Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-09
ECLI:NL:RBZWB:2025:7035
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
10,666 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/428177 / JE RK 24-1968 (verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing) en C/02/430092 / JE RK 24-2298 (voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp)
Datum uitspraak: 9 januari 2025
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling, machtiging tot uithuisplaatsing en voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaken van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg.
De kinderrechter merkt in beide zaken als belanghebbenden aan:
[moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. D.J.A. Burlet te Oostburg,
[vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. D.J.A. Burlet te Oostburg.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake JE RK 24-1968:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 oktober 2024;
- de brief van de GI van 20 december 2024.
Inzake JE RK 24-2298:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 december 2024;
- het ondertekende hulpverleningsplan, ontvangen op 24 december 2024;
- de instemmende verklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper, ontvangen op 24 december 2024.
1.2.
Op 9 januari 2025 heeft de kinderrechter, gelet op de onderlinge samenhang, de zaken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren gezamenlijk behandeld.
1.3.
Verschenen en gehoord zijn:
- [minderjarige] , die ook apart is gehoord, bijgestaan door mr. R. Wouters, kantoorgenoot van mr. N. Wouters;
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.4.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was tevens bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer [naam] , vanuit [zorginstelling 1] werkzaam als individueel begeleider en vertrouwenspersoon van [minderjarige] .
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn ouders.
2.3.
Bij beschikking van 8 september 2022 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 8 september 2022 en tot 22 september 2022.
2.4.
Bij beschikking van 15 september 2022 is een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 15 september 2022 en tot 15 januari 2023.
2.5.
Bij beschikking van 12 januari 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 januari 2023 en tot 12 januari 2024. Tevens is bij deze beschikking een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 12 januari 2023 en tot 12 juli 2023.
2.6.
Bij beschikking van 8 januari 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 12 januari 2024 en tot 12 januari 2025 verlengd.
2.7.
Bij beschikking van 28 juni 2024 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 28 juni 2024 tot 12 juli 2024.
2.8.
Bij beschikking van 11 juli 2024 is een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 juli 2024 en tot 11 oktober 2024.
2.9.
Bij beschikking van 1 oktober 2024 is een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 oktober 2024 en tot 12 januari 2025. De tenuitvoerlegging van deze machtiging is op 21 november 2024 geschorst.
3Het verzoek
Inzake JE RK 24-1968 (verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing):
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] 2025.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Inzake JE RK 24-2298 (voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp):
3.2.
De GI verzoekt een voorwaardelijke machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] 2025.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. Ook handhaaft de GI het verzoek tot verlening van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. Daarbij licht de GI toe dat [minderjarige] bij [zorginstelling 2] hard heeft gewerkt en veel heeft geleerd. Nadat bleek dat de plaatsing in het beoogde gezinshuis geen doorgang kon vinden, heeft de GI [minderjarige] de kans gegeven om vanuit de thuissituatie te starten met zijn werk en school. Om ervoor te zorgen dat het verblijf in de thuissituatie voor [minderjarige] zo veilig mogelijk is, is het voorliggende verzoek ingediend. De GI vindt het namelijk belangrijk dat [minderjarige] een time-out kan nemen bij [zorginstelling 2] als de spanningen in de thuissituatie oplopen. Tegelijkertijd kan de voorwaardelijke machtiging nodig zijn om tijdig te kunnen handelen als het opnieuw mis dreigt te gaan met [minderjarige] in de thuissituatie. De GI hoopt uiteraard dat de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp niet nodig zal zijn en dat het [minderjarige] lukt om zelf tijdig aan de bel te trekken als het onverhoopt niet goed gaat. Daarbij licht de GI toe dat er samen met [minderjarige] en zijn individueel begeleider wordt toegewerkt naar een begeleid zelfstandig wonen-traject. Er is een intake gepland bij [zorginstelling 3] , maar het is nog niet zeker of [minderjarige] daar daadwerkelijk kan gaan wonen.
4.2.
