Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-12-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:9681
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
11,117 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:9681 text/xml public 2026-02-05T16:26:37 2026-01-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-12-11 C/02/442010 / JE RK 25-2043 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:9681 text/html public 2026-02-05T11:12:20 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:9681 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-12-2025 / C/02/442010 / JE RK 25-2043 Machtiging gesloten jeugdhulp RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/442010 / JE RK 25-2043 Datum uitspraak: 11 december 2025 Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] , advocaat mr. Y.I.B. Grosfeld uit Breda. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 1] , bijgestaan door mr. A. Koop-Van Vliet, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [plaats 2] . Als informant is aangemerkt: [persoon 1] , hoofdbehandelaar [jeugdzorg] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de op 27 november 2025 door deze rechtbank mondeling gegeven tussenbeslissing, schriftelijk bevestigd op 28 november 2025 en alle daarin genoemde stukken; de op 3 december 2025 van de advocaat van de moeder ontvangen producties, te weten een rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, (hierna te noemen: de Raad), gedateerd 25 juni 2025 en een ‘Incidentenlijst [minderjarige] bij [accommodatie] ’; de op 3 december 2025 ontvangen emailberichten van de vader; de op 5 december 2025 van de advocaat van de moeder ontvangen producties, te weten een brief van de moeder aan de behandelcoördinator en een ‘Incidentenlijst [minderjarige] bij [accommodatie] ’; de op 10 december 2025 ontvangen brief van de GI, met bijlagen. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Daarbij waren aanwezig: [minderjarige] met haar advocaat; de vader; - de moeder en haar advocaat; twee vertegenwoordigsters van de GI; via een beeldbelverbinding twee vertegenwoordigsters namens [accommodatie] . Tevens was aanwezig: de heer [persoon 2] , hulpverlener van [minderjarige] . De gedragswetenschapper heeft bericht dat hij niet aanwezig kan zijn. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] afzonderlijk in aanwezigheid van haar advocaat naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft sinds 31 oktober 2024 in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp bij [accommodatie] in [plaats 3] . 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 28 juli 2026. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 juli 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 28 november 2025. 3 Het (resterend) verzoek 3.1. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 november 2025 een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 28 november 2025 tot 12 december 2025. De behandeling van het resterende verzoek tot een gesloten plaatsing tot 28 februari 2026, is aangehouden tot de mondelinge behandeling ter zitting van 11 december 2025. 3.2. In voormelde tussenbeslissing is door de kinderrechter overwogen dat hij zich nog onvoldoende geïnformeerd acht om te beslissen over het resterende deel van het verzoek. Om die reden zijn tevens vertegenwoordigers van [accommodatie] en de betrokken gedragswetenschapper als informanten uitgenodigd. 4 Het standpunt van [minderjarige] , afzonderlijk gehoord in aanwezigheid van haar advocaat, heeft mondeling verklaard en later ter zitting middels een door haar voorgelezen brief toegelicht dat zij niet langer bij [accommodatie] geplaatst wil zijn. Zij is inmiddels al langer dan een jaar gesloten geplaatst. Zij heeft aan diverse onderzoeken meegewerkt en zij volgt continu hetzelfde dagprogramma. Zij heeft niet het idee dat [accommodatie] haar verder gaat helpen. Wel realiseert zij zich dat zij nog hulpverlening en behandeling nodig heeft, maar daarvoor wil zij naar een open groep worden overgeplaatst. Ook wil zij bij plaatsing op een open groep, dat er afspraken worden gemaakt die het mogelijk maken dat zij met haar vader en met haar moeder kan afspreken en dat zij ook haar vrienden kan blijven zien. Zij heeft begrepen dat er voor een plaatsing op een open groep op dit moment nog geen mogelijkheden zijn. Daarom wil zij ter overbrugging het liefst bij haar vader wonen. Daaraan zijn volgens haar geen risico’s verbonden, omdat zij zich bij haar vader altijd al aan de regels hield. [minderjarige] heeft ten slotte opgemerkt dat zij het fijn zou vinden als zij een therapeut zou krijgen, met wie zij gesprekken kan voeren. 5 Het standpunt van de GI De GI heeft schriftelijk op 10 december 2025 bericht en mondeling aanvullend naar voren gebracht dat sprake is van enkele recente ontwikkelingen en knelpunten, die van directe invloed zijn gebleken op het perspectief en de veiligheid van [minderjarige] . Gebleken is dat het traject bij [accommodatie] inhoudelijk is vastgelopen en dat samenwerkingsafspraken niet op een stabiele wijze vorm gegeven kunnen worden. Voor de veiligheid van [minderjarige] en de continuïteit van haar behandeling is het essentieel dat de rechtbank inzicht heeft in deze ontwikkelingen. De GI licht daarop toe dat [accommodatie] in de afgelopen periode meerdere malen van koers is veranderd, waar het de vraag betreft of de gesloten plaatsing daar kan worden voortgezet. Aanvankelijk gaf [accommodatie] aan dat het plafond van de behandeling was bereikt en werd een overstap naar een open groep geadviseerd. Vervolgens werden door [accommodatie] strikte voorwaarden gesteld waaraan beide ouders zouden moeten voldoen om de plaatsing toch te kunnen continueren. De GI heeft aangegeven dat deze voorwaarden niet uitvoerbaar zijn, mede vanwege de langdurige en complexe ouderdynamiek en vanwege het feit dat een aantal voorwaarden juridisch niet mogelijk of haalbaar zijn, zoals het op voorhand bepalen dat een machtiging over drie maanden niet meer kan worden verlengd. [accommodatie] liet vervolgens weten een overplaatsingsverzoek te zullen indienen. Echter heeft [accommodatie] recent opnieuw het standpunt ingenomen dat [minderjarige] toch bij [accommodatie] zou moeten blijven, en dat “commitment van de ouders niet noodzakelijk is”. Deze opeenvolging van tegenstrijdige boodschappen creëert grote onduidelijkheid en heeft direct effect op [minderjarige] , in die zin dat zij ontregeld raakt en ondermijnt ook de mogelijkheden van de GI om duurzame en veilige kaders te bieden. 5.1. [minderjarige] is op dit moment niet in staat zichzelf te beschermen, daarom acht de GI een blijvende structuur en toezicht noodzakelijk. Een open setting is op dit moment onvoldoende. Daarbij betrekt de GI dat de veiligheid van [minderjarige] ernstig in het geding is geweest: zij is vier nachten vermist geweest, er is sprake geweest van middelengebruik, er zijn sterke aanwijzingen van seksueel grensoverschrijdende situaties en er zijn drugsbuisjes en een zelfgemaakt steekwapen aangetroffen. 5.2. Intussen is de samenwerking tussen [accommodatie] , de moeder en de GI ernstig verstoord geraakt. Het vertrouwen is beschadigd en herstel lijkt in deze setting niet haalbaar.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:9681 text/xml public 2026-02-05T16:26:37 2026-01-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-12-11 C/02/442010 / JE RK 25-2043 Uitspraak Rekestprocedure NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:9681 text/html public 2026-02-05T11:12:20 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:9681 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 11-12-2025 / C/02/442010 / JE RK 25-2043 Machtiging gesloten jeugdhulp RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Familie- en Jeugdrecht Locatie Breda Zaaknummer: C/02/442010 / JE RK 25-2043 Datum uitspraak: 11 december 2025 Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp in de zaak van de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING , gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI, over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] , advocaat mr. Y.I.B. Grosfeld uit Breda. Als belanghebbenden zijn aangemerkt: [de moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 1] , bijgestaan door mr. A. Koop-Van Vliet, [de vader] , hierna te noemen de vader, wonende in [plaats 2] . Als informant is aangemerkt: [persoon 1] , hoofdbehandelaar [jeugdzorg] . 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: de op 27 november 2025 door deze rechtbank mondeling gegeven tussenbeslissing, schriftelijk bevestigd op 28 november 2025 en alle daarin genoemde stukken; de op 3 december 2025 van de advocaat van de moeder ontvangen producties, te weten een rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, (hierna te noemen: de Raad), gedateerd 25 juni 2025 en een ‘Incidentenlijst [minderjarige] bij [accommodatie] ’; de op 3 december 2025 ontvangen emailberichten van de vader; de op 5 december 2025 van de advocaat van de moeder ontvangen producties, te weten een brief van de moeder aan de behandelcoördinator en een ‘Incidentenlijst [minderjarige] bij [accommodatie] ’; de op 10 december 2025 ontvangen brief van de GI, met bijlagen. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 december 2025. Daarbij waren aanwezig: [minderjarige] met haar advocaat; de vader; - de moeder en haar advocaat; twee vertegenwoordigsters van de GI; via een beeldbelverbinding twee vertegenwoordigsters namens [accommodatie] . Tevens was aanwezig: de heer [persoon 2] , hulpverlener van [minderjarige] . De gedragswetenschapper heeft bericht dat hij niet aanwezig kan zijn. 1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] afzonderlijk in aanwezigheid van haar advocaat naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 2.2. [minderjarige] verblijft sinds 31 oktober 2024 in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp bij [accommodatie] in [plaats 3] . 