Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-10-17
ECLI:NL:RBZWB:2025:6957
Strafrecht
Op tegenspraak
6,133 tokens
Inleiding
Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Parketnummers: 02-171426-24, 02-268772-24 (ttz gev.) en 02-183220-25 (ttz gev.)
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 oktober 2025
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]
,
raadsvrouw mr. V.C. Serrarens, advocaat te Middelburg.
1Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 oktober 2025, waarbij de officier van justitie mr. L. van Hemert en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging in de zaak met parketnummer 02-268772-24 is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.
De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
parketnummer 02-171426-24
feit 1: op 19 mei 2024 een verkeersongeval heeft veroorzaakt waardoor anderen (zwaar) lichamelijk letsel hebben opgelopen dan wel dat hij gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt;
feit 2: op 19 mei 2024 een voertuig heeft bestuurd terwijl hij onder invloed van cannabis verkeerde;
parketnummer 02-268772-24
feit 1: op 16 augustus 2024 gevaar en/of hinder op de weg heeft veroorzaakt;
feit 2: op 16 augustus 2024 een motorfiets heeft bestuurd terwijl hij geen geldig rijbewijs had;
parketnummer 02-183220-25
op 18 juli 2024 te [plaats] een snorfiets heeft bestuurd met een ingevorderd rijbewijs.
3De voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Voor wat betreft het eerste feit onder de zaak met parketnummer 02-171426-24 gaat de officier van justitie uit van het primair ten laste gelegde feit, te weten dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (WVW). Het getoonde verkeersgedrag door verdachte kan tevens worden aangemerkt als een overtreding van artikel 5a WVW. Daarmee is sprake van de zwaarste vorm van schuld te weten roekeloosheid.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank.
4.3.
Beoordeling
4.3.1.
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
02-171426-24, feit 1
Vaststelling van de feiten
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat op 19 mei 2024 op de A58 (te Oost-Souburg) een eenzijdig verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte was op dat moment de bestuurder van een Citroën Cactus met het [kenteken] . Als bijrijders bevonden zich in het voertuig [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Ten tijde van het verkeersongeval, omstreeks 04.42 uur, was het mistig en was het wegdek nat. Verdachte is op enig moment met zijn voertuig van de weg geraakt en in de middenberm beland. Hierdoor is het voertuig een aantal keren over de kop geslagen alvorens het tot stilstand kwam. Door het ongeval hebben beide bijrijders letsel opgelopen.
Naar aanleiding van het verkeersongeval is er onderzoek verricht naar de telefoon van verdachte. Uit de aangetroffen GPS-posities volgt dat verdachte over een afstand van 27,65 kilometer gemiddeld 143 km/uur heeft gereden waar 120 km/uur was toegestaan. Uit een filmpje dat één van de bijrijders tijdens de autorit heeft gemaakt, volgt dat verdachte kort voor het ongeluk nog harder heeft gereden. Een van de bijrijders heeft verder verklaard dat het erop leek dat verdachte in slaap viel tijdens het rijden en ook verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij moe was en hoogstwaarschijnlijk weg viel op het moment van het ongeluk. Na het verkeersongeval is er een speekseltest afgenomen bij verdachte en testte hij positief op cannabis. Uit het daaropvolgende bloedonderzoek is gebleken dat zijn bloed 6,1 microgram THC per liter bevatte, met een grenswaarde van 3 microgram THC per liter.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW wettig en overtuigend bewezen kan worden. Beoordeeld moet worden of verdachte door zijn gedragingen schuld heeft aan het verkeersongeval. Het komt hierbij aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van minimaal een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. De rechtbank overweegt daarover als volgt.
Kijkend naar de vastgestelde gedragingen (voertuig niet onder controle houden), de verkeersschendingen (snelheidsovertreding) en de ernst daarvan, en de overige omstandigheden (het was mistig, het wegdek was nat, verdachte was beginnend bestuurder, was onder invloed van cannabis en vermoeid) is de rechtbank van oordeel dat het gedrag van verdachte is aan te merken als zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval als bedoeld in artikel 6 WVW.
