Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-10-17
ECLI:NL:RBZWB:2025:7038
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,905 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/440953 / JE RK 25-1874
Datum uitspraak: 17 oktober 2025
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE VLISSINGEN,
locatie Vlissingen,
hierna te noemen: het College.
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. R. Wouters uit Middelburg.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van het College op 17 oktober 2025;
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van het College met bijlagen, ontvangen op 17 oktober 2025;
- de mondelinge instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 17 oktober 2025.
1.2.
Aan [minderjarige] is als advocaat toegevoegd mr. R. Wouters te Middelburg.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft bij een woonzorgvoorziening van [organisatie] in [plaats] .
2.3.
De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit. [minderjarige] heeft de Franse nationaliteit.
2.4.
Bij beschikking van 24 september 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 24 september 2025 en tot 1 oktober 2025. Het resterende deel van het spoedverzoek is aangehouden.
2.5.
Bij beschikking van 29 september 2025 heeft de kinderrechter het resterende deel van het spoedverzoek afgewezen.
3Het verzoek
3.1.
Het College verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. Het College verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De gedragswetenschapper, de heer [persoon] , heeft op 17 oktober 2025 mondeling en op basis van dossieronderzoek ingestemd met het spoedverzoek. [persoon] heeft toegezegd met [minderjarige] in gesprek te gaan, zodra hij gesloten is geplaatst waarna de schriftelijke instemmingsverklaring wordt nagezonden.
3.3.
De moeder stemt in met opneming en verblijf van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp. Dit blijkt uit de instemmingsverklaring van 16 oktober 2025.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
4.1.
De kinderrechter constateert dat de minderjarige de Franse nationaliteit heeft en de moeder de Nederlandse nationaliteit. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
4.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu [minderjarige] zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
4.3.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond van het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Beoordeling
4.4.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Op 24 september 2025 is een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van één week voor [minderjarige] verleend, waarna op de zitting van 29 september 2025 het overige deel van het spoedverzoek is afgewezen met een appèl op [minderjarige] om zich te zullen gaan gedragen en mee te werken met de hulpverlening. Uit de informatie van het College is gebleken dat [minderjarige] , vanwege een plaatsingsgebrek bij Almata, in een woonzorgvoorziening van [organisatie] in [plaats] is geplaatst en dat het sindsdien niet beter is gegaan. Sinds het verblijf van [minderjarige] bij [organisatie] is er door zijn gedrag dagelijks sprake van onveiligheid voor [minderjarige] , zijn groepsgenoten en zijn omgeving (buren), waarbij de buren bijna dagelijks de politie bellen vanwege het gedrag van [minderjarige] . [minderjarige] is onvoorspelbaar en laat grensoverschrijdend, impulsief en gevaarlijk gedrag zien. Hij zoekt seksuele contacten met groepsgenoten op, loopt gillend en scheldend op straat, daagt groepsgenoten en buren uit, gooit met spullen en dreigt ook dingen kapot te maken. [minderjarige] heeft een op een begeleiding nodig, maar deze kan [minderjarige] amper begrenzen. [organisatie] heeft aangegeven dat zij het niet meer aankunnen en dat [minderjarige] per direct weg moet. Verder volgt uit de informatie van het College dat [minderjarige] psychotisch lijkt, dat hij inmiddels ook is onderzocht door een psychiater en dat er sinds 14 oktober 2025 medicatie is voorgeschreven maar deze lijkt (nog) niet te werken. De gedragswetenschapper van [organisatie] heeft Emergis ook verzocht om [minderjarige] te beoordelen, maar tot op heden nog zonder resultaat. Verder geeft het College aan dat er op dit moment geen plek op Almata is, maar dat er een opdracht is uitgezet om bovenregionaal te gaan zoeken.
4.5.
De kinderrechter heeft op 17 oktober 2025 telefonisch gesproken met de onafhankelijke gekwalificeerde gedragswetenschapper de heer [persoon] . [persoon] heeft – zoals ook vermeld in het verzoekschrift – aangegeven in te stemmen met het spoedverzoek. [persoon] heeft [minderjarige] niet gesproken, omdat [minderjarige] op dit moment rustig is en een gesprek tot veel onrust zou kunnen leiden, terwijl de woonvoorziening van [organisatie] al heeft aangegeven dat zij het niet meer aankunnen. Wel heeft de heer [persoon] [minderjarige] ongeveer twee weken geleden, in het kader van het spoedverzoek van 24 september 2025, gesproken en sindsdien is het niet beter gegaan met [minderjarige] . [persoon] heeft toegezegd met [minderjarige] in gesprek te gaan, zodra hij gesloten is geplaatst. In deze specifieke casus vindt de kinderrechter, gelet op de ernst van de situatie van [minderjarige] en dat de situatie voor zichzelf en zijn omgeving kan verergeren als hem nu duidelijk wordt dat er een verzoek gesloten plaatsing ligt, de telefonische toelichting van de gekwalificeerde gedragswetenschapper voldoende.
4.6.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
4.7.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] en/of zijn omgeving. Daarom machtigt de kinderrechter het college om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken. De kinderrechter houdt het resterende deel van het verzoek van het College aan tot de hierna genoemde zitting. Het College, de moeder en [minderjarige] en zijn advocaat worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven tijdens de zitting van [datum] 2025.
4.8.
De kinderrechter wijst het College erop dat voor de zitting van [datum] 2025 de schriftelijke instemmingsverklaring van de onafhankelijke gedragswetenschapper, tot stand gebracht op basis van onderzoek van de minderjarige in persoon, aan de rechtbank en onder gelijktijdige verstrekking aan de belanghebbenden toegestuurd dient te worden.
4.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
5.1.
verleent een spoedmachtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee weken, met ingang van 17 oktober 2025 en tot 31 oktober 2025;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept het College, de moeder en [minderjarige] en zijn advocaat op voor de zitting van mr. L. Verschoor-Bergsma op [datum] 2025 om [uur] (voor de duur van 45 minuten) in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
5.3.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor de zitting op [datum] 2025 om [uur] voor het College, de moeder en [minderjarige] en zijn advocaat;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2025 door mr. De Beer, kinderrechter, en is op schrift gesteld op 20 oktober 2025 in aanwezigheid van mr. Vork als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 6.1.3, tweede lid, Jeugdwet (Jw).