2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 juli 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 28 juli 2026. 2.4. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 juli 2025 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 28 november 2025. 3 Het (resterend) verzoek 3.1. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 november 2025 een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 28 november 2025 tot 12 december 2025. De behandeling van het resterende verzoek tot een gesloten plaatsing tot 28 februari 2026, is aangehouden tot de mondelinge behandeling ter zitting van 11 december 2025. 3.2. In voormelde tussenbeslissing is door de kinderrechter overwogen dat hij zich nog onvoldoende geïnformeerd acht om te beslissen over het resterende deel van het verzoek. Om die reden zijn tevens vertegenwoordigers van [accommodatie] en de betrokken gedragswetenschapper als informanten uitgenodigd. 4 Het standpunt van [minderjarige] , afzonderlijk gehoord in aanwezigheid van haar advocaat, heeft mondeling verklaard en later ter zitting middels een door haar voorgelezen brief toegelicht dat zij niet langer bij [accommodatie] geplaatst wil zijn. Zij is inmiddels al langer dan een jaar gesloten geplaatst. Zij heeft aan diverse onderzoeken meegewerkt en zij volgt continu hetzelfde dagprogramma. Zij heeft niet het idee dat [accommodatie] haar verder gaat helpen. Wel realiseert zij zich dat zij nog hulpverlening en behandeling nodig heeft, maar daarvoor wil zij naar een open groep worden overgeplaatst. Ook wil zij bij plaatsing op een open groep, dat er afspraken worden gemaakt die het mogelijk maken dat zij met haar vader en met haar moeder kan afspreken en dat zij ook haar vrienden kan blijven zien. Zij heeft begrepen dat er voor een plaatsing op een open groep op dit moment nog geen mogelijkheden zijn. Daarom wil zij ter overbrugging het liefst bij haar vader wonen. Daaraan zijn volgens haar geen risico’s verbonden, omdat zij zich bij haar vader altijd al aan de regels hield. [minderjarige] heeft ten slotte opgemerkt dat zij het fijn zou vinden als zij een therapeut zou krijgen, met wie zij gesprekken kan voeren. 5 Het standpunt van de GI De GI heeft schriftelijk op 10 december 2025 bericht en mondeling aanvullend naar voren gebracht dat sprake is van enkele recente ontwikkelingen en knelpunten, die van directe invloed zijn gebleken op het perspectief en de veiligheid van [minderjarige] . Gebleken is dat het traject bij [accommodatie] inhoudelijk is vastgelopen en dat samenwerkingsafspraken niet op een stabiele wijze vorm gegeven kunnen worden. Voor de veiligheid van [minderjarige] en de continuïteit van haar behandeling is het essentieel dat de rechtbank inzicht heeft in deze ontwikkelingen. De GI licht daarop toe dat [accommodatie] in de afgelopen periode meerdere malen van koers is veranderd, waar het de vraag betreft of de gesloten plaatsing daar kan worden voortgezet. Aanvankelijk gaf [accommodatie] aan dat het plafond van de behandeling was bereikt en werd een overstap naar een open groep geadviseerd. Vervolgens werden door [accommodatie] strikte voorwaarden gesteld waaraan beide ouders zouden moeten voldoen om de plaatsing toch te kunnen continueren. De GI heeft aangegeven dat deze voorwaarden niet uitvoerbaar zijn, mede vanwege de langdurige en complexe ouderdynamiek en vanwege het feit dat een aantal voorwaarden juridisch niet mogelijk of haalbaar zijn, zoals het op voorhand bepalen dat een machtiging over drie maanden niet meer kan worden verlengd. [accommodatie] liet vervolgens weten een overplaatsingsverzoek te zullen indienen. Echter heeft [accommodatie] recent opnieuw het standpunt ingenomen dat [minderjarige] toch bij [accommodatie] zou moeten blijven, en dat “commitment van de ouders niet noodzakelijk is”. Deze opeenvolging van tegenstrijdige boodschappen creëert grote onduidelijkheid en heeft direct effect op [minderjarige] , in die zin dat zij ontregeld raakt en ondermijnt ook de mogelijkheden van de GI om duurzame en veilige kaders te bieden. 5.1. [minderjarige] is op dit moment niet in staat zichzelf te beschermen, daarom acht de GI een blijvende structuur en toezicht noodzakelijk. Een open setting is op dit moment onvoldoende. Daarbij betrekt de GI dat de veiligheid van [minderjarige] ernstig in het geding is geweest: zij is vier nachten vermist geweest, er is sprake geweest van middelengebruik, er zijn sterke aanwijzingen van seksueel grensoverschrijdende situaties en er zijn drugsbuisjes en een zelfgemaakt steekwapen aangetroffen. 5.2. Intussen is de samenwerking tussen [accommodatie] , de moeder en de GI ernstig verstoord geraakt. Het vertrouwen is beschadigd en herstel lijkt in deze setting niet haalbaar.