[minderjarige] vindt de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling niet nodig, maar is het wel eens met verlening van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. [minderjarige] stemt daarbij in met de voorwaarden zoals opgenomen in het hulpverleningsplan. Daarbij merkt [minderjarige] op dat hij een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp zelf niet nodig vindt, maar daar weinig tegen kan inbrengen doordat alle mensen om hem heen een voorwaardelijke kader noodzakelijk vinden. Tegelijkertijd ziet [minderjarige] in dat een voorwaardelijke machtiging als stok achter de deur kan dienen en hij denkt niet dat hij veel last zal hebben van een voorwaardelijke machtiging. In de afgelopen weken heeft [minderjarige] namelijk ook geen last gehad van de schorsende voorwaarden van [zorginstelling 2] . [minderjarige] is voornemens zich aan de voorwaarden te houden en heeft er vertrouwen in dat dit goed zal blijven gaan. Het maakt hem daarom niet veel uit of er wel of geen voorwaardelijke machtiging wordt verleend. [minderjarige] vertelt verder dat hij bij [zorginstelling 2] rustiger is geworden en dat het goed met hem gaat. Hij vindt het fijn dat hij sinds november weer thuis woont. Tegelijkertijd geeft [minderjarige] ook aan dat het niet altijd leuk is thuis vanwege de onderlinge spanningen, zowel tussen de ouders onderling als tussen [minderjarige] en zijn ouders. Vanwege deze spanningen is [minderjarige] weinig thuis en slaapt hij veel bij zijn vriendin. Dat geeft hem rust en op die manier probeert [minderjarige] te voorkomen dat de situatie thuis opnieuw zal escaleren. [minderjarige] heeft namelijk bij [zorginstelling 2] geleerd om weg te gaan uit een situatie en voor zijn rust te kiezen als zijn irritatie oploopt. Verder heeft [minderjarige] bij [zorginstelling 2] gewerkt aan zijn discipline voor school en werk. Sinds hij weer thuis woont is [minderjarige] vier dagen per week aan het werk en gaat hij één dag per week naar school. Dit gaat erg goed. Voorts is [minderjarige] samen met zijn individueel begeleider bezig om een plek voor zichzelf te zoeken. [minderjarige] heeft namelijk het gevoel dat hij daar aan toe is. Er wordt op dit moment bezien of een begeleid zelfstandig wonen-traject bij [zorginstelling 3] passend is. Omdat [minderjarige] hierdoor hopelijk op korte termijn op zichzelf kan gaan wonen, wordt verzocht de voorwaardelijke machtiging in duur te beperken tot drie maanden of zoveel eerder als [minderjarige] een eigen woonplek heeft. Doordat de noodzaak voor de voorwaardelijke machtiging is gelegen in de spanningen in de thuissituatie, zal de machtiging namelijk niet langer nodig zijn zodra [minderjarige] op zichzelf woont.
4.3.
De ouders hebben geen bezwaar tegen de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling en zij stemmen in met het verzoek tot verlening van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. Zij verklaren dat het wisselend gaat met [minderjarige] in de thuissituatie. Beide ouders staan achter het plan om toe te werken naar een begeleid zelfstandig wonen-traject voor [minderjarige] . Zolang [minderjarige] nog bij de ouders woont vinden de ouders de verzochte voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp wenselijk. Hoewel de ouders hopen dat een nieuwe opname bij [zorginstelling 2] niet nodig zal zijn, dient er een plek te zijn waar [minderjarige] een time-out kan nemen als het niet goed met hem gaat.
4.4.
De individueel begeleider van [minderjarige] licht toe dat het veel beter gaat met [minderjarige] , onder meer doordat hij zich tijdens de plaatsing bij [zorginstelling 2] heeft opengesteld voor therapie.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter constateert dat de moeder de Ghanese en de Belgische nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
5.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Inzake JE RK 24-1968:
Verlenging ondertoezichtstelling
5.4.
De kinderrechter is gebleken dat [minderjarige] in de afgelopen periode zowel bij [zorginstelling 2] als in de thuissituatie positieve stappen heeft gezet. [minderjarige] heeft zich bij [zorginstelling 2] opengesteld voor therapie en hij heeft goede inzet laten zien en hard aan zichzelf gewerkt. Ook in de thuissituatie heeft [minderjarige] stappen gezet, zo werkt hij momenteel vier dagen per week en gaat hij één dag per week naar school. De kinderrechter is verheugd te kunnen constateren dat er sprake is van een positieve ontwikkeling.
5.5.
