Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-12-09
ECLI:NL:RBZWB:2025:8725
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
771 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6287 OWBOUW VV
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 december 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen , verweerder.
Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen een verleende omgevingsvergunning voor de kap van vijf Amberbomen aan de [straat] te [plaats] . Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.3.
Met het bestreden besluit van 1 augustus 2025 heeft het college de omgevingsvergunning verleend aan de gemeente Dongen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Beoordeling
2.1.
Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van de bezwaarprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Daarom speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol.
2.3.
Het college heeft op 9 december 2025 telefonisch aan de rechtbank medegedeeld dat de bomen op 8 december 2025 zijn gekapt. Hetgeen verzoeker wil bereiken met zijn verzoek om voorlopige voorziening – het tegenhouden van de kap van de bomen – is niet meer mogelijk. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is.
Conclusie
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier, 9 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.