Volledig
In deze omstandigheden kan behandeling niet effectief worden voortgezet, ontstaat er geen stabiele basis voor traumabehandeling, is er onvoldoende regie door de GI op risico’s en raakt [minderjarige] verder verstrikt tussen tegengestelde boodschappen. Een overplaatsing is in algemene zin niet wenselijk. Echter, in deze situatie bij [accommodatie] geplaatst blijven is schadelijker, omdat de samenwerking structureel is vastgelopen, [minderjarige] hierin opnieuw klem raakt, [minderjarige] al merkt dat medewerkers en de GI verschillende opvattingen hebben en de behandellijnen niet meer geloofwaardig of consistent overkomen bij [minderjarige] en zij hierdoor juist méér risicogedrag en ontregeling laat zien. Door het ontbreken van verslaglegging door [accommodatie] heeft de GI onvoldoende zicht op de inhoud, voortgang en effectiviteit van de behandeling. Dit belemmert een zorgvuldige besluitvorming over het vervolgtraject en draagt bij aan de visie van de GI dat het traject bij [accommodatie] niet langer uitvoerbaar of verantwoord is. Wettelijk gezien heeft de GI recht op de informatie die noodzakelijk is om de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] te kunnen beoordelen en om regie te kunnen voeren op het traject. Dit betekent dat verslaglegging niet afhankelijk mag zijn van de wens van een minderjarige of van één gezaghebbende ouder, zeker niet wanneer informatie essentieel is voor het beoordelen van risico’s of het bepalen van een passende vervolgplek. De GI heeft meerdere keren verzocht om inhoudelijke verslaglegging van het lopende behandeltraject van [minderjarige] , met name rondom de traumabehandeling en DGT. Ondanks deze verzoeken is deze informatie niet verstrekt. [accommodatie] geeft aan dat de verslaglegging summier is gehouden omdat [minderjarige] niet wil dat informatie gedeeld wordt en omdat vader geen toestemming geeft voor het delen van gegevens uit de traumabehandeling. 5.3. De GI handhaaft haar standpunt dat gesloten jeugdhulp voor de resterend verzochte periode noodzakelijk is, wel met ook de mogelijkheid van een doorstroming naar een plaatsing naar een open groep, zodra dit mogelijk en verantwoord is, waarbij zij erop wijst dat: - de recent toegenomen risico's ernstig en reëel zijn; - de traumabehandeling niet is afgerond; - de identiteitsontwikkeling en emotieregulatie nog zeer kwetsbaar zijn; - [minderjarige] nog sterk beïnvloedbaar is door anderen; - de ouderdynamiek onverminderd belastend voor haar blijft. De GI concludeert dat een overplaatsing naar een andere gesloten instelling noodzakelijk is. Niet omdat de moeder dat wenst, maar omdat de behandeling bij [accommodatie] inhoudelijk, relationeel en organisatorisch is vastgelopen en die behandeling voortzetten in deze setting geen verantwoorde zorg meer biedt. Het doel is een duidelijk, voorspelbaar en veilig behandeltraject, waarin [minderjarige] systemisch ondersteund kan worden, zij zicht krijgt op haar ontwikkeling, haar traumabehandeling kan worden voortgezet, en waarin begeleiding consistent is. De GI is geen voorstander van het wonen van [minderjarige] - ter overbrugging - bij de vader, omdat onduidelijk is of hij aan [minderjarige] op het opvoedkundig en pedagogische vlak voldoende zal kunnen bieden en de voorkeur van de GI ook uitgaat naar een neutrale setting voor [minderjarige] , van waaruit zij contact met haar beide ouders kan blijven onderhouden. 6 Het standpunt van [accommodatie] Namens [accommodatie] is tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat er door haar geen formele brief met daarin een overplaatsingsverzoek is verzonden. [accommodatie] heeft ook geen bericht van de GI ontvangen, waarin staat dat de GI een overplaatsing van [minderjarige] wenst. [accommodatie] is teruggekomen op haar eerdere (primaire) standpunt, in die zin, dat zij alsnog achter een verlenging van de machtiging gesloten jeugdhulp kan staan. Er worden bij [accommodatie] beslist (nog) behandeldoelen gezien, waaraan in het belang van [minderjarige] ’s ontwikkeling gewerkt kan en moet worden. Daarvoor is wel noodzakelijk dat er een basis is voor samenwerking tussen alle betrokkenen. Deze ontbreekt nu. Uit het (gedrags)beeld dat [minderjarige] in het afgelopen jaar heeft laten zien blijkt enerzijds dat zij bescherming nodig heeft, maar ook dat zij behoefte heeft aan een concreet vooruitzicht in de vorm van een perspectief biedend behandelplan. [minderjarige] heeft laten zien dat, zodra zij minder wordt begrensd, dit een positieve invloed heeft op haar gedrag. Die situatie heeft er toe geleid dat in het afgelopen jaar vrijheidsbeperkende maatregelen afwisselend zijn op- en afgeschaald. Ook is op grond van het hiervóór geschetste beeld door de gedragswetenschapper geconcludeerd dat verdere behandeling naar verwachting deels gesloten en deels in een open setting zou kunnen plaatsvinden. Desgevraagd wordt aangegeven dat [accommodatie] over open groepen beschikt, maar dat daar op dit moment geen plek is voor [minderjarige] . 