Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-11-04
ECLI:NL:RBZWB:2025:7547
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,744 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/4898
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 6 juni 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting met [aanslagnummer] opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek bij brief van 19 augustus 2025 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten
2. De auto met [kenteken] stond op 28 mei 2024 omstreeks 20:36 uur stil op het [adres] te [plaats]. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
2.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 63,95 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 2,30 en € 61,65 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader van de rechtbank
5. Op grond van artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet en het gelijkluidende artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2024 (de Verordening) wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
Gronden belanghebbende
6. Belanghebbende voert aan dat de parkeerautomaten zeer slecht werkten waardoor belanghebbende besloten heeft om met de Q-Park app te betalen. Er is dus betaald, aldus belanghebbende.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
7. Niet in geschil is dat de auto van belanghebbende op 28 mei 2024 geparkeerd stond op het [adres] te [plaats]. Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Belanghebbende betwist echter dat geen parkeerbelasting is betaald.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende via de Q-Park app betaald heeft voor parkeren in de parkeergarage [plaats] centrum. Bij deze betaling is echter geen parkeerbelasting voldaan aangezien de parkeergarage niet tot de gemeente behoort. De parkeerplaats waar belanghebbende heeft geparkeerd, behoort wel tot de gemeente. Belanghebbende heeft voor de verkeerde parkeerplaats betaald. De rechtbank is van oordeel dat dit voor risico van belanghebbende moet blijven. Het lag namelijk op zijn weg om voorafgaande of bij aanvang van het parkeren te onderzoeken welk parkeertarief verschuldigd is voor welke parkeerlocatie. Hij dient de digitale informatie uit de app te controleren met de feitelijke situatie. Het nalaten van die controle komt voor rekening en risico van de parkeerder. Hoewel de rechtbank niet twijfelt aan de goede intenties van belanghebbende, kan zijn standpunt niet leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag.
7.2.
Ook het standpunt dat de parkeerautomaat defect was, kan niet leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Volgens vaste jurisprudentie dient een parkeerder zich in te spannen om de parkeerbelasting te voldoen. Een defecte parkeerautomaat leidt er niet toe dat de parkeerder niet hoeft te betalen of dat de heffingsambtenaar moet afzien van het opleggen van een naheffingsaanslag. Daarbij geldt dat van de parkeerder enige inspanning mag worden verwacht om de parkeerbelasting alsnog te voldoen bij een andere parkeerautomaat in dezelfde straat of omliggende straten, of elders te parkeren.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier, op 4 november 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
Rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt aan de partij die niet digitaal procedeert aangetekend per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Artikel 2, onder a, van de Verordening en artikel 1, onder 1.1, van het Aanwijzingsbesluit parkeerbelastingen [plaats] 2023.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:2248.
vgl. Hoge Raad, 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3117.