Letsel
Door het verkeersongeval hebben beide inzittenden lichamelijk letsel opgelopen. Het letsel van [slachtoffer 1] kwalificeert de rechtbank als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 6 WVW, bestaande uit een fractuur in het bovenbeen, meerdere fracturen in het bekken en fracturen in de onderste ruggenwervels. De rechtbank kwalificeert het letsel van [slachtoffer 2] bestaande uit kneuzingen, een lichte hersenschudding en buikklachten, gelet op de aard en de gevolgen daarvan, als zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan in de zin van artikel 6 WVW.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
02-171426-24 feit 2, 02-268772-24 & 02-183220-25
Gelet op de bewijsmiddelen in het dossier, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, en het feit dat ter zake van deze feiten geen verweer is gevoerd door de verdediging acht de rechtbank voornoemde feiten wettig en overtuigend bewezen.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
02-171426-24
t.a.v. feit 1 primair
op 19 mei 2024 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, A58 zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,- terwijl verdachte beginnend bestuurder was en terwijl verdachte verkeerde onder invloed van cannabis -- met een hogere snelheid te rijden dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 120 km per uur, te weten ongeveer 143 km per uur, en - niet de nodige voorzichtigheid in acht te nemen en niet voortdurend het door hem bestuurde voertuig onder controle te houden, waardoor hij van de rijbaan is geraakt en in de middenberm terecht is gekomen, tegen de vangrail is gebotst en vervolgens meermalen, over de kop is geslagen, waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, te weten- [slachtoffer 2] : hersenschudding, kneuzing van de lage rug en onderbeen rechts- [slachtoffer 1] : diverse fracturen, te weten bovenbeen, bekken en onderste ruggenwervels, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;
t.a.v. feit 2
op 19 mei 2024 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten Cannabis (6,1 microgram THC per liter), waarvan hij redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
02-268772-24
t.a.v. feit 1
op 16 augustus 2024, in de gemeente Middelburg als bestuurder van een voertuig (motorfiets), daarmee rijdende op de wegen, de Schroeweg en de Statenlaan, - terwijl verdachte beginnend bestuurder was - met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 50 km per uur en niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen, en op de kruising bij het naar rechts afslaan (van de Schroeweg naar de Statenlaan) het in zijn richting uitstralend rood verkeerslicht heeft genegeerd, door welke gedragingen van verdachte gevaar op die wegen werd veroorzaakt
t.a.v. feit 2
op 16 augustus 2024 te Middelburg als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets) heeft gereden op de weg, de Statenlaan, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde
02-183220-25
op 18 juli 2024 te [plaats] als degene van wie ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 de overgifte van een op zijn naam gesteld rijbewijs van een hem door het daartoe bevoegde gezag in Nederland was gevorderd en als degene van wie het vorenomschreven rijbewijs was ingevorderd en aan wie dat bewijs niet was teruggegeven, op de weg, Wagenaarstraat, een motorrijtuig, (snorfiets), van de categorie, waarvoor dat rijbewijs was afgegeven, heeft bestuurd;
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert ten aanzien van de twee feiten die betrekking hebben op het verkeersongeval op 19 mei 2024 (02-171426-24) en het op 18 juli 2024 rijden op een snorfiets met een ingevorderd rijbewijs (02-183220-25) aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden. Voor de twee feiten die betrekking hebben op het verkeersongeval op 19 mei 2024 (02-171426-24) en het veroorzaken van gevaar op de weg op 16 augustus 2024 (feit 1 van 02-268772-24) vordert zij (daarnaast) een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd dat verdachte het rijbewijs al heeft ingeleverd. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van de feiten, de strafmaatrichtlijnen van het openbaar ministerie en de persoon van verdachte. Voor het op 16 augustus 2024 rijden zonder geldig rijbewijs (feit 2 van 02-268772-24) vordert de officier van justitie aan verdachte op te leggen een geldboete ter hoogte van € 480,00.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt rekening te houden met de persoon van verdachte en aan hem op te leggen een taakstraf voor de duur van 140 uren en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd dat verdachte het rijbewijs al heeft ingeleverd. Een gevangenisstraf is gelet op zijn persoonlijke omstandigheden niet passend.
6.3.
Beoordeling
Verdachte heeft zich in de periode van mei 2024 tot en met augustus 2024 schuldig gemaakt aan diverse strafbare verkeersfeiten. Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen onverantwoorde risico’s voor zichzelf genomen, maar ook voor de inzittenden van de door hem bestuurde personenauto en de overige weggebruikers. Dat deze risico’s zich hebben geopenbaard blijkt wel uit de twee verkeersongevallen die verdachte heeft veroorzaakt en waarbij hijzelf en anderen gewond raakten. Verdachte heeft zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van andere weggebruikers volstrekt onvoldoende in acht genomen. De rechtbank acht het zorgelijk dat verdachte geen boodschap lijkt te hebben gehad aan de verkeersregels en rekent hem dat zwaar aan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 17 september 2025. In het nadeel van verdachte neemt de rechtbank mee dat hij eerder een strafbeschikking heeft ontvangen voor het rijden zonder rijbewijs. Het is dus niet de eerste keer dat verdachte in aanraking is gekomen met politie en justitie in verband met overtreding van de wegenverkeerswetgeving. Ook dit acht de rechtbank zorgelijk.
