Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-05
ECLI:NL:RBZWB:2025:7625
Civiel recht; Personen- en familierecht
Kort geding
6,952 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
zaaknummer: C/02/440148 / KG ZA 24-488
Vonnis in kort geding van 5 november 2025
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende in [woonplaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. W.J. Jurgers uit Bergen op Zoom,
tegen
[de man]
,
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna te noemen [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 oktober 2025 met 3 producties;
- de conclusie van antwoord van 15 oktober 2025, tevens houdende eis in reconventie met 3 producties;
- de brief van mr. Jurgers van 20 oktober 2025 met 6 producties;
- het bericht van mr. Baas van 20 oktober 20205 met 1 productie;
- de ter zitting overgelegde pleitnota van mr. Jurgers.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting op 21 oktober 2025 met gesloten deuren behandeld omdat het belang van [minderjarige] en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
1.3.
Tijdens de zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook is een medewerkster namens de Raad verschenen.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen is [minderjarige] geboren.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Het gezamenlijk gezag is in het gezagsregister aangetekend.
2.3.
Met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) hebben partijen in juli 2025 in een viergesprek met hun advocaten (mondeling) met elkaar afgesproken dat:
- [minderjarige] bij de man verblijft doordeweeks van maandag tot woensdag 12:00 uur en van woensdag vanaf 17:30 uur tot donderdag en in het weekend in de oneven weken van zaterdag vanaf 12:00 uur tot en met zondag;
- [minderjarige] bij de vrouw verblijft doordeweeks op woensdag tussen 12:00 uur en 17:30 uur en van donderdag tot en met vrijdag en in het weekend in de even weken op zaterdag en zondag;
- de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.
2.4.
[minderjarige] staat op het adres van de vrouw ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna BRP).
2.5.
[minderjarige] en de vrouw hebben op 6 september 2025 voor het laatst fysiek contact met elkaar gehad.
Geschil
3.1.
De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de reguliere zorgregeling zoals partijen zijn overeengekomen ook uitgevoerd dient te worden, te weten:
doordeweeks:
Maandag en dinsdag: bij vader
Woensdag tot 12:00 uur; bij vader
Woensdag tussen 12:00 uur en 17:30 uur: bij moeder
Woensdag vanaf 17:30 uur: bij vader
Donderdag en vrijdag: bij moeder
weekend- oneven weken:
Zaterdag vanaf 12:00 uur: bij vader
Zondag: bij vader
weekend- even weken:
Zaterdag en zondag: bij moeder,
althans een regeling zoals de voorzieningenrechter dat in goede justitie zal vermenen te behoren en voorts de man te veroordelen zijn medewerking hieraan te verlenen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat hij deze regeling niet nakomt.
3.2.
De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen, althans haar deze vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.
In reconventie vordert de man bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de man;
II. te bepalen dat er begeleide omgang zal plaatsvinden tussen [minderjarige] en de vrouw,
althans een regeling die de voorzieningenrechter juist acht;
III. te bepalen dat er een raadsonderzoek zal plaatsvinden;
IV. de man (de voorzieningenrechter leest: de vrouw) te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen de nakosten.
3.3.
Op de standpunten van partijen en het advies dat de Raad ter zitting heeft gegeven wordt, voor zover nodig om de vorderingen te beoordelen, hierna ingegaan.
Beoordeling
4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast.
4.2.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
4.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen medio juli 2025 in een viergesprek met hun advocaten een zorgregeling zijn overeengekomen die neerkomt op een co-ouderschapsregeling. Aan deze regeling wordt vanaf begin augustus 2025 echter geen (volledige) uitvoering meer gegeven. [minderjarige] verblijft op dit moment volledig bij de man, en zij heeft op 6 september 2025 voor het laatst fysiek contact gehad met de vrouw.