Tegelijkertijd stelt de kinderrechter vast dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog niet is weggenomen. Dit komt met name doordat de patronen in de thuissituatie onvoldoende zijn doorbroken. De ouders liggen nog niet op één lijn in de opvoeding van [minderjarige] en er is bij de moeder nog steeds sprake van (overmatig) alcoholgebruik. Hierdoor zijn er nog steeds veel spanningen tussen de ouders onderling, alsook tussen de ouders en [minderjarige] . De kinderrechter heeft zorgen dat [minderjarige] wordt belast met de spanningen in de thuissituatie en stelt vast dat [minderjarige] daardoor nog steeds in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Ondanks de inzet van hulpverlening, stelt de kinderrechter vast dat de ouders onvoldoende bereid dan wel in staat zijn om aan de slag te gaan met de onderliggende patronen en om het geleerde te laten beklijven. De kinderrechter komt daardoor tot het oordeel dat een overdracht naar het vrijwillig kader nog niet mogelijk is. Dit maakt het noodzakelijk dat ook de komende periode ondersteuning en regie voor [minderjarige] in een gedwongen kader betrokken blijft.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling (artikel 1:260 jo. 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal daarom het onweersproken verzoek toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] 2025. Daarbij geeft de kinderrechter aan de GI de opdracht mee om verder te blijven werken aan de doelen van de ondertoezichtstelling en de belangen van [minderjarige] te blijven bewaken. Ook verwacht de kinderrechter dat de GI samen met [minderjarige] , de individueel begeleider en de ouders zal werken aan het door [minderjarige] gewenste begeleid zelfstandig wonen-traject bij [zorginstelling 3] , nu [minderjarige] toe lijkt te zijn aan deze stap naar meer zelfstandigheid en een eigen plek ervoor kan zorgen dat [minderjarige] niet langer wordt belast met spanningen in de thuissituatie.
Machtiging tot uithuisplaatsing
5.7.
Bij brief van 20 december 2024 heeft de GI het verzoek omtrent de machtiging tot uithuisplaatsing ingetrokken. Dit deel van het verzoek behoeft daardoor geen beoordeling en beslissing meer. De kinderrechter zal dit deel van het verzoek daarom afwijzen.
Inzake JE RK 24-2298:
5.8.
Zoals in rechtsoverweging 5.5 is overwogen heeft de kinderrechter nog steeds veel zorgen over de opvoedingsomgeving van [minderjarige] , met name doordat de patronen in de thuissituatie onvoldoende zijn doorbroken. Er zijn nog steeds veel spanningen tussen de ouders onderling, maar ook tussen de ouders en [minderjarige] . Er wordt gezien dat [minderjarige] binnen zijn therapie weliswaar hard heeft gewerkt en stappen heeft gezet, maar dat de patronen bij de ouders nog niet zijn doorbroken. Aan die spanningen in de thuissituatie kan [minderjarige] zelf niks doen, maar hij heeft daar wel last van. De spanningen thuis kunnen [minderjarige] dusdanig onder druk, dat hij de geleerde vaardigheden niet meer effectief kan inzetten. Dit maakt dat er een risico is dat [minderjarige] zal terugvallen oud gedrag, waaronder het uiten van agressie. De kinderrechter vindt het belangrijk dat dat wordt voorkomen. Om [minderjarige] te helpen de ingezette positieve ontwikkeling vast te houden vindt de kinderrechter het belangrijk dat [minderjarige] een neutrale plek heeft waar hij een time-out kan nemen op het moment dat de spanningen in de thuissituatie oplopen, maar ook zodat er op tijd kan worden ingegrepen.
5.9.
De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria van artikel 6.1.4, tweede lid, Jeugdwet. Naar het oordeel van de kinderrechter is de verlening van jeugdhulp noodzakelijk in verband met ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid van [minderjarige] ernstig belemmeren. Daarnaast is gesloten jeugdhulp noodzakelijk en geschikt om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan de jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. De ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid kan alleen buiten de accommodatie worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden. Daarbij zijn er geen minder ingrijpende mogelijkheden om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
5.10.
