Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-05
ECLI:NL:RBZWB:2025:809
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,689 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11078135 \ CV EXPL 24-2272
Vonnis van 5 februari 2025
in de zaak van
1 [naam 1] ,
te [plaats 1] ,2. [naam 2],
te [plaats 2] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij 1] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[partij 2]
,
te [plaats 3] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij 2] ,
gemachtigde: Legal Advice Wanted.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 oktober 2024- de akte van [partij 1]- de akte van [partij 2] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
in conventie
2.1.
In het tussenvonnis van 23 oktober 2024 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter [partij 1] in de gelegenheid gesteld om inzicht te gegeven hoe het bedrag van € 125,00 is opgebouwd en per kostensoort te splitsen en of deze kosten doorliepen tijdens de afwezigheid van [partij 2] . Daarnaast zijn [partij 1] gevraagd om duidelijkheid te geven hoe zij gedurende de periode dat een waarneemster werkzaamheden heeft uitgevoerd financieel uitvoering hebben gegeven ten aanzien van de huurlasten.
2.2.
[partij 1] hebben uiteengezet waarop het bedrag van € 125,00 betrekking heeft. Dit zijn vaste maandelijkse kosten zoals verzekeringen, vaste jaarlijkse kosten zoals internetkosten en variabele kosten zoals kantoorbenodigdheden. Verder hebben zij deze kosten verhoogd naar € 150,00. Vervolgens gaat [partij 1] in op het aandeel van [partij 2] die zij volgens hen dient te betalen.
2.3.
[partij 2] heeft als verweer primair aangevoerd dat [partij 1] niet hebben toegelicht waarom (een deel van) de vaste kosten en huurkosten voor rekening van [partij 2] dienen te komen, zodat de vordering van [partij 1] dient te worden afgewezen.
Subsidiair acht [partij 2] het niet redelijk dat zij huurkosten en andere kosten hoeft te betalen vanaf september 2023, omdat er een waarnemer toen werkzaam was en door de waarnemer deze kosten al zijn terugverdiend. Ten aanzien van de vaste onkosten merkt [partij 2] nog op dat zij geen van deze kosten vanaf juni 2023 heeft gebruikt. [partij 2] is bereid om een deel van de huurkosten en vaste onkosten voor de maanden juni 2023 tot en met augustus 2023 te betalen.
2.4.
Vooropgesteld wordt dat [partij 2] , door geen werkzaamheden voor de maatschap meer te verrichten, althans door niet meer bij te dragen in de kosten, is tekortgeschoten in de nakoming van de verbintenissen die voortvloeien uit de maatschapsovereenkomst.
De gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen.
2.5.
Verder moet als uitgangspunt gelden dat het voor rekening en risico van [partij 2] komt dat zij, om redenen die niet kunnen worden toegerekend aan de andere maten, de gevolgen dient te dragen voor het niet kunnen nakomen van haar maatschapsverplichtingen, ook als dit als oorzaak een ziekte betreft. Dat [partij 2] niet aansprakelijk is voor de doorlopende kosten van de maatschap tijdens haar niet-functioneren, omdat zij daardoor ook geen opbrengsten heeft kunnen genereren, volgt de kantonrechter niet. De kantonrechter heeft een onderbouwing van [partij 1] gevraagd om een berekening te kunnen maken van de schade als gevolg van het niet-functioneren van [partij 2] . Daar hebben zij echter slechts in beperkte mate aan voldaan. Zo hebben zij geen berekening gemaakt van de gevolgen van de vervangster van [partij 2] . Omdat geen nauwkeurige schadeberekening kan worden gemaakt, zal de kantonrechter de schade schatten (artikel 6:97 BW). Daarbij zal de kantonrechter rekening houden met de bijzondere omstandigheden van het geval. Zo wordt, doordat een vervanger enige tijd de werkzaamheden van [partij 2] (deels) heeft overgenomen, het nadeel dat door het wegvallen van [partij 2] bij [partij 1] is ontstaan, verminderd. Ook het enkele niet-gebruiken van de ruimte en het niet gebruiken of verbruiken van de voorzieningen in de maatschap, heeft een schadedrukkend effect. Voor de verdeling van de schadelast voor de maatschap, zal de kantonrechter, nu van een andere afspraak tussen de maten niet is gebleken, aansluiten bij de regel dat de maten elk voor 33,33% verantwoordelijk zijn voor de verliezen in de maatschap (artikel 9 lid 4 van de maatschapsovereenkomst).
2.6.
Dat betekent dus dat [partij 2] voor de periode dat er een vervanger was geen huur en vaste kosten hoeft te betalen. Voor de overige maanden dient [partij 2] 33,33% van de huur, zijnde 33,33% x € 462,50 = € 154,15 per maand te betalen. Aan vaste kosten dient [partij 2] ook 33,33% te betalen, met dien verstande dat op deze kostencomponent een percentage van 10 in mindering moet worden gebracht, omdat [partij 2] geen deel heeft gehad in het verbruik van bepaalde goederen waarmee de kosten moeten worden geacht te zijn gedrukt.
De kantonrechter gaat niet mee in de kostenverhoging van de vaste kosten, omdat deze verhoging uit de lucht komt vallen en niet is gebleken van overeenstemming tussen alle maten. Aan vaste kosten dient [partij 2] te betalen (33,33% x € 125,00) x 0,9 = € 37,50.
2.7.
De vordering van [partij 1] hebben betrekking op de periode vanaf 1 juni 2023 tot en met augustus 2024 zijnde € 462,50 per maand aan huur en € 125,00 per maand aan vaste onkosten. Uit de door [partij 1] overgelegde akte blijkt dat een vervanger vanaf september 2023 tot en met juni 2024 heeft waargenomen en ook huur betaalde. Over deze periode behoeft [partij 2] naar het oordeel van de kantonrechter dus niets bij te dragen.
Uit het voorgaande volgt concreet dat [partij 2] over de periode vanaf 1 juni 2023 tot en met augustus 2023 (3 maanden) en vanaf juli 2024 tot en met augustus 2024 (2 maanden) dient bij te dragen, zijnde:
Huur: 5 x € 154,15 = € 770,75
Onkosten: 5 x € 37,50 = € 187,50
Totaal € 958,25
2.8.
De wettelijke rente zal vanaf de dag van dagvaarding worden toegewezen.
2.9.
[partij 1] vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat niet aan de wettelijke eisen is voldaan
2.10.
[partij 2] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,38
- griffierecht
€
248,00
- salaris gemachtigde
€
337,50
(2,5 punt × € 135,00 gebaseerd op het toe te wijzen bedrag)
- nakosten
€
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
790,38
in reconventie
2.11.
De kantonrechter zal de door [partij 2] gevorderde verklaring voor recht toewijzen inhoudende dat de maatschap door [partij 2] op 23 december 2023 rechtsgeldig is opgezegd.
Dictum
De kantonrechter
in conventie
3.1.
verklaart voor recht dat [partij 2] tekort is geschoten in de nakoming van haar uit de tussen partijen gesloten overeenkomst voortvloeiende verplichtingen;
3.2.
veroordeelt [partij 2] om aan [partij 1] te betalen een bedrag van € 958,25,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 april 2024, tot de dag van volledige betaling,
3.3.
veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van € 790,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
3.6.
verklaart voor recht dat de maatschap door [partij 2] op 23 december 2023 rechtsgeldig is opgezegd,
3.7.
veroordeelt [partij 1] in de proceskosten van € 236,25, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
3.8.
veroordeelt [partij 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rouwen en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2025.