De man maakt zich zorgen over de veiligheid van [minderjarige] wanneer zij bij de vrouw verblijft. Volgens de man zou de vrouw middelen gebruiken (alcohol en drugs) die de zorg en opvoeding van [minderjarige] in de weg staan. Bovendien heeft zich in de zomervakantie, in aanwezigheid van [minderjarige] , een incident tussen de vrouw en haar (ex)partner de heer[naam] voorgedaan dat schadelijk voor haar ontwikkeling is. De vrouw betwist dat zij middelen zou gebruiken, althans niet in aanwezigheid van [minderjarige] , en dat zij niet in staat zou zijn om op passende wijze zorg te dragen voor [minderjarige] . Er heeft zich in de zomervakantie inderdaad een incident voorgedaan, echter de vrouw had hierin geen aandeel. Het was de heer [naam], en niet zij, die drugs had gebruikt en hierdoor zichzelf niet meer in de hand had. De vrouw heeft tijdens dit incident adequaat gehandeld door contact op te nemen met de man met de vraag [minderjarige] op te halen met als doel [minderjarige] veilig te stellen.
4.4.
Bij partijen is inmiddels Veilig Thuis betrokken. Ook zijn partijen bekend bij [hulpverlening], waar zij zich hebben aangemeld voor een hulpverleningstraject. Er is vanuit [hulpverlening] nog geen hulpverlening voor partijen gestart. Voor de voorzieningenrechter is niet duidelijk geworden wat hiervan de exacte reden is en partijen verschillen hierover van mening. Wel is haar duidelijk geworden dat beide partijen nog steeds achter een hulpverleningstraject bij [hulpverlening] staan, het belang hiervan inzien en hun medewerking hieraan willen verlenen. Partijen hebben ter zitting verklaard het belangrijk te vinden dat [minderjarige] met haar beide ouders regelmatig contact heeft, dat het contact tussen [minderjarige] en haar ouders onbelast plaatsvindt en dat over de zorg en opvoeding van [minderjarige] goede afspraken tussen partijen bestaan. Om dit te realiseren is het belangrijk dat de ouders met behulp van hulpverlening gaan werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking op ouderniveau, het vertrouwen over en weer alsook het gezamenlijk ouderschap.
(Voorlopige) zorgregeling
4.5.
Na een korte schorsing van de zitting zijn partijen, met in achtneming van het advies dat de Raad hen hierin heeft gegeven, een voorlopige zorgregeling met elkaar overeengekomen, waarbij zij de volgende afspraken met elkaar hebben gemaakt:
- de vrouw en [minderjarige] hebben elke zaterdag van 13:00 uur tot 16:00 uur contact met elkaar bij de vrouw in [woonplaats 1] ;
- de man brengt [minderjarige] naar de vrouw om 13:00 uur, en de vrouw brengt [minderjarige] naar de man om 16:00 uur terug;
- op het moment dat de man [minderjarige] bij de vrouw brengt, neemt de vrouw in het bijzijn van de man (een) test(en) af op het gebruik van alcohol, speed, ketamine en MDMA. De vrouw draagt zelf zorg voor geschikte (een) test(en);
- bij een positieve uitslag op één of meerdere van de vier hierboven genoemde middelen gaat het contactmoment tussen de vrouw en [minderjarige] niet door. Dit geldt ook als de vrouw niet heeft zorg gedragen voor (een) geschikte test(en);
- de heer [naam] is niet aanwezig bij het brengen en ophalen of het contactmoment tussen de vrouw en [minderjarige] en is evenmin in de buurt;
- de communicatie tussen partijen, waaronder Whatsappberichten, e-mails en telefoontjes, stopt voor zover dit geen betrekking heeft op afspraken en/of het delen van informatie over [minderjarige] .
Deze voorlopige zorgregeling gaat direct in. Dit betekent dat het eerste contactmoment tussen de vrouw en [minderjarige] plaatsvindt op zaterdag 25 oktober 2025. Dit is ook zo op zitting met partijen besproken.
4.6.