Voorts is naar het oordeel van kinderrechter voldaan aan de overige in artikel 6.1.4 Jeugdwet genoemde wettelijke criteria om een voorwaardelijke machtiging te kunnen verlenen. De jeugdhulpaanbieder heeft in het hulpverleningsplan van 21 november 2024 de voorwaarden opgenomen waaraan [minderjarige] zich moet houden en [zorginstelling 2] genoemd als jeugdhulpaanbieder die bereid is [minderjarige] op te nemen. Tevens is vermeld welke medewerkers bevoegd zijn tot het nemen van het besluit tot opname. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [minderjarige] kenbaar gemaakt dat hij de jeugdhulp zal aanvaarden en instemt met de voorwaarden zoals opgenomen in het hulpverleningsplan. [minderjarige] is bereid zich aan deze voorwaarden te gaan houden en hij begrijpt dat hij (al dan niet als time-out) op een gesloten groep van [zorginstelling 2] kan worden geplaatst op het moment dat hij één of meerdere voorwaarden overtreedt. Verder blijkt uit de schriftelijke instemmingsverklaring van 24 december 2024 dat de onafhankelijke gedragswetenschapper instemt met het verzoek. Daarbij benadrukt de kinderrechter dat de gekwalificeerde gedragswetenschapper een volledige heropname bij [zorginstelling 2] gelet op het werk en de opleiding van [minderjarige] contra-geïndiceerd acht. Uitgangspunt is dat [minderjarige] een plek heeft waar hij een time-out kan nemen op het moment dat de spanningen in de thuissituatie oplopen.
Dictum
De kinderrechter:
Inzake JE RK 24-1968:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot aan zijn meerderjarigheid, te weten met ingang van 12 januari 2025 en tot [datum] 2025;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Inzake JE RK 24-2298:
6.4.
verleent een voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van met ingang van 9 januari 2025 en tot 9 april 2025, of zoveel eerder [minderjarige] een zelfstandige woonplek heeft, onder de in rechtsoverweging 5.12 genoemde voorwaarden;
6.5.
wijst het meer of ander verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025 door mr. M. Voorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.S.E. van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 7 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/428177 / JE RK 24-1968 (verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing) en C/02/430092 / JE RK 24-2298 (voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp)
Datum uitspraak: 9 januari 2025
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling, machtiging tot uithuisplaatsing en voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaken van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
betreffende
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats] ( [land] ),
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg.
De kinderrechter merkt in beide zaken als belanghebbenden aan:
[moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. D.J.A. Burlet te Oostburg,
[vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. D.J.A. Burlet te Oostburg.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Inzake JE RK 24-1968:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 oktober 2024;
- de brief van de GI van 20 december 2024.
Inzake JE RK 24-2298:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 december 2024;
- het ondertekende hulpverleningsplan, ontvangen op 24 december 2024;
- de instemmende verklaring van de gekwalificeerde gedragswetenschapper, ontvangen op 24 december 2024.
1.2.
Op 9 januari 2025 heeft de kinderrechter, gelet op de onderlinge samenhang, de zaken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren gezamenlijk behandeld.
1.3.
Verschenen en gehoord zijn:
- [minderjarige] , die ook apart is gehoord, bijgestaan door mr. R. Wouters, kantoorgenoot van mr. N. Wouters;
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.4.
Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was tevens bij de mondelinge behandeling aanwezig de heer [naam] , vanuit [zorginstelling 1] werkzaam als individueel begeleider en vertrouwenspersoon van [minderjarige] .
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn ouders.
2.3.
Bij beschikking van 8 september 2022 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 8 september 2022 en tot 22 september 2022.
2.4.
Bij beschikking van 15 september 2022 is een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 15 september 2022 en tot 15 januari 2023.
2.5.
Bij beschikking van 12 januari 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 januari 2023 en tot 12 januari 2024. Tevens is bij deze beschikking een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 12 januari 2023 en tot 12 juli 2023.
2.6.
Bij beschikking van 8 januari 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 12 januari 2024 en tot 12 januari 2025 verlengd.
2.7.
Bij beschikking van 28 juni 2024 is een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 28 juni 2024 tot 12 juli 2024.
2.8.
Bij beschikking van 11 juli 2024 is een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 juli 2024 en tot 11 oktober 2024.
2.9.
Bij beschikking van 1 oktober 2024 is een machtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 11 oktober 2024 en tot 12 januari 2025. De tenuitvoerlegging van deze machtiging is op 21 november 2024 geschorst.