Voor het bepalen van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting (LOVS). Gelet op de ernst van de feiten en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, is oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel gerechtvaardigd. Omdat de rechtbank een lagere mate van schuld bewezen verklaart dan door de officier van justitie is gevorderd, ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie. De rechtbank houdt verder rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte en het feit dat hij zijn leven na deze verkeersfeiten positief heeft veranderd. Verdachte heeft ter zitting verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag en is zich bewust van de gevolgen die hij door zijn handelen heeft veroorzaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat een gevangenisstraf, ondanks de ernst van de feiten, in dit geval niet passend is. Verder houdt de rechtbank rekening met het feit dat er sprake is van eendaadse samenloop. Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uur te vervangen door 120 dagen hechtenis, passend en geboden.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een langdurige ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen passend en geboden is. Met deze ontzegging wordt beoogd verdachte ervan te doordringen voortaan in het verkeer de vereiste voorzichtigheid en oplettendheid te betrachten. De rechtbank legt aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid op voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest. De rechtbank zal daarvan een deel, te weten zes maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar, om verdachte ervan te weerhouden zich nogmaals te misdragen in het verkeer.
Nu de feiten onder parketnummer 02-268772-24 overtredingen betreffen, zal de rechtbank daarvoor een aparte straf moeten opleggen. Zij acht voor het veroorzaken van gevaar op de weg op 16 augustus 2024 (feit 1) een geldboete ter hoogte van € 750,00 passend en geboden. Voor het op 16 augustus 2024 rijden zonder geldig rijbewijs (feit 2) acht de rechtbank een geldboete ter hoogte van € 480,00 passend en geboden.
7De wettelijke voorschriften
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
02-171426-24
de eendaadse samenloop van:
feit 1 primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht,
terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van deze wet
feit 2: overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
02-268772-24
de eendaadse samenloop van:
feit 1: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994
en
feit 2: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994
02-183220-25
feit 1: overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
t.a.v. 02-171426-24 feit 1 en 2 en 02-183220-25
- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen;
Bijkomende straffen
- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 30 (dertig) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd in mindering wordt gebracht op de rijontzegging;
t.a.v. 02-268772-24, feit 1
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 750,00;
- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 dagen;
t.a.v. 02-268772-24, feit 2
- veroordeelt verdachte tot betaling van een geldboete van € 480,00;
- beveelt dat bij niet betaling van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 9 dagen;
Dit vonnis is gewezen door mr. H. Skalonjic, voorzitter, mr. J.F.C. Janssen en mr. J.B. Polak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken ter de openbare zitting op 17 oktober 2025.
Mr. Janssen is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
t.a.v. 02-171426-24
1
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),
daarmede rijdende over de weg, A58 zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn
schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval
zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
- terwijl verdachte beginnend bestuurder was en/of
terwijl verdachte verkeerde onder invloed van cannabis -
- met een hogere snelheid te rijden dan de aldaar toegestane maximum snelheid
van 120 km per uur, te weten ongeveer 143 km per uur, in elk geval met een (veel)
hogere snelheid te rijden dan ter plaatse verantwoord was en/of
- niet de nodige voorzichtigheid in acht te nemen en/of niet voortdurend het door
hem bestuurde voertuig onder controle te houden,
waardoor hij van de rijbaan is geraakt en in de middenberm terecht is gekomen,
tegen de vangrail is gebotst en vervolgens meermalen, althans eenmaal over de kop
is geslagen,
waardoor (een) ander(en) (genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] ) zwaar
lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit
tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is
ontstaan, te weten
- [slachtoffer 2] : hersenschudding, kneuzing van de lage rug en onderbeen rechts
- [slachtoffer 1] : diverse fracturen, te weten bovenbeen, bekken en onderste
ruggenwervels,
terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van
de Wegenverkeerswet 1994;
(art 6 Wegenverkeerswet 1994)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen als
bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, A58, -
terwijl verdachte beginnend bestuurder was en/of terwijl verdachte verkeerde
onder invloed van cannabis - met een hogere snelheid dan de aldaar toegestane
maximum snelheid van 120 km per uur, te weten ongeveer 143 km per uur, in elk
geval met een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse verantwoord was heeft gereden
en/of niet de nodige voorzichtigheid in acht heeft genomen en/of niet voortdurend
het door hem bestuurde voertuig onder controle heeft gehouden,
waardoor hij van de rijbaan is geraakt en in de middenberm terecht is gekomen,
tegen de vangrail is gebotst en vervolgens meermalen, althans eenmaal over de kop
is geslagen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd
veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd
gehinderd, althans kon worden gehinderd;
(art 5 Wegenverkeerswet 1994)
2
hij op of omstreeks 19 mei 2024 te Oost-Souburg, gemeente Vlissingen als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij
verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten Cannabis (6,1 microgram
THC per liter), waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik
daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de
rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest
worden geacht;
(art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994)
t.a.v.