7 Het standpunt van de vader De vader heeft naar voren gebracht dat hij ziet dat [minderjarige] zich in een uitzichtloze situatie bevindt. Hij en zijn partner zijn, ondanks hun beperkte financiële middelen, erg graag bereid en ook in staat om [minderjarige] - ter overbrugging naar een open groep - bij hen thuis te ondersteunen en bij hen te laten wonen totdat er een plek op een open groep beschikbaar zal zijn. Hij heeft er ook alle vertrouwen in dat [minderjarige] zich bij hen thuis aan de regels zal houden. Op de vraag van de kinderrechter aan de vader of, indien [minderjarige] tijdelijk bij hem zou komen te wonen, dit ook betekent dat hij zal samenwerken met de GI in het kader van de ondertoezichtstelling, heeft de vader aangegeven dat hij daar nu geen onvoorwaardelijk ja op kan zeggen. Er moeten daarvoor - aldus de vader - door de GI in het kader van de ondertoezichtstelling reële eisen worden gesteld. 8 Het standpunt van de moeder Namens en door de moeder is - samengevat - aangevoerd dat de moeder zich er van bewust is dat het [minderjarige] bij [accommodatie] ontbreekt aan een concreet (behandel)perspectief. Ook is er, hoe spijtig ook, bij gebrek aan deze duidelijkheid en perspectief voor [minderjarige] kennelijk een situatie ontstaan waarin, ondanks de geslotenheid, haar veiligheid niet (langer) gewaarborgd is. In dit verband wordt gewezen op de incidenten die zich hebben voorgedaan. Dit heeft ervoor gezorgd dat het vertrouwen van de moeder in de aanpak door [accommodatie] ernstig is geschaad. Al eerder heeft de kinderrechter gewezen op het belang van een psycho diagnostisch onderzoek. Er zijn onderzoeksvragen geformuleerd maar die zijn niet beantwoord. Er dient daarom alsnog een diagnose te worden gesteld en daarnaast dient te worden gewerkt aan herstel van de samenwerkingsrelatie en meer transparantie tussen de GI, [accommodatie] en de ouders. Zodra er een diagnose is gesteld dient vervolgens op basis daarvan tot een concreet plan van aanpak te worden gekomen. Alle hiervóór genoemde factoren en omstandigheden maken dat gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] in de visie van de moeder nog steeds noodzakelijk is. Wel wordt daarmee gedoeld op een korte verlenging van de gesloten jeugdhulp, waarbij wordt toegewerkt naar een plaatsing in een andere gesloten jeugdhulpinstelling en vervolgens, zodra dit door de GI verantwoord wordt geacht, naar een plaatsing in een open setting. Gesloten jeugdhulp is een maatregel met een zeer ingrijpend karakter, wat echter niet wegneemt dat in elk geval moet worden voorkomen dat [minderjarige] op enig moment van een plaatsing op een open groep opnieuw naar een gesloten setting dient te worden teruggeplaatst. Bovendien valt niet te verwachten in dit stadium dat een open behandelinstelling [minderjarige] zal willen opnemen. Ook kan de ontwikkelingsbedreiging niet worden afgewend door [minderjarige] (tijdelijk) bij de vader te laten wonen, met name niet omdat de vader heeft laten zien zich voor de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling onvoldoende open te stellen.
Volledig
In deze omstandigheden kan behandeling niet effectief worden voortgezet, ontstaat er geen stabiele basis voor traumabehandeling, is er onvoldoende regie door de GI op risico’s en raakt [minderjarige] verder verstrikt tussen tegengestelde boodschappen. Een overplaatsing is in algemene zin niet wenselijk. Echter, in deze situatie bij [accommodatie] geplaatst blijven is schadelijker, omdat de samenwerking structureel is vastgelopen, [minderjarige] hierin opnieuw klem raakt, [minderjarige] al merkt dat medewerkers en de GI verschillende opvattingen hebben en de behandellijnen niet meer geloofwaardig of consistent overkomen bij [minderjarige] en zij hierdoor juist méér risicogedrag en ontregeling laat zien. Door het ontbreken van verslaglegging door [accommodatie] heeft de GI onvoldoende zicht op de inhoud, voortgang en effectiviteit van de behandeling. Dit belemmert een zorgvuldige besluitvorming over het vervolgtraject en draagt bij aan de visie van de GI dat het traject bij [accommodatie] niet langer uitvoerbaar of verantwoord is. Wettelijk gezien heeft de GI recht op de informatie die noodzakelijk is om de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] te kunnen beoordelen en om regie te kunnen voeren op het traject. Dit betekent dat verslaglegging niet afhankelijk mag zijn van de wens van een minderjarige of van één gezaghebbende ouder, zeker niet wanneer informatie essentieel is voor het beoordelen van risico’s of het bepalen van een passende vervolgplek. De GI heeft meerdere keren verzocht om inhoudelijke verslaglegging van het lopende behandeltraject van [minderjarige] , met name rondom de traumabehandeling en DGT. Ondanks deze verzoeken is deze informatie niet verstrekt. [accommodatie] geeft aan dat de verslaglegging summier is gehouden omdat [minderjarige] niet wil dat informatie gedeeld wordt en omdat vader geen toestemming geeft voor het delen van gegevens uit de traumabehandeling. 5.3. De GI handhaaft haar standpunt dat gesloten jeugdhulp voor de resterend verzochte periode noodzakelijk is, wel met ook de mogelijkheid van een doorstroming naar een plaatsing naar een open groep, zodra dit mogelijk en verantwoord is, waarbij zij erop wijst dat: - de recent toegenomen risico's ernstig en reëel zijn; - de traumabehandeling niet is afgerond; - de identiteitsontwikkeling en emotieregulatie nog zeer kwetsbaar zijn; - [minderjarige] nog sterk beïnvloedbaar is door anderen; - de ouderdynamiek onverminderd belastend voor haar blijft. De GI concludeert dat een overplaatsing naar een andere gesloten instelling noodzakelijk is. Niet omdat de moeder dat wenst, maar omdat de behandeling bij [accommodatie] inhoudelijk, relationeel en organisatorisch is vastgelopen en die behandeling voortzetten in deze setting geen verantwoorde zorg meer biedt. Het doel is een duidelijk, voorspelbaar en veilig behandeltraject, waarin [minderjarige] systemisch ondersteund kan worden, zij zicht krijgt op haar ontwikkeling, haar traumabehandeling kan worden voortgezet, en waarin begeleiding consistent is. De GI is geen voorstander van het wonen van [minderjarige] - ter overbrugging - bij de vader, omdat onduidelijk is of hij aan [minderjarige] op het opvoedkundig en pedagogische vlak voldoende zal kunnen bieden en de voorkeur van de GI ook uitgaat naar een neutrale setting voor [minderjarige] , van waaruit zij contact met haar beide ouders kan blijven onderhouden. 