Partijen hebben ter zitting desgevraagd aangegeven dat nu zij een voorlopige zorgregeling met elkaar zijn overeengekomen er geen beslissing door de voorzieningen-rechter hoeft te worden genomen op hun vorderingen inzake het contact tussen [minderjarige] en partijen, te weten de (gehele) vordering van de vrouw (nakoming van de zorgregeling) en de vordering van de man vermeld onder II (begeleide omgang). De voorzieningenrechter begrijpt dit als dat deze vorderingen door partijen zijn ingetrokken, en zij zal deze dan ook afwijzen.
4.7.
De bedoeling is dat partijen met de hulpverlening van [hulpverlening] gaan werken aan een verdere uitbreiding van het contact tussen de vrouw en [minderjarige] zodat zo snel mogelijk weer uitvoering kan worden gegeven aan de zorgregeling die partijen met elkaar zijn overeengekomen medio juli 2025.
Daarbij raadt de voorzieningenrechter partijen aan om op een zo kort mogelijke termijn contact op te nemen met [hulpverlening], al dan niet met ondersteuning van hun advocaten, om de start van het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] te versnellen.
Raadsonderzoek
4.8.
Voor zover de man zijn vordering tot het gelasten van een raadsonderzoek nog handhaaft, zal deze vordering worden afgewezen. De voorzieningenrechter volgt hierin het advies van de Raad dat er vooralsnog geen aanleiding is om een raadsonderzoek te verrichten, temeer nu partijen met hulpverlening aan de slag gaan om te werken aan een verbetering van de situatie voor [minderjarige] . Bovendien leent de aard van de procedure in kort geding zich niet voor een raadsonderzoek.
Toevertrouwen
4.9.
De man heeft gevorderd [minderjarige] aan hem toe te vertrouwen. Wat de man met deze vordering beoogt is de voorzieningenrechter niet geheel duidelijk. De situatie is nu zo dat [minderjarige] in de BRP op het adres van de vrouw staat ingeschreven. Sinds begin augustus 2025 verblijft [minderjarige] echter bij de man en vanaf september 2025 draagt de man de volledige zorg voor haar. Tijdens de zitting hebben partijen een voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] afgesproken. Zoals al overwogen onder rechtsoverweging 4.7. is het de bedoeling dat deze regeling met behulp van de hulpverlening van [hulpverlening] verder wordt uitgebreid waarbij wordt toegewerkt naar de zorgregeling zoals die tussen partijen sinds medio juli 2025 gold, inhoudende een co-ouderschapsregeling. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen reden om de inschrijving van [minderjarige] op het adres van de vrouw in de BRP te wijzigen naar het adres van de man. De vordering van de man tot toevertrouwing van [minderjarige] aan hem zal dan ook worden afgewezen. De voorzieningen-rechter geeft aan partijen mee dat het hen vrij staat om, al dan niet met behulp van hulpverlening en/of hun advocaten, afspraken met elkaar te maken over het delen van informatie en de financiën met betrekking tot [minderjarige] .
Proceskosten
4.10.
De man heeft gevorderd de vrouw te veroordelen in de proceskosten. Onderhavige zaak is van familierechtelijke aard. Het uitgangspunt bij familiezaken is compensatie van de proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter:
in conventie en in reconventie
5.1.
wijst de vorderingen van partijen af;
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Benjaddi, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.
