige] op een behandelgroep van Sterk Huis . 3 De verzoeken 3.1. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2 In haar verweerschrift verzoekt de moeder bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het voormelde verzoek van de GI om een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen af te wijzen. 3.3 Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de moeder de kinderrechter om ambtshalve te beoordelen of een minder vergaande plaatsing dan een residentiële setting in het belang van [minderjarige] dient te worden geacht. 4 De standpunten De GI 4.1. De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek het volgende naar voren gebracht. [minderjarige] heeft vanaf januari 2021 tot 19 maart 2025 bij [de opa] verbleven, in eerste instantie op vrijwillige basis met toestemming van de moeder en vanaf 3 augustus 2022 op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing. Vanaf het moment dat de GI en Sterk Huis betrokken zijn bij de plaatsing van [minderjarige] bij [de opa] , hebben zij zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] en de opvoedvaardigheden van [de opa] . Er is gezocht naar een passende plek voor [minderjarige] , maar doordat deze niet werd gevonden, is begin 2024 door de GI besloten dat [minderjarige] bij [de opa] kon blijven wonen totdat een passende en geschikte plek voor hem is gevonden. Nadat [minderjarige] op 19 maart 2025 op school heeft aangegeven dat hij wordt geslagen door [de opa] en op basis van de opeenstapeling van zorgen over de opvoedvaardigheden en leerbaarheid/samenwerking met [de opa] , heeft de GI een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verzocht. [minderjarige] is op 19 maart 2025 in een pleeggezin geplaatst op basis van de op 19 maart 2025 verleende spoedmachtiging. Vervolgens hebben verschillende spoedprocedures elkaar in korte tijd opgevolgd. Laatstelijk heeft de GI op 7 mei 2025 een verzoek spoedmachtiging tot uithuisplaatsing ingediend, ditmaal voor een plaatsing van [minderjarige] op een behandelgroep van Sterk Huis . Dit spoedverzoek is toegewezen en sinds 7 mei 2025 verblijft [minderjarige] op een behandelgroep van Sterk Huis . Bij beschikking van 20 mei 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 3 augustus 2025. Door de GI wordt aangevoerd dat het goed gaat met [minderjarige] op de behandelgroep. Hij zal worden overgeplaatst naar een behandelgroep in [plaats 1] zodat hij naar zijn eigen school kan blijven gaan. Sinds zijn verblijf op de behandelgroep is het contact tussen [minderjarige] en de moeder verbeterd. Er vindt nu wekelijks contact plaats, deels onbegeleid. De GI stelt dat [minderjarige] ernstige gedragsproblemen vertoont waarvoor hij behandeling nodig heeft. Ook is er sprake van trauma- en hechtingsproblematiek, maar behandeling van deze problematiek is op dit moment niet mogelijk, omdat [minderjarige] voelt dat de moeder en [de opa] de plaatsing op de behandelgroep niet ondersteunen. De contacten van de GI met de moeder verlopen de afgelopen periode moeizaam, maar dat vindt de GI gelet op de situatie begrijpelijk. Het standpunt van de moeder dat [minderjarige] terug kan keren naar [de opa] maakt de samenwerking moeilijk. De contacten van de GI met [de opa] verlopen ook moeizaam. [de opa] informeert de GI niet over zijn behandeltraject bij [hulpverlening] . Er is ook een bezoekregeling tussen [minderjarige] en [de opa] , maar [de opa] houdt zich niet altijd aan de afspraken. Het behandeltraject dat de GI voor [minderjarige] voor ogen heeft zal naar verwachting negen tot twaalf maanden in beslag nemen. De gedragsproblemen die [minderjarige] vertoont zijn niet pas nu ontstaan, maar hier is al langer sprake van. Hierdoor ging hij eerder ook niet naar school. De GI werkt niet meer toe naar een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder of een plaatsing bij [de opa] . Sterk Huis onderschrijft dit standpunt van de GI. Het onderzoek door de Raad naar een gezagsbeëindigende maatregel is bijna afgerond. De moeder 4.2 Door en namens de moeder wordt het volgende aangevoerd. Zij kan zich verenigen met een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Zij ziet ook dat er bij [minderjarige] sprake is van een ontwikkelingsbedreiging en dat aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De moeder heeft nog altijd de wens om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] zelf op zich te nemen. Zij ziet echter ook in dat zij niet meteen zijn volledige zorg op zich kan nemen, maar denkt daarbij aan een verblijf van hem bij haar gedurende de weekenden. Indien dit niet mogelijk is, zou de moeder graag zien dat [minderjarige] bij [de opa] wordt geplaatst. De afgelopen periode is erg turbulent geweest voor zowel de moeder als [minderjarige] . Veel verschillende gebeurtenissen volgden elkaar in snel tempo op.