3Het verzoek
Inzake JE RK 24-1968 (verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing):
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] 2025.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Inzake JE RK 24-2298 (voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp):
3.2.
De GI verzoekt een voorwaardelijke machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] 2025.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de overgelegde stukken. Ook handhaaft de GI het verzoek tot verlening van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. Daarbij licht de GI toe dat [minderjarige] bij [zorginstelling 2] hard heeft gewerkt en veel heeft geleerd. Nadat bleek dat de plaatsing in het beoogde gezinshuis geen doorgang kon vinden, heeft de GI [minderjarige] de kans gegeven om vanuit de thuissituatie te starten met zijn werk en school. Om ervoor te zorgen dat het verblijf in de thuissituatie voor [minderjarige] zo veilig mogelijk is, is het voorliggende verzoek ingediend. De GI vindt het namelijk belangrijk dat [minderjarige] een time-out kan nemen bij [zorginstelling 2] als de spanningen in de thuissituatie oplopen. Tegelijkertijd kan de voorwaardelijke machtiging nodig zijn om tijdig te kunnen handelen als het opnieuw mis dreigt te gaan met [minderjarige] in de thuissituatie. De GI hoopt uiteraard dat de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp niet nodig zal zijn en dat het [minderjarige] lukt om zelf tijdig aan de bel te trekken als het onverhoopt niet goed gaat. Daarbij licht de GI toe dat er samen met [minderjarige] en zijn individueel begeleider wordt toegewerkt naar een begeleid zelfstandig wonen-traject. Er is een intake gepland bij [zorginstelling 3] , maar het is nog niet zeker of [minderjarige] daar daadwerkelijk kan gaan wonen.
4.2.
[minderjarige] vindt de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling niet nodig, maar is het wel eens met verlening van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. [minderjarige] stemt daarbij in met de voorwaarden zoals opgenomen in het hulpverleningsplan. Daarbij merkt [minderjarige] op dat hij een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp zelf niet nodig vindt, maar daar weinig tegen kan inbrengen doordat alle mensen om hem heen een voorwaardelijke kader noodzakelijk vinden. Tegelijkertijd ziet [minderjarige] in dat een voorwaardelijke machtiging als stok achter de deur kan dienen en hij denkt niet dat hij veel last zal hebben van een voorwaardelijke machtiging. In de afgelopen weken heeft [minderjarige] namelijk ook geen last gehad van de schorsende voorwaarden van [zorginstelling 2] . [minderjarige] is voornemens zich aan de voorwaarden te houden en heeft er vertrouwen in dat dit goed zal blijven gaan. Het maakt hem daarom niet veel uit of er wel of geen voorwaardelijke machtiging wordt verleend. [minderjarige] vertelt verder dat hij bij [zorginstelling 2] rustiger is geworden en dat het goed met hem gaat. Hij vindt het fijn dat hij sinds november weer thuis woont. Tegelijkertijd geeft [minderjarige] ook aan dat het niet altijd leuk is thuis vanwege de onderlinge spanningen, zowel tussen de ouders onderling als tussen [minderjarige] en zijn ouders. Vanwege deze spanningen is [minderjarige] weinig thuis en slaapt hij veel bij zijn vriendin. Dat geeft hem rust en op die manier probeert [minderjarige] te voorkomen dat de situatie thuis opnieuw zal escaleren. [minderjarige] heeft namelijk bij [zorginstelling 2] geleerd om weg te gaan uit een situatie en voor zijn rust te kiezen als zijn irritatie oploopt. Verder heeft [minderjarige] bij [zorginstelling 2] gewerkt aan zijn discipline voor school en werk. Sinds hij weer thuis woont is [minderjarige] vier dagen per week aan het werk en gaat hij één dag per week naar school. Dit gaat erg goed. Voorts is [minderjarige] samen met zijn individueel begeleider bezig om een plek voor zichzelf te zoeken. [minderjarige] heeft namelijk het gevoel dat hij daar aan toe is. Er wordt op dit moment bezien of een begeleid zelfstandig wonen-traject bij [zorginstelling 3] passend is. Omdat [minderjarige] hierdoor hopelijk op korte termijn op zichzelf kan gaan wonen, wordt verzocht de voorwaardelijke machtiging in duur te beperken tot drie maanden of zoveel eerder als [minderjarige] een eigen woonplek heeft. Doordat de noodzaak voor de voorwaardelijke machtiging is gelegen in de spanningen in de thuissituatie, zal de machtiging namelijk niet langer nodig zijn zodra [minderjarige] op zichzelf woont.