Volledig
ECLI:NL:RBZWB:2025:7625 text/xml public 2026-03-05T16:26:17 2025-11-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2025-11-05 C/02/440148 / KG ZA 24-488 Uitspraak Kort geding NL Breda Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:7625 text/html public 2025-11-26T10:58:47 2025-11-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBZWB:2025:7625 Rechtbank Zeeland-West-Brabant , 05-11-2025 / C/02/440148 / KG ZA 24-488 Overeenstemming tussen partijen over een voorlopige zorgregeling waardoor beide partijen hun vorderingen tav het nakomen/vaststellen van een (gewijzigde) zorgregeling hebben ingetrokken. Afwijzen vorderingen tot het verrichten van een raadsonderzoek, toevertrouwing van de minderjarige aan de man en een proceskostenveroordeling. vonnis RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT Team Familie- en Jeugdrecht Breda zaaknummer: C/02/440148 / KG ZA 24-488 Vonnis in kort geding van 5 november 2025 in de zaak van [de vrouw] , wonende in [woonplaats 1] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, hierna te noemen de vrouw, advocaat: mr. W.J. Jurgers uit Bergen op Zoom, tegen [de man] , wonende in [woonplaats 2] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna te noemen de man, advocaat: mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom, over de minderjarige: - [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna te noemen [minderjarige] . Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 6 oktober 2025 met 3 producties; - de conclusie van antwoord van 15 oktober 2025, tevens houdende eis in reconventie met 3 producties; - de brief van mr. Jurgers van 20 oktober 2025 met 6 producties; - het bericht van mr. Baas van 20 oktober 20205 met 1 productie; - de ter zitting overgelegde pleitnota van mr. Jurgers. 1.2. De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting op 21 oktober 2025 met gesloten deuren behandeld omdat het belang van [minderjarige] en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste. 1.3. Tijdens de zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook is een medewerkster namens de Raad verschenen. 1.4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen is [minderjarige] geboren. 2.2. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . Het gezamenlijk gezag is in het gezagsregister aangetekend. 2.3. Met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) hebben partijen in juli 2025 in een viergesprek met hun advocaten (mondeling) met elkaar afgesproken dat: - [minderjarige] bij de man verblijft doordeweeks van maandag tot woensdag 12:00 uur en van woensdag vanaf 17:30 uur tot donderdag en in het weekend in de oneven weken van zaterdag vanaf 12:00 uur tot en met zondag; - [minderjarige] bij de vrouw verblijft doordeweeks op woensdag tussen 12:00 uur en 17:30 uur en van donderdag tot en met vrijdag en in het weekend in de even weken op zaterdag en zondag; - de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld. 2.4. [minderjarige] staat op het adres van de vrouw ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna BRP). 2.5. [minderjarige] en de vrouw hebben op 6 september 2025 voor het laatst fysiek contact met elkaar gehad. 3 Het geschil in conventie en reconventie 3.1. De vrouw vordert in conventie bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de reguliere zorgregeling zoals partijen zijn overeengekomen ook uitgevoerd dient te worden, te weten: doordeweeks: Maandag en dinsdag: bij vader Woensdag tot 12:00 uur; bij vader Woensdag tussen 12:00 uur en 17:30 uur: bij moeder Woensdag vanaf 17:30 uur: bij vader Donderdag en vrijdag: bij moeder weekend- oneven weken: Zaterdag vanaf 12:00 uur: bij vader Zondag: bij vader weekend- even weken: Zaterdag en zondag: bij moeder, althans een regeling zoals de voorzieningenrechter dat in goede justitie zal vermenen te behoren en voorts de man te veroordelen zijn medewerking hieraan te verlenen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat hij deze regeling niet nakomt. 