Volledig
Het vertrouwen van de moeder in de GI is tot een dieptepunt gedaald en enorm beschadigd. Zij heeft daarom separaat een verzoek ingediend tot vervanging van de GI. De moeder stelt dat [minderjarige] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt gedurende zijn plaatsing bij [de opa] . Zij vreest dat de plaatsing in een accommodatie jeugdhulp [minderjarige] veel schade heeft berokkend en zal blijven berokkenen. [minderjarige] heeft zelf ook aangegeven dat hij terug wil keren naar [de opa] . De moeder is ervan overtuigd dat alleen [de opa] kan aansluiten bij de behoeften van [minderjarige] . Tijdens de plaatsing bij [de opa] maakte [minderjarige] een positieve ontwikkeling door. De moeder heeft nooit veiligheidsrisico’s gezien tijdens de plaatsing van [minderjarige] bij [de opa] . Er is ook nooit eerder gesproken over agressief gedrag van [de opa] . Het intimiderende gedrag van [de opa] is pas aan bod gekomen om de aanmelding bij [hulpverlening] mogelijk te maken. Het klopt dat [minderjarige] op school heeft uitgesproken dat hij wordt geslagen door [de opa] . De moeder vindt dat de GI eerst had moeten onderzoeken waar deze uitspraken vandaan kwamen. Dat is helaas niet gebeurd. De manier van ingrijpen door de GI is wel schadelijk voor [minderjarige] geweest. Dat ingrijpen veroorzaakt nog steeds veel onrust. De moeder doet expliciet een beroep op het uitgangspunt van de wetgever dat kinderen die niet langer thuis kunnen wonen in beginsel recht hebben op alternatieve zorg in een gezinsvervangende omgeving (pleeggezin of gezinshuis), zoals blijkt uit artikel 2.3 lid 6 Jeugdwet, artikel 20 IVRK en de Richtlijn voor Alternatieve Zorg voor Kinderen. De moeder doet ook een beroep op artikel 8 lid 2 EVRM en artikel 3 IVRK, waarin een positieve verplichting is neergelegd om de rechten op family life effectief te verzekeren. Een netwerkplaatsing wordt gezien als een minder zware inbreuk op de bescherming van het gezinsleven dan het geval zou zijn bij plaatsing in een neutraal pleeggezin of een accommodatie jeugdhulpaanbieder. De moeder verzoekt te beoordelen of een minder vergaande plaatsing dan een residentiële setting in het belang van [minderjarige] dient te worden geacht. Op een behandelgroep zijn wisselende begeleiders en is er een andere vorm van nabijheid dan in een pleeggezin. Door de GI wordt thans gesteld dat [minderjarige] gedragsproblemen vertoont waarvoor hij behandeld moet worden. Er werd echter geen noodzaak voor behandeling gezien toen [minderjarige] nog bij [de opa] verbleef. De moeder ziet dat het slechter gaat met [minderjarige] sinds de uithuisplaatsing op de behandelgroep. De afgelopen maanden is er veel voor [minderjarige] veranderd en dit zorgt voor onrust. [minderjarige] is met [de opa] een hechtingsrelatie aangegaan en die moet worden hersteld. [de opa] is bereid alle hulpverlening te accepteren en wil overal aan meewerken. Het is in het belang van [minderjarige] om vanuit een plaatsing bij [de opa] aan de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] te werken. De kans van slagen van behandeling vanuit een behandelgroep acht de moeder gering. Voor wat de residentiële setting betreft wil de moeder dat de kinderrechter beoordeelt of een plaatsing elders dan bij Sterk Huis van [minderjarige] tot de mogelijkheden behoort. [de opa] 4.3 [de opa] geeft aan dat hij een vaderlijke relatie heeft met [minderjarige] . Alleen hij en de moeder zijn al het hele leven van [minderjarige] bij hem betrokken. [minderjarige] heeft 50 maanden bij hem gewoond. Het eerste tweeëneenhalf jaar was zwaar, maar daarna is er een kentering gekomen. [de opa] is trots op wat hij heeft bereikt met [minderjarige] . De beschuldigingen vanuit de GI dat [de opa] agressief is geweest richting [minderjarige] , hebben hem zwaar geraakt. Er zijn situaties geweest waarbij [de opa] Demian heeft moeten corrigeren, maar hij heeft Demian nooit geslagen. Door de beschuldigingen die door de GI zijn geuit, wil [de opa] geen contact meer met de GI. Het klopt dat hij afgelopen weekend met de moeder mee is gegaan op bezoek bij [minderjarige] , maar hij heeft hierover overleg gehad met de begeleiding van [minderjarige] in [plaats 2] . Toen [minderjarige] bij [de opa] verbleef, is hij het eerste drie jaar met [minderjarige] bij de moeder op bezoek gegaan wanneer [minderjarige] daar behoefte aan had. In 2024 is hem dat door de GI verboden. Het is de wens van [de opa] dat [minderjarige] weer bij hem komt wonen. [de opa] geeft aan dat hij altijd heeft ingestemd met een zorgvuldige overplaatsing, maar hij kan niet instemmen met de plotselinge plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin zoals dat nu is gegaan. Ook de plaatsing op een behandelgroep kan hij niet ondersteunen. [de opa] heeft inmiddels twee intakegesprekken en drie vervolggesprekken gehad bij [hulpverlening] . Hij werkt volledig mee aan het traject bij [hulpverlening] en wil bewijzen dat hij niet is zoals door de GI wordt omschreven. Tijdens de gesprekken bij [hulpverlening] wordt voornamelijk gesproken over de jeugdbeschermer en de frustraties die [de opa] ten aanzien van haar handelen ervaart. Er vindt op dit moment nog geen behandeling plaats bij [hulpverlening] , maar eerst wordt er gesproken over het verleden. [de opa] kan echter niet benoemen welke behandeling door [hulpverlening] ingezet zal gaan worden. Hij heeft geen enkele angst voor de uitkomsten van het traject bij [hulpverlening] . [minderjarige] 4.4 heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat hij weer bij [de opa] wil wonen en langer bezoek wil met zijn moeder. Hij verblijft nu op de [groep] van Sterk huis. 5 De beoordeling Verlenging ondertoezichtstelling 5.1 De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) is voldaan. 5.2 De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet: a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende worden geaccepteerd door hen worden geaccepteerd, en b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn. 5.3 Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is de kinderrechter van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling nog onverminderd aanwezig zijn. Om herhaling te voorkomen wordt hier verwezen naar de onderbouwing van de GI, die door de kinderrechter wordt overgenomen. Door de moeder wordt ook gezien dat er nog altijd sprake is van een bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling dan ook verlengen voor de duur van een jaar, zoals verzocht door de GI. Machtiging tot uithuisplaatsing 5.4 De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid BW de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) is voldaan. Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de GI (belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen. 5.5 Zoals reeds in de beschikking van 20 juni 2025 is overwogen, is niet in geschil dat [minderjarige] uit huis geplaatst moet blijven. Hoewel de moeder aangeeft dat zij uiteindelijk de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer op zich wil nemen, is een (volledige) terugkeer van [minderjarige] bij de moeder op dit moment niet aan de orde. Dit wordt ook door de moeder onderschreven.
Volledig
Volgens de GI is een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder al langere tijd niet meer aan de orde. Al voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] op 19 maart 2025 heeft de GI de Raad verzocht een onderzoek in te stellen naar een gezagsbeëindigende maatregel. 5.6 Nu is nog in geschil waar [minderjarige] moet worden geplaatst. De moeder wil dat [minderjarige] teruggeplaatst wordt bij [de opa] en de GI is van mening dat [minderjarige] geplaatst moet blijven op een behandelgroep van Sterk Huis . 5.7 [minderjarige] verblijft sinds 7 mei 2025 op een behandelgroep van Sterk Huis . De periode voor deze plaatsing heeft zich gekenmerkt door een opeenvolging van meerdere spoedprocedures na een langdurig verblijf van [minderjarige] bij [de opa] . [minderjarige] heeft vanaf januari 2021 tot 19 maart 2025 bij [de opa] gewoond. Vanaf de betrokkenheid van de GI sinds augustus 2022 zijn er zorgen over de opvoedsituatie van [minderjarige] en de opvoedvaardigheden van [de opa] . Desondanks is de machtiging tot uithuisplaatsing bij [de opa] telkens verlengd, omdat er nog geen andere geschikte plek voor [minderjarige] beschikbaar was. Dat een overplaatsing naar een geschikte plek uiteindelijk de bedoeling zou zijn, is door de GI naar alle betrokkenen van het begin af aan gecommuniceerd. 5.8 Vanwege de uitspraken die [minderjarige] op 19 maart 2025 op school heeft gedaan en, mede op basis van de opeenstapeling van zorgen over de opvoedvaardigheden en leerbaarheid/samenwerking met [de opa] , heeft de kinderrechter op 19 maart 2025 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend. Door de moeder wordt aangevoerd dat eerst onderzocht had moeten worden waar de uitspraken van [minderjarige] vandaan komen, alvorens werd ingegrepen met een uithuisplaatsing. De GI heeft als uitvoerende instantie van de ondertoezichtstelling onder andere de taak om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. De zorgen die er al langere tijd waren en de uitspraken zoals gedaan door [minderjarige] , hebben ertoe geleid dat ingrijpen door middel een uithuisplaatsing noodzakelijk was geworden om de veiligheid van [minderjarige] te kunnen waarborgen. In dit kader is mede van belang dat zijn veiligheid bij [de opa] niet verbeterde, omdat laatstgenoemde niet of moeilijk leerbaar bleek te zijn. Het standpunt dat het intimiderende gedrag van [de opa] pas aan bod is gekomen om de aanmelding bij [hulpverlening] mogelijk te maken wordt dan ook niet gevolgd. 