Rechtspraak Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-11-06
ECLI:NL:RBZWB:2025:9761
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/440551 / JE RK 25-1790 Datum uitspraak: 6 november 2025 Beschikking van de kinderrechter over een schriftelijke aanwijzing in de zaak van STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT , locatie Etten-Leur, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI), over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] . De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat mr. mr. A.L. Witteveen uit Rotterdam, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres, Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING , Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 oktober 2025; de brief van de vader met bijlagen, ontvangen op 3 november 2025. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 november 2025. Daarbij waren aanwezig: de moeder, bijgestaan door haar advocaat; de vader; - een vertegenwoordigster van de Raad; - twee vertegenwoordigers van de GI. Aan de rechter in opleiding, die meeliep met de Raad, is bijzondere toegang verleend. 1.3. Gelet op de nauwe samenhang van de door de GI ingediende verzoeken met kenmerk C/02/440533 / JE RK 25-1785 (verlenging ondertoezichtstelling) en kenmerk C/02/440545 / JE RK 25-1788 (wijziging verdeling zorg- en opvoedingstaken), zijn deze verzoeken gelijktijdig mondeling behandeld. Op de verzoeken van de GI is bij afzonderlijke beschikking beslist. 1.4. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover telefonisch een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . 2.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder. 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 5 november 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 7 november 2024 tot 7 november 2025. 2.4. De GI heeft op 14 april 2025 aan de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hierin is het volgende opgenomen: 1. U neemt actief deel aan de intake en het daarop volgende hulpverleningstraject bij [hulpverlening] . Zo nodig komt u hiervoor wekelijks naar de locatie van deze zorgaanbieder. 2. U draagt naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit dat zij bij moeder blijven wonen, zoals de meervoudige kamer van de rechtbank heeft besloten bij beschikking van 2 augustus 2024. 3. U doet geen uitspraken dan wel handelingen in nabijheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] waardoor u moeder diskwalificeert dan wel beschuldigt van (kinder)mishandeling. 2.5. Deze schriftelijke aanwijzing werd voorafgegaan door een vooraankondiging schriftelijke aanwijzing van 3 april 2025. 3 Het verzoek 3.1. De GI verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. Tevens verzoekt de GI de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten De GI 4.1. Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. De GI maakt zich al langere tijd ernstige zorgen over de manier waarop de vader zich uitlaat en opstelt naar de kinderen toe. Om deze reden heeft de GI Er moet iets gebeuren. Gelet op het voorgaande ondersteunt de Raad het verzoek van de GI. 5 De beoordeling Wettelijk kader 5.1. Op grond van artikel 1:263, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De GI kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen. 5.2. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel volgen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op. 5.3. Op grond van het derde lid van voornoemd artikel kan de GI de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Tegelijkertijd kan een door de wet toegelaten dwangmiddel worden verzocht bij niet nakoming van deze aanwijzing tenzij het belang van het kind zich tegen oplegging daarvan verzet. 5.3. De kinderrechter overweegt dat een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). In het kader hiervan dient de kinderrechter, aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk 3 en 4 Awb, te beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene voorschriften over zorgvuldigheid, evenredigheid en een deugdelijke motivering in acht zijn genomen. De schriftelijke aanwijzing dient het doel van de ondertoezichtstelling te dienen en in het belang van de minderjarige te worden geacht. Inhoudelijke beoordeling 5.4. Het geven van een aanwijzing is een vrij ingrijpende beslissing waartoe pas dient te worden overgegaan als de gewenste medewerking van de ouders dan wel de minderjarige niet door overleg en overreding kan worden bereikt. De aanwijzing moet in elk geval het doel van de ondertoezichtstelling dienen en mag niet in strijd komen met het recht. Daarvoor dient te worden beoordeeld of het besluit van de GI zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk is gemotiveerd. 5.5. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter stelt vast dat de schriftelijke aanwijzing op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, deugdelijk gemotiveerd en voldoet aan de overige wettelijke vereisten zoals neergelegd in artikel 1:263 BW. Daarbij neemt zij in aanmerking dat op 3 april 2025 een vooraankondiging van de schriftelijke aanwijzing naar de vader is verstuurd. Hierop is geen reactie gekomen. Op 14 april 2025 heeft de GI hierop de schriftelijke aanwijzing naar de vader verstuurd. 5.6. Gebleken is dat de vader is gestart met het hulpverleningstraject van [hulpverlening] . De vader heeft onderbouwd aangegeven dat hij het eens is met deze hulpverlening en hieraan zal blijven meewerken. Dit is een positieve ontwikkeling. Punt 1 van de schriftelijke aanwijzing hoeft daarom niet te worden bekrachtigd. De wijze waarop de vader zich uitlaat en opstelt richting de kinderen – met name [minderjarige 2] – blijft echter een punt van zorg en aandacht. Het is van groot belang dat de vader tegenover [minderjarige 2] geen uitlatingen doet die de moeder diskwalificeren. Dit kan ook onbewust gebeuren. Het – bewust of onbewust – belasten en inzetten van [minderjarige 2] in de strijd tussen haar ouders is zeer schadelijk voor haar. Het is noodzakelijk dat de vader duidelijk naar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitdraagt dat hij achter de uitspraak van de kinderrechter van 2 augustus 2024 staat, dat het hoofdverblijf bij de moeder is vastgesteld, dat de meisjes daar wonen en dat ook de huidige regeling goed is en door hem wordt ondersteund. 5.7. De komende tijd blijft [hulpverlening] betrokken. De vader laat zien dat hij bereid is aan zichzelf te