6 Het standpunt van [accommodatie] Namens [accommodatie] is tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat er door haar geen formele brief met daarin een overplaatsingsverzoek is verzonden. [accommodatie] heeft ook geen bericht van de GI ontvangen, waarin staat dat de GI een overplaatsing van [minderjarige] wenst. [accommodatie] is teruggekomen op haar eerdere (primaire) standpunt, in die zin, dat zij alsnog achter een verlenging van de machtiging gesloten jeugdhulp kan staan. Er worden bij [accommodatie] beslist (nog) behandeldoelen gezien, waaraan in het belang van [minderjarige] ’s ontwikkeling gewerkt kan en moet worden. Daarvoor is wel noodzakelijk dat er een basis is voor samenwerking tussen alle betrokkenen. Deze ontbreekt nu. Uit het (gedrags)beeld dat [minderjarige] in het afgelopen jaar heeft laten zien blijkt enerzijds dat zij bescherming nodig heeft, maar ook dat zij behoefte heeft aan een concreet vooruitzicht in de vorm van een perspectief biedend behandelplan. [minderjarige] heeft laten zien dat, zodra zij minder wordt begrensd, dit een positieve invloed heeft op haar gedrag. Die situatie heeft er toe geleid dat in het afgelopen jaar vrijheidsbeperkende maatregelen afwisselend zijn op- en afgeschaald. Ook is op grond van het hiervóór geschetste beeld door de gedragswetenschapper geconcludeerd dat verdere behandeling naar verwachting deels gesloten en deels in een open setting zou kunnen plaatsvinden. Desgevraagd wordt aangegeven dat [accommodatie] over open groepen beschikt, maar dat daar op dit moment geen plek is voor [minderjarige] . 7 Het standpunt van de vader De vader heeft naar voren gebracht dat hij ziet dat [minderjarige] zich in een uitzichtloze situatie bevindt. Hij en zijn partner zijn, ondanks hun beperkte financiële middelen, erg graag bereid en ook in staat om [minderjarige] - ter overbrugging naar een open groep - bij hen thuis te ondersteunen en bij hen te laten wonen totdat er een plek op een open groep beschikbaar zal zijn. Hij heeft er ook alle vertrouwen in dat [minderjarige] zich bij hen thuis aan de regels zal houden. Op de vraag van de kinderrechter aan de vader of, indien [minderjarige] tijdelijk bij hem zou komen te wonen, dit ook betekent dat hij zal samenwerken met de GI in het kader van de ondertoezichtstelling, heeft de vader aangegeven dat hij daar nu geen onvoorwaardelijk ja op kan zeggen. Er moeten daarvoor - aldus de vader - door de GI in het kader van de ondertoezichtstelling reële eisen worden gesteld. 8 Het standpunt van de moeder Namens en door de moeder is - samengevat - aangevoerd dat de moeder zich er van bewust is dat het [minderjarige] bij [accommodatie] ontbreekt aan een concreet (behandel)perspectief. Ook is er, hoe spijtig ook, bij gebrek aan deze duidelijkheid en perspectief voor [minderjarige] kennelijk een situatie ontstaan waarin, ondanks de geslotenheid, haar veiligheid niet (langer) gewaarborgd is. In dit verband wordt gewezen op de incidenten die zich hebben voorgedaan. Dit heeft ervoor gezorgd dat het vertrouwen van de moeder in de aanpak door [accommodatie] ernstig is geschaad. Al eerder heeft de kinderrechter gewezen op het belang van een psycho diagnostisch onderzoek. Er zijn onderzoeksvragen geformuleerd maar die zijn niet beantwoord. Er dient daarom alsnog een diagnose te worden gesteld en daarnaast dient te worden gewerkt aan herstel van de samenwerkingsrelatie en meer transparantie tussen de GI, [accommodatie] en de ouders. Zodra er een diagnose is gesteld dient vervolgens op basis daarvan tot een concreet plan van aanpak te worden gekomen. Alle hiervóór genoemde factoren en omstandigheden maken dat gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] in de visie van de moeder nog steeds noodzakelijk is. Wel wordt daarmee gedoeld op een korte verlenging van de gesloten jeugdhulp, waarbij wordt toegewerkt naar een plaatsing in een andere gesloten jeugdhulpinstelling en vervolgens, zodra dit door de GI verantwoord wordt geacht, naar een plaatsing in een open setting. Gesloten jeugdhulp is een maatregel met een zeer ingrijpend karakter, wat echter niet wegneemt dat in elk geval moet worden voorkomen dat [minderjarige] op enig moment van een plaatsing op een open groep opnieuw naar een gesloten setting dient te worden teruggeplaatst. Bovendien valt niet te verwachten in dit stadium dat een open behandelinstelling [minderjarige] zal willen opnemen. Ook kan de ontwikkelingsbedreiging niet worden afgewend door [minderjarige] (tijdelijk) bij de vader te laten wonen, met name niet omdat de vader heeft laten zien zich voor de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling onvoldoende open te stellen.
