Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-10-23
ECLI:NL:RBZWB:2025:7265
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,124 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2238
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
(gemachtigde: mr. E.G.M. Huisman),
en
de korpschef van politie
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van een verklaring van betrouwbaarheid als alarminstallateur op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr).
1.1.
De korpschef heeft deze verklaring met het besluit van 1 oktober 2024 geweigerd. Met het bestreden besluit van 27 februari 2025 op het bezwaar van eiser is de korpschef bij de weigering van de verklaring van betrouwbaarheid gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en namens de korpschef mr. W. Andelbeek.
1.3.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling
2. Voor het afgeven van een verklaring van betrouwbaarheid op grond van de Wpbr is volgens vaste rechtspraak van belang dat de betrouwbaarheid en de integriteit boven iedere twijfel verheven zijn. In dit geval is de verklaring in eerste instantie geweigerd op basis van een veroordeling door de politierechter voor rijden onder invloed en in tweede instantie kwam daarbij het werken zonder verklaring. De werkgever van eiser is ervoor verantwoordelijk dat dit laatste niet gebeurt, omdat artikel 10, lid 1 van de Wpbr zich tot de werkgever richt, maar eiser zelf ook. Eiser had namelijk kunnen en moeten weten dat zijn verklaring verlopen was. Het werken zonder verklaring kan dus wel degelijk eiser worden aangerekend. Omdat dit raakt aan de betrouwbaarheid van eiser, mag dit feit worden meegewogen door de korpschef in zijn besluitvorming.
2.1.
Veel belangrijker in deze zaak is echter de veroordeling. Rijden onder invloed met een dergelijk hoog promillage, namelijk vier keer de toegestane hoeveelheid, is een ernstig feit. Alleen al op basis daarvan had de korpschef de bevoegdheid om te weigeren.
2.2.
Eiser zegt dat zijn situatie inmiddels verbeterd is, maar heeft dat niet met stukken onderbouwd. Kort samengevat wil eiser dat de korpschef voor hem een uitzondering maakt op grond van zijn persoonlijke omstandigheden. Dat de belangen van eiser groot zijn, snapt de korpschef ook. Hij moet het belang van eiser afwegen tegen het algemene belang van een betrouwbare veiligheidszorg en een goede naam van de beveiligingsbranche. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef terecht het algemeen belang zwaarder laten wegen dan het persoonlijke belang van eiser. Er is dus geen sprake van onevenredigheid van het besluit. Ook is de korpschef terecht niet afgeweken van de terugkijktermijn op grond van de hardheidsclausule.
Conclusie
3. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de korpschef terecht de verklaring van betrouwbaarheid geweigerd heeft. Het beroep is dus ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
3.1.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2025 door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.