4.3.
De ouders hebben geen bezwaar tegen de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling en zij stemmen in met het verzoek tot verlening van een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp. Zij verklaren dat het wisselend gaat met [minderjarige] in de thuissituatie. Beide ouders staan achter het plan om toe te werken naar een begeleid zelfstandig wonen-traject voor [minderjarige] . Zolang [minderjarige] nog bij de ouders woont vinden de ouders de verzochte voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp wenselijk. Hoewel de ouders hopen dat een nieuwe opname bij [zorginstelling 2] niet nodig zal zijn, dient er een plek te zijn waar [minderjarige] een time-out kan nemen als het niet goed met hem gaat.
4.4.
De individueel begeleider van [minderjarige] licht toe dat het veel beter gaat met [minderjarige] , onder meer doordat hij zich tijdens de plaatsing bij [zorginstelling 2] heeft opengesteld voor therapie.
Beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
De kinderrechter constateert dat de moeder de Ghanese en de Belgische nationaliteit heeft. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
5.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt.
5.3.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe. Nu de Nederlandse kinderrechter bevoegd is om op het verzoek te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Inzake JE RK 24-1968:
Verlenging ondertoezichtstelling
5.4.
De kinderrechter is gebleken dat [minderjarige] in de afgelopen periode zowel bij [zorginstelling 2] als in de thuissituatie positieve stappen heeft gezet. [minderjarige] heeft zich bij [zorginstelling 2] opengesteld voor therapie en hij heeft goede inzet laten zien en hard aan zichzelf gewerkt. Ook in de thuissituatie heeft [minderjarige] stappen gezet, zo werkt hij momenteel vier dagen per week en gaat hij één dag per week naar school. De kinderrechter is verheugd te kunnen constateren dat er sprake is van een positieve ontwikkeling.
5.5.
Tegelijkertijd stelt de kinderrechter vast dat de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] nog niet is weggenomen. Dit komt met name doordat de patronen in de thuissituatie onvoldoende zijn doorbroken. De ouders liggen nog niet op één lijn in de opvoeding van [minderjarige] en er is bij de moeder nog steeds sprake van (overmatig) alcoholgebruik. Hierdoor zijn er nog steeds veel spanningen tussen de ouders onderling, alsook tussen de ouders en [minderjarige] . De kinderrechter heeft zorgen dat [minderjarige] wordt belast met de spanningen in de thuissituatie en stelt vast dat [minderjarige] daardoor nog steeds in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Ondanks de inzet van hulpverlening, stelt de kinderrechter vast dat de ouders onvoldoende bereid dan wel in staat zijn om aan de slag te gaan met de onderliggende patronen en om het geleerde te laten beklijven. De kinderrechter komt daardoor tot het oordeel dat een overdracht naar het vrijwillig kader nog niet mogelijk is. Dit maakt het noodzakelijk dat ook de komende periode ondersteuning en regie voor [minderjarige] in een gedwongen kader betrokken blijft.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de ondertoezichtstelling (artikel 1:260 jo. 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal daarom het onweersproken verzoek toewijzen en de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [datum] 2025. Daarbij geeft de kinderrechter aan de GI de opdracht mee om verder te blijven werken aan de doelen van de ondertoezichtstelling en de belangen van [minderjarige] te blijven bewaken. Ook verwacht de kinderrechter dat de GI samen met [minderjarige] , de individueel begeleider en de ouders zal werken aan het door [minderjarige] gewenste begeleid zelfstandig wonen-traject bij [zorginstelling 3] , nu [minderjarige] toe lijkt te zijn aan deze stap naar meer zelfstandigheid en een eigen plek ervoor kan zorgen dat [minderjarige] niet langer wordt belast met spanningen in de thuissituatie.
Machtiging tot uithuisplaatsing
5.7.
Bij brief van 20 december 2024 heeft de GI het verzoek omtrent de machtiging tot uithuisplaatsing ingetrokken. Dit deel van het verzoek behoeft daardoor geen beoordeling en beslissing meer. De kinderrechter zal dit deel van het verzoek daarom afwijzen.