5.9 Doordat bij [minderjarige] sprake is van trauma- en hechtingsproblematiek, vraagt hij meer dan leeftijdsgenoten van een opvoeder. Er waren al langere tijd zorgen over de (veiligheid van de) opvoedingssituatie bij [de opa] en of hij voldoende kon voorzien in de specifieke opvoedingsbehoefte van [minderjarige] . Zoals ook al in de beschikking van 20 mei 2025 is overwogen, acht de kinderrechter een terugplaatsing van [minderjarige] bij [de opa] onder de huidige omstandigheden niet in het belang van [minderjarige] . Ook tijdens deze zitting is gebleken dat [de opa] de noodzaak van een eigen traject bij [hulpverlening] niet echt lijkt in te zien. Hij werkt hieraan kennelijk mee, maar kan geen vragen beantwoorden over welke behandeling voor hem wordt ingezet en wat deze behandeling precies in zal houden. Hij geeft enkel aan dat er nu vooral gesprekken plaatsvinden waarin hij zijn frustraties ten aanzien van de jeugdbeschermer kan uiten. Er lijkt geen sprake van enig probleeminzicht. Ten slotte heeft [de opa] geen verklaring van [hulpverlening] overgelegd. 5.10 De kinderrechter is van oordeel dat gelet op de ernstige gedragsproblemen van [minderjarige] het beste in zijn behoeften kan worden voorzien in een professionele omgeving. Behandeling is noodzakelijk en kan onvoldoende van de grond komen in een pleeggezin of gezinshuis. Enerzijds omdat [minderjarige] voelt dat een plaatsing in een neutraal pleeggezin of een gezinshuis niet wordt ondersteund door zijn moeder en [de opa] , anderzijds omdat hij vanwege zijn gedragsproblemen aangewezen is op de kaders en structuur die een behandelsetting hem kan bieden. Ook kan hij vanuit een behandelgroep oefenen in het contact met leeftijdsgenootjes. Het verzoek wordt ondersteund door Sterk Huis . Hoewel de moeder en [de opa] een plaatsing op een behandelgroep ook niet ondersteunen, hoopt de kinderrechter dat deze beschikking duidelijkheid gaat bieden, en de moeder en [de opa] een omslag kunnen maken en zich, al is het gedwongen, bij de plaatsing van [minderjarige] op een behandelgroep kunnen neerleggen. Dit is in het belang van [minderjarige] zodat hij met hun emotionele toestemming de benodigde behandeling ook daadwerkelijk aan kan gaan. Vanwege de ernstige gedragsproblemen die [minderjarige] (al langere tijd) laat zien, is behandeling noodzakelijk. Gedacht wordt aan de inzet van Psychomotorische Therapie (PMT). Daarnaast zal de behandeling op de groep bestaan uit het reguleren van zijn gedrag en agressieve reactie. Naar verwachting gaat de behandeling van [minderjarige] negen tot twaalf maanden in beslag nemen. Gedurende de behandeling zal ook worden bekeken welke vervolgplaatsing het meest in het belang van [minderjarige] moet worden geacht. Uit het voorgaande volgt dat met een toewijzing van het verzoek van de GI op dit moment het belang van [minderjarige] het beste is gediend. Van een strijd met verdragsbepalingen, zoals aangevoerd door de moeder, is er dan ook geen sprake. 5.11 Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de GI toewijzen en een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een zorgaanbieder verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. 5.12 In de omstandigheid dat de kinderrechter het verzoek van de GI met betrekking tot de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zal toewijzen wordt aanleiding gezien om het zelfstandig verzoek van de moeder af te wijzen. 5.13 De kinderrechter zal de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. 6 De beslissing De kinderrechter: 6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 3 augustus 2025 tot 3 augustus 2026; 6.2. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 3 augustus 2025 tot 3 september 2025; 6.3. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 3 september 2025 tot 3 augustus 2026; 6.4. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad 6.5. wijst af het zelfstandig verzoek van de moeder. De beslissing onder 6.1 en 6.2 is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2025 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Diepen als griffier, en op schrift gesteld op 28 augustus 2025 en de beslissing onder 6.3 is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2025 in aanwezigheid van Van Diepen, griffier. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.