Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-10-29
ECLI:NL:RBZWB:2025:7429
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
879 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/496
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2025 in de zaak tussen
drs. [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende met dagtekening 15 januari 2025. Belanghebbende verzoekt om een schadevergoeding en een proceskostenvergoeding.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de belastingrechter onbevoegd is het verzoek te beoordelen.. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. De rechtbank stelt vast dat het geschil over de verzuimboete ten einde is gekomen op het moment dat de uitspraak op bezwaar is gedaan. Het beroep ziet enkel nog op het verzoek om schadevergoeding in verband met de afhandeling van dat bezwaar (en proceskostenveroordeling). De wet biedt geen mogelijkheid om in deze procedure een schadevergoeding vast te stellen. Titel 8.4 van de Awb bevat wel een regeling voor schadevergoeding maar die bepalingen zijn (nog) niet van toepassing verklaard in geschillen als deze met de belastingdienst. Daarom is artikel 8:73 van de Awb (oud) nog van toepassing. Dit artikel geeft de bestuursrechter alleen de mogelijkheid om schade te vergoeden die is ontstaan door een besluit van de inspecteur in het kader van een procedure tegen dat besluit. Een zelfstandig schadeverzoek is niet mogelijk.
4. In dit geval procedeert belanghebbende niet tegen de uitspraak op bezwaar. De belastingrechter is dus niet bevoegd om het verzoek om schadevergoeding te beoordelen. Belanghebbende kan het verzoek om schadevergoeding indienen bij de Belastingdienst of voorleggen aan de civiele rechter.
Conclusie
De rechtbank is onbevoegd een oordeel te geven over het verzoek om schadevergoeding. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Belanghebbende heeft ook geen recht op vergoeding van het griffierecht.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van D. Weijtens, griffier, op 29 oktober 2025 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt aan de partij die niet digitaal procedeert aangetekend per post verzonden op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Op grond van artikel V, tweede lid, van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten.