Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:696
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,549 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3341
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , belanghebbende
(gemachtigde: drs. [gemachtigde] ),
en
de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 3 mei 2023.
1.1.
De ontvanger heeft middels een voor bezwaar vatbare beschikking (de intrekkingsbeschikking) besloten tot intrekking van uitstel van betaling voor een conserverende aanslag die opgelegd was aan belanghebbende.
1.2.
De ontvanger heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De ontvanger heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Daarna hebben zowel de ontvanger als belanghebbende nadere stukken ingediend, die in afschrift naar de andere partij zijn doorgestuurd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van belanghebbende en namens de ontvanger [naam 1] , mr. [naam 2] , mr. [naam 3] , mr. [naam 4] en mr. [naam 5] . Op deze zitting is gelijktijdig, maar niet gevoegd, de zaak ten aanzien van de erven [naam 6] met nummer 23/3340 behandeld.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het op 29 oktober 2019 verleende uitstel van betaling ten onrechte is ingetrokken middels de intrekkingsbeschikking. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbenden.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de ontvanger het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Dit betekent dat de ontvanger het bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard, maar ook dat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of het verleende uitstel van betaling ten onrechte is ingetrokken. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende is in 2015 naar Malta geëmigreerd.
3.1.
Op 25 oktober 2019 legt de inspecteur een conserverende aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 (IB/PVV) op aan belanghebbende in verband met de emigratie naar Malta. De conserverende aanslag heeft betrekking op een resultaat uit aanmerkelijk belang dat op het moment van dagtekening nog niet was gerealiseerd.
3.2.
Op 29 oktober 2019 verleent de ontvanger uitstel van betaling ten aanzien van de conserverende aanslag.
3.3.
Op 12 mei 2021 vervreemdt belanghebbende de aandelen die tot op dat moment kwalificeerden als een aanmerkelijk belang.
3.4.
Op 12 oktober 2022 trekt de ontvanger het verleende uitstel van betaling in middels een intrekkingsbeschikking.
3.5.
Op 24 oktober 2022 voldoet belanghebbende het te betalen bedrag van de conserverende aanslag.
3.6.
Op 15 november 2022 maakt belanghebbende bezwaar tegen de intrekkingsbeschikking. Zoals vermeld onder 1.2, wordt dit bezwaar op 3 mei 2023 ongegrond verklaard.
Motivering
4. Belanghebbende stelt dat zij recht heeft op het voortduren van het verleende uitstel van betaling en dat de intrekking van dit uitstel ten onrechte is geweest. De ontvanger stelt dat de betaling van de conserverende aanslag met zich meebrengt dat de aanslag en de daaruit volgende vordering door de betaling definitief teniet zijn gegaan. De ontvanger stelt daarom dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.
4.1.
De rechtbank constateert dat belanghebbende de conserverende aanslag al heeft betaald voordat zij bezwaar maakte tegen de intrekkingsbeschikking. De vordering die de ontvanger had op basis van die conserverende aanslag is daarmee voldaan. De door belanghebbende bepleitte vernietiging van de intrekkingsbeschikking om uitstel van betaling te behouden is daarmee zinloos, nu de betaling feitelijk niet meer uitgesteld kan worden.
4.2.
Het door belanghebbende gemaakte bezwaar kon haar daarmee niet in een betere positie brengen, omdat de vastgestelde belastingschuld al was voldaan. De ontvanger had het bezwaar daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren.
4.3.
Voor zover belanghebbende stelt dat onverschuldigd is betaald, kan deze stelling haar niet baten. De bestuursrechter kan slechts uitspraak doen ten aanzien van het bestreden besluit, in dit geval de intrekkingsbeschikking. Aangezien de intrekkingsbeschikking slechts ziet op de intrekking van het verleende uitstel van betaling, kan de rechtbank alleen daarover oordelen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.P.A. Brakeboer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van de Langerijt-Suurmeijer, griffier, op 10 februari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.