3.2. De man voert verweer tegen de vorderingen van de vrouw in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar vorderingen, althans haar deze vorderingen te ontzeggen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding. In reconventie vordert de man bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. te bepalen dat [minderjarige] wordt toevertrouwd aan de man; II. te bepalen dat er begeleide omgang zal plaatsvinden tussen [minderjarige] en de vrouw, althans een regeling die de voorzieningenrechter juist acht; III. te bepalen dat er een raadsonderzoek zal plaatsvinden; IV. de man (de voorzieningenrechter leest: de vrouw) te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen de nakosten. 3.3. Op de standpunten van partijen en het advies dat de Raad ter zitting heeft gegeven wordt, voor zover nodig om de vorderingen te beoordelen, hierna ingegaan. 4 De beoordeling in conventie en in reconventie 4.1. Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van partijen bij hun vorderingen vast. 4.2. Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. 4.3. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen medio juli 2025 in een viergesprek met hun advocaten een zorgregeling zijn overeengekomen die neerkomt op een co-ouderschapsregeling. Aan deze regeling wordt vanaf begin augustus 2025 echter geen (volledige) uitvoering meer gegeven. [minderjarige] verblijft op dit moment volledig bij de man, en zij heeft op 6 september 2025 voor het laatst fysiek contact gehad met de vrouw. De man maakt zich zorgen over de veiligheid van [minderjarige] wanneer zij bij de vrouw verblijft. Volgens de man zou de vrouw middelen gebruiken (alcohol en drugs) die de zorg en opvoeding van [minderjarige] in de weg staan. Bovendien heeft zich in de zomervakantie, in aanwezigheid van [minderjarige] , een incident tussen de vrouw en haar (ex)partner de heer [naam] voorgedaan dat schadelijk voor haar ontwikkeling is. De vrouw betwist dat zij middelen zou gebruiken, althans niet in aanwezigheid van [minderjarige] , en dat zij niet in staat zou zijn om op passende wijze zorg te dragen voor [minderjarige] . Er heeft zich in de zomervakantie inderdaad een incident voorgedaan, echter de vrouw had hierin geen aandeel. Het was de heer [naam], en niet zij, die drugs had gebruikt en hierdoor zichzelf niet meer in de hand had. De vrouw heeft tijdens dit incident adequaat gehandeld door contact op te nemen met de man met de vraag [minderjarige] op te halen met als doel [minderjarige] veilig te stellen. 4.4. Bij partijen is inmiddels Veilig Thuis betrokken. Ook zijn partijen bekend bij [hulpverlening], waar zij zich hebben aangemeld voor een hulpverleningstraject. Er is vanuit [hulpverlening] nog geen hulpverlening voor partijen gestart. Voor de voorzieningenrechter is niet duidelijk geworden wat hiervan de exacte reden is en partijen verschillen hierover van mening. Wel is haar duidelijk geworden dat beide partijen nog steeds achter een hulpverleningstraject bij [hulpverlening] staan, het belang hiervan inzien en hun medewerking hieraan willen verlenen. Partijen hebben ter zitting verklaard het belangrijk te vinden dat [minderjarige] met haar beide ouders regelmatig contact heeft, dat het contact tussen [minderjarige] en haar ouders onbelast plaatsvindt en dat over de zorg en opvoeding van [minderjarige] goede afspraken tussen partijen bestaan.
Volledig
Om dit te realiseren is het belangrijk dat de ouders met behulp van hulpverlening gaan werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking op ouderniveau, het vertrouwen over en weer alsook het gezamenlijk ouderschap. (Voorlopige) zorgregeling 4.5. Na een korte schorsing van de zitting zijn partijen, met in achtneming van het advies dat de Raad hen hierin heeft gegeven, een voorlopige zorgregeling met elkaar overeengekomen, waarbij zij de volgende afspraken met elkaar hebben gemaakt: - de vrouw en [minderjarige] hebben elke zaterdag van 13:00 uur tot 16:00 uur contact met elkaar bij de vrouw in [woonplaats 1] ; - de man brengt [minderjarige] naar de vrouw om 13:00 uur, en de vrouw brengt [minderjarige] naar de man om 16:00 uur terug; - op het moment dat de man [minderjarige] bij de vrouw brengt, neemt de vrouw in het bijzijn van de man (een) test(en) af op het gebruik van alcohol, speed, ketamine en MDMA. De vrouw draagt zelf zorg voor geschikte (een) test(en); - bij een positieve uitslag op één of meerdere van de vier hierboven genoemde middelen gaat het contactmoment tussen de vrouw en [minderjarige] niet door. Dit geldt ook als de vrouw niet heeft zorg gedragen voor (een) geschikte test(en); - de heer [naam] is niet aanwezig bij het brengen en ophalen of het contactmoment tussen de vrouw en [minderjarige] en is evenmin in de buurt; - de communicatie tussen partijen, waaronder Whatsappberichten, e-mails en telefoontjes, stopt voor zover dit geen betrekking heeft op afspraken en/of het delen van informatie over [minderjarige] . Deze voorlopige zorgregeling gaat direct in. Dit betekent dat het eerste contactmoment tussen de vrouw en [minderjarige] plaatsvindt op zaterdag 25 oktober 2025. Dit is ook zo op zitting met partijen besproken. 4.6. Partijen hebben ter zitting desgevraagd aangegeven dat nu zij een voorlopige zorgregeling met elkaar zijn overeengekomen er geen beslissing door de voorzieningen-rechter hoeft te worden genomen op hun vorderingen inzake het contact tussen [minderjarige] en partijen, te weten de (gehele) vordering van de vrouw (nakoming van de zorgregeling) en de vordering van de man vermeld onder II (begeleide omgang). De voorzieningenrechter begrijpt dit als dat deze vorderingen door partijen zijn ingetrokken, en zij zal deze dan ook afwijzen. 4.7. De bedoeling is dat partijen met de hulpverlening van [hulpverlening] gaan werken aan een verdere uitbreiding van het contact tussen de vrouw en [minderjarige] zodat zo snel mogelijk weer uitvoering kan worden gegeven aan de zorgregeling die partijen met elkaar zijn overeengekomen medio juli 2025. Daarbij raadt de voorzieningenrechter partijen aan om op een zo kort mogelijke termijn contact op te nemen met [hulpverlening], al dan niet met ondersteuning van hun advocaten, om de start van het hulpverleningstraject bij [hulpverlening] te versnellen. Raadsonderzoek 4.8. Voor zover de man zijn vordering tot het gelasten van een raadsonderzoek nog handhaaft, zal deze vordering worden afgewezen. De voorzieningenrechter volgt hierin het advies van de Raad dat er vooralsnog geen aanleiding is om een raadsonderzoek te verrichten, temeer nu partijen met hulpverlening aan de slag gaan om te werken aan een verbetering van de situatie voor [minderjarige] . Bovendien leent de aard van de procedure in kort geding zich niet voor een raadsonderzoek. Toevertrouwen 4.9. De man heeft gevorderd [minderjarige] aan hem toe te vertrouwen. Wat de man met deze vordering beoogt is de voorzieningenrechter niet geheel duidelijk. De situatie is nu zo dat [minderjarige] in de BRP op het adres van de vrouw staat ingeschreven. Sinds begin augustus 2025 verblijft [minderjarige] echter bij de man en vanaf september 2025 draagt de man de volledige zorg voor haar. Tijdens de zitting hebben partijen een voorlopige zorgregeling tussen de vrouw en [minderjarige] afgesproken. Zoals al overwogen onder rechtsoverweging 4.7. is het de bedoeling dat deze regeling met behulp van de hulpverlening van [hulpverlening] verder wordt uitgebreid waarbij wordt toegewerkt naar de zorgregeling zoals die tussen partijen sinds medio juli 2025 gold, inhoudende een co-ouderschapsregeling. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen reden om de inschrijving van [minderjarige] op het adres van de vrouw in de BRP te wijzigen naar het adres van de man. De vordering van de man tot toevertrouwing van [minderjarige] aan hem zal dan ook worden afgewezen. De voorzieningen-rechter geeft aan partijen mee dat het hen vrij staat om, al dan niet met behulp van hulpverlening en/of hun advocaten, afspraken met elkaar te maken over het delen van informatie en de financiën met betrekking tot [minderjarige] . Proceskosten 4.10. De man heeft gevorderd de vrouw te veroordelen in de proceskosten. Onderhavige zaak is van familierechtelijke aard. Het uitgangspunt bij familiezaken is compensatie van de proceskosten. De man heeft niet onderbouwd waarom in deze zaak van dit uitgangspunt zou moeten worden afgeweken. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten en bepaalt dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt. 5 De beslissing De voorzieningenrechter: in conventie en in reconventie 5.1. wijst de vorderingen van partijen af; 5.2. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. Benjaddi, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025 in aanwezigheid van mr. Snatersen, griffier.