Volledig
9 Het standpunt van de advocaat van [minderjarige] De advocaat van [minderjarige] heeft aangevoerd dat [minderjarige] nu al ruim een jaar gesloten is geplaatst. Hoewel zij intussen beslist vooruitgang heeft laten zien ervaart zij haar situatie op dit moment vooral als uitzichtloos. Ofschoon er in de afgelopen tijd incidenten zijn geweest heeft [minderjarige] ook laten zien dat, zodra zij meer autonomie krijgt, zij zich consequent aan afspraken weet te houden. Voortzetting van de gesloten jeugdhulp zal naar verwachting een averechtse werking gaan hebben op [minderjarige] ’s verdere ontwikkeling. Verder is gebleken dat de vader positief staat tegenover het wonen van [minderjarige] bij hem, ter overbrugging naar een plaatsing op een open groep. Indien [minderjarige] bij de vader kan wonen kan er vanuit die situatie aan de hulpverleningsdoelen gewerkt blijven worden, waaronder ook aan contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder. Voor zover er in die situatie hulpverlening en ondersteuning nodig is kan die in het kader van de nog lopende ondertoezichtstelling worden geboden. 10 De beoordeling 10.1. De kinderrechter stelt voorop dat de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting op 11 december 2025 wederom zeer duidelijk maken dat er voor [minderjarige] nog steeds jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken bovendien dat het verblijf in een gesloten accommodatie voorlopig nog noodzakelijk en passend is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Niet is gebleken dat er - althans op dit moment - minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 10.2. [minderjarige] is al geruime tijd bij [accommodatie] geplaatst. Gedurende die plaatsing is er een groot aantal incidenten geweest waarbij [minderjarige] betrokken was. Zo is [minderjarige] vermist geweest, is er sprake van middelengebruik, zijn er sterke aanwijzingen die duiden op seksueel grensoverschrijdende situaties en zijn drugsbuisjes en een zelfgemaakt steekwapen bij haar aangetroffen. Kortom, het gaat niet goed met [minderjarige] . Wat ook niet goed gaat is dat de GI, [accommodatie] en de ouders van [minderjarige] elkaar niet kunnen vinden in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is zelfs een fors deel van de zitting niet aanwezig geweest teneinde de andere betrokkenen en advocaten de gelegenheid te geven om hier vrijuit over te kunnen praten. De kinderrechter heeft helaas moeten constateren dat de visieverschillen tijdens deze zitting niet zijn verminderd. De kinderrechter stelt vast dat de gesloten plaatsing van [minderjarige] tot op heden onvoldoende resultaten heeft opgeleverd. Tegelijkertijd zal [minderjarige] door haar probleemgedrag nu niet welkom zijn op een open groep. Een tijdelijke plaatsing bij de vader totdat [minderjarige] klaar is voor een open groep acht de kinderrechter ook geen werkbare optie omdat de vader niet onvoorwaardelijk kan samenwerken met de GI in het kader van de ondertoezichtstelling. Een tijdelijke plaatsing ter overbrugging bij de moeder is tot slot ook geen optie gezien de verstoorde relatie tussen [minderjarige] en haar moeder. Hoe pijnlijk ook voor [minderjarige] blijft alleen de mogelijkheid open dat [minderjarige] nog enige tijd gesloten geplaatst blijft. 10.3. Namens [accommodatie] is daarover verklaard dat er in de visie van [accommodatie] nog steeds doelen zijn, waaraan binnen die instelling gewerkt kan en dient te worden. [accommodatie] wijst op het (gedrags)beeld van [minderjarige] , waaruit blijkt dat zij (nog) bescherming nodig heeft, maar dat zij tegelijkertijd laat zien dat zodra zij minder wordt begrensd, dit een positieve invloed heeft op haar gedrag. Daarnaast is gebleken dat [minderjarige] nadrukkelijk behoefte heeft aan duidelijkheid over haar (behandel)perspectief. 10.4. Op grond van al deze omstandigheden is de kinderrechter van oordeel dat nu nog in geslotenheid - bij voorkeur binnen [accommodatie] omdat overplaatsing heel verstorend zou werken - gewerkt dient te gaan worden aan het opbouwen van structurele vrijheden voor [minderjarige] , dit opdat zij de kans krijgt om te laten zien dat zij daarmee consequent op een positieve wijze weet om te gaan. Van de GI wordt in dat opzicht gevraagd dat zij in de komende maanden een concreet plan van aanpak opstelt, bedoeld om [minderjarige] , zodra dit door de GI en [accommodatie] mogelijk en verantwoord wordt geacht, vanuit de gesloten jeugdhulpsituatie door te plaatsen naar - zoals het er nu naar uitziet - een open groep. Verdere behandeling dient dan plaats te vinden vanuit de open groep. Het is voor het welslagen van dit traject van essentieel belang dat ondanks alle verschillen van inzicht toch door alle betrokken instanties én de ouders wordt samengewerkt. 10.5. Met inachtneming van het vorenstaande zal de kinderrechter een machtiging verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 28 februari 2026. 11 De beslissing De kinderrechter: verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van heden tot 28 februari 2026. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans, als griffier, en op schrift gesteld op 9 januari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
Volledig