Inzake JE RK 24-2298:
5.8.
Zoals in rechtsoverweging 5.5 is overwogen heeft de kinderrechter nog steeds veel zorgen over de opvoedingsomgeving van [minderjarige] , met name doordat de patronen in de thuissituatie onvoldoende zijn doorbroken. Er zijn nog steeds veel spanningen tussen de ouders onderling, maar ook tussen de ouders en [minderjarige] . Er wordt gezien dat [minderjarige] binnen zijn therapie weliswaar hard heeft gewerkt en stappen heeft gezet, maar dat de patronen bij de ouders nog niet zijn doorbroken. Aan die spanningen in de thuissituatie kan [minderjarige] zelf niks doen, maar hij heeft daar wel last van. De spanningen thuis kunnen [minderjarige] dusdanig onder druk, dat hij de geleerde vaardigheden niet meer effectief kan inzetten. Dit maakt dat er een risico is dat [minderjarige] zal terugvallen oud gedrag, waaronder het uiten van agressie. De kinderrechter vindt het belangrijk dat dat wordt voorkomen. Om [minderjarige] te helpen de ingezette positieve ontwikkeling vast te houden vindt de kinderrechter het belangrijk dat [minderjarige] een neutrale plek heeft waar hij een time-out kan nemen op het moment dat de spanningen in de thuissituatie oplopen, maar ook zodat er op tijd kan worden ingegrepen.
5.9.
De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria van artikel 6.1.4, tweede lid, Jeugdwet. Naar het oordeel van de kinderrechter is de verlening van jeugdhulp noodzakelijk in verband met ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid van [minderjarige] ernstig belemmeren. Daarnaast is gesloten jeugdhulp noodzakelijk en geschikt om te voorkomen dat [minderjarige] zich aan de jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. De ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid kan alleen buiten de accommodatie worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden. Daarbij zijn er geen minder ingrijpende mogelijkheden om de opgroei- en opvoedingsproblemen te behandelen.
5.10.
Voorts is naar het oordeel van kinderrechter voldaan aan de overige in artikel 6.1.4 Jeugdwet genoemde wettelijke criteria om een voorwaardelijke machtiging te kunnen verlenen. De jeugdhulpaanbieder heeft in het hulpverleningsplan van 21 november 2024 de voorwaarden opgenomen waaraan [minderjarige] zich moet houden en [zorginstelling 2] genoemd als jeugdhulpaanbieder die bereid is [minderjarige] op te nemen. Tevens is vermeld welke medewerkers bevoegd zijn tot het nemen van het besluit tot opname. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [minderjarige] kenbaar gemaakt dat hij de jeugdhulp zal aanvaarden en instemt met de voorwaarden zoals opgenomen in het hulpverleningsplan. [minderjarige] is bereid zich aan deze voorwaarden te gaan houden en hij begrijpt dat hij (al dan niet als time-out) op een gesloten groep van [zorginstelling 2] kan worden geplaatst op het moment dat hij één of meerdere voorwaarden overtreedt. Verder blijkt uit de schriftelijke instemmingsverklaring van 24 december 2024 dat de onafhankelijke gedragswetenschapper instemt met het verzoek. Daarbij benadrukt de kinderrechter dat de gekwalificeerde gedragswetenschapper een volledige heropname bij [zorginstelling 2] gelet op het werk en de opleiding van [minderjarige] contra-geïndiceerd acht. Uitgangspunt is dat [minderjarige] een plek heeft waar hij een time-out kan nemen op het moment dat de spanningen in de thuissituatie oplopen.
Dictum
De kinderrechter:
Inzake JE RK 24-1968:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot aan zijn meerderjarigheid, te weten met ingang van 12 januari 2025 en tot [datum] 2025;
6.2.
wijst het meer of anders verzochte af;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Inzake JE RK 24-2298:
6.4.
verleent een voorwaardelijke machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van met ingang van 9 januari 2025 en tot 9 april 2025, of zoveel eerder [minderjarige] een zelfstandige woonplek heeft, onder de in rechtsoverweging 5.12 genoemde voorwaarden;
6.5.
wijst het meer of ander verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025 door mr. M. Voorn, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.S.E. van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 7 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.