9 Het standpunt van de advocaat van [minderjarige] De advocaat van [minderjarige] heeft aangevoerd dat [minderjarige] nu al ruim een jaar gesloten is geplaatst. Hoewel zij intussen beslist vooruitgang heeft laten zien ervaart zij haar situatie op dit moment vooral als uitzichtloos. Ofschoon er in de afgelopen tijd incidenten zijn geweest heeft [minderjarige] ook laten zien dat, zodra zij meer autonomie krijgt, zij zich consequent aan afspraken weet te houden. Voortzetting van de gesloten jeugdhulp zal naar verwachting een averechtse werking gaan hebben op [minderjarige] ’s verdere ontwikkeling. Verder is gebleken dat de vader positief staat tegenover het wonen van [minderjarige] bij hem, ter overbrugging naar een plaatsing op een open groep. Indien [minderjarige] bij de vader kan wonen kan er vanuit die situatie aan de hulpverleningsdoelen gewerkt blijven worden, waaronder ook aan contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder. Voor zover er in die situatie hulpverlening en ondersteuning nodig is kan die in het kader van de nog lopende ondertoezichtstelling worden geboden. 10 De beoordeling 10.1. De kinderrechter stelt voorop dat de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting op 11 december 2025 wederom zeer duidelijk maken dat er voor [minderjarige] nog steeds jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken bovendien dat het verblijf in een gesloten accommodatie voorlopig nog noodzakelijk en passend is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Niet is gebleken dat er - althans op dit moment - minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 10.2. [minderjarige] is al geruime tijd bij [accommodatie] geplaatst. Gedurende die plaatsing is er een groot aantal incidenten geweest waarbij [minderjarige] betrokken was. Zo is [minderjarige] vermist geweest, is er sprake van middelengebruik, zijn er sterke aanwijzingen die duiden op seksueel grensoverschrijdende situaties en zijn drugsbuisjes en een zelfgemaakt steekwapen bij haar aangetroffen. Kortom, het gaat niet goed met [minderjarige] . Wat ook niet goed gaat is dat de GI, [accommodatie] en de ouders van [minderjarige] elkaar niet kunnen vinden in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is zelfs een fors deel van de zitting niet aanwezig geweest teneinde de andere betrokkenen en advocaten de gelegenheid te geven om hier vrijuit over te kunnen praten. De kinderrechter heeft helaas moeten constateren dat de visieverschillen tijdens deze zitting niet zijn verminderd.De kinderrechter stelt vast dat de gesloten plaatsing van [minderjarige] tot op heden onvoldoende resultaten heeft opgeleverd. Tegelijkertijd zal [minderjarige] door haar probleemgedrag nu niet welkom zijn op een open groep. Een tijdelijke plaatsing bij de vader totdat [minderjarige] klaar is voor een open groep acht de kinderrechter ook geen werkbare optie omdat de vader niet onvoorwaardelijk kan samenwerken met de GI in het kader van de ondertoezichtstelling. Een tijdelijke plaatsing ter overbrugging bij de moeder is tot slot ook geen optie gezien de verstoorde relatie tussen [minderjarige] en haar moeder. Hoe pijnlijk ook voor [minderjarige] blijft alleen de mogelijkheid open dat [minderjarige] nog enige tijd gesloten geplaatst blijft. 10.3. Namens [accommodatie] is daarover verklaard dat er in de visie van [accommodatie] nog steeds doelen zijn, waaraan binnen die instelling gewerkt kan en dient te worden. [accommodatie] wijst op het (gedrags)beeld van [minderjarige] , waaruit blijkt dat zij (nog) bescherming nodig heeft, maar dat zij tegelijkertijd laat zien dat zodra zij minder wordt begrensd, dit een positieve invloed heeft op haar gedrag. Daarnaast is gebleken dat [minderjarige] nadrukkelijk behoefte heeft aan duidelijkheid over haar (behandel)perspectief. 10.4. Op grond van al deze omstandigheden is de kinderrechter van oordeel dat nu nog in geslotenheid - bij voorkeur binnen [accommodatie] omdat overplaatsing heel verstorend zou werken - gewerkt dient te gaan worden aan het opbouwen van structurele vrijheden voor [minderjarige] , dit opdat zij de kans krijgt om te laten zien dat zij daarmee consequent op een positieve wijze weet om te gaan. Van de GI wordt in dat opzicht gevraagd dat zij in de komende maanden een concreet plan van aanpak opstelt, bedoeld om [minderjarige] , zodra dit door de GI en [accommodatie] mogelijk en verantwoord wordt geacht, vanuit de gesloten jeugdhulpsituatie door te plaatsen naar - zoals het er nu naar uitziet - een open groep. Verdere behandeling dient dan plaats te vinden vanuit de open groep. Het is voor het welslagen van dit traject van essentieel belang dat ondanks alle verschillen van inzicht toch door alle betrokken instanties én de ouders wordt samengewerkt. 10.5. Met inachtneming van het vorenstaande zal de kinderrechter een machtiging verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 28 februari 2026. 11 De beslissing De kinderrechter: verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van heden tot 28 februari 2026. Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2025 door mr. Van Gessel, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans, als griffier, en op schrift gesteld op 9 januari 2026. Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak; andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen. Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).