Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-08-27
ECLI:NL:RBZWB:2025:6784
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
16,048 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11562985 CV EXPL 25-748
vonnis van de kantonrechter van 27 augustus 2025
in de zaak van
1 [erfgenaam 1] ,
2. [erfgenaam 2] ,
beiden erfgenaam van en handelend ten behoeve van de nalatenschap van [erflater 1] en [erflater 2] (verder: Erflaters),
beiden wonende te [plaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en verwerende partij in het incident,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [erfgenamen] (in vrouwelijk enkelvoud) en Dexia genoemd.
1Kern van de zaak
1.1.
Erflaters hebben via een tussenpersoon een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. Erflaters leenden geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. Erflaters betaalden met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moesten Erflaters het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat Erflaters verlies hebben geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door Erflaters geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door Erflaters geleden schade helemaal moet vergoeden.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 19 februari 2025;
de incidentele vordering ex artikel 195 Rv, tevens houdende een conclusie van antwoord in de hoofdzaak in conventie en in het incident en een eis in reconventie in de hoofdzaak;
de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie in de hoofdzaak;
de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie in de hoofdzaak;
de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties in conventie in de hoofdzaak.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.
3
Feiten
3.1.
Erflaters hebben de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop zij als lessee stonden vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[contractnummer]
19-8-2002
Capital Effect
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
31-7-2008
€ 0,00
NVT
3.3.
Volgens opgave van Dexia hebben Erflaters op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 30.542,01 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave hebben Erflaters € 7.870,22 aan dividenden ontvangen en € 2.399,48 aan fiscaal voordeel genoten. Dexia heeft € 1.598,55 aan dividenden verrekend.
3.4.
De gemachtigde van Erflaters, Leaseproces, heeft bij brief van 6 juni 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
3.5.
[erflater 1] is op [datum 1] 2003 overleden. [erflater 2] is op [datum 2] 2008 overleden. Zij waren elkaars echtgenoten. [erfgenamen] is hun erfgenaam.
4De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in de incidenten
4.1.
[erfgenamen] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
Dexia ex artikel 843a zal veroordelen het aanvraagformulier aan [erfgenamen] te verstrekken,
- in de hoofdzaak:
voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [erfgenamen] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
voor recht zal verklaren dat [erfgenamen] schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [erfgenamen] van al datgene dat Erflaters aan Dexia hebben betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [erfgenamen] met rente,
Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een (deels voorwaardelijke) tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
[erfgenamen] ex artikel 194 Rv zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, waar de door Leaseproces namens [erfgenamen] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [erfgenamen] verschuldigd is,
[erfgenamen] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
Procesverloop
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
Erflaters heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
er is voldoende causaal verband aanezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
tussenpersoon
5.4.
Erflaters heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon De Pensionaris (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.5.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon Erflaters heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon Erflaters, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [erfgenamen] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [erfgenamen] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door Erflaters in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.6.
[erfgenamen] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: “(…) Contractanten kwamen in contact met De Pensionaris. Vervolgens is er een afspraak gemaakt voor een huisbezoek met een financieel adviseur van De Pensionaris om de financiële situatie van contractanten door te nemen. (…) Tijdens het gesprek heeft de adviseur van De Pensionaris geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van contractanten. Zo is met de adviseur gesproken over de koopwoning en de bestaande hypothecaire lening van contractanten. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van contractanten om hun woning te verbouwen en om de maandlasten laag te houden. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikte constructie voor wist. (…) De adviseur adviseerde contractanten om de overwaarde op de woning te benutten door een extra hypothecaire lening af te sluiten voor de verbouwing van de woning. Om deze hypothecaire lening na 5 jaar af te kunnen lossen adviseerde de adviseur om een Capital Effect overeenkomst bij Bank Labouchere af te sluiten. De inleg in deze overeenkomst zou meegefinancierd kunnen worden in de hypotheekopname. Volgens de adviseur zouden contractanten op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor contractanten hun woning konden verbouwen en de maandlasten laag bleven. Hij zou één en ander op papier gaan zetten. (…) De adviseur heeft vervolgens een financieel plan opgesteld (…), waarin specifiek het Capital Effect product aan contractanten werd aangeraden. In dit financieel plan heeft de adviseur toegelicht en op papier gezet op welke wijze kon worden bereikt dat de hypotheek werd verhoogd, maar de maandlasten laag zouden blijven. De adviseur adviseerde contractanten om een extra hypotheek op te nemen van € 47.647,-. Een bedrag van € 27.718,- kon vervolgens worden aangewend voor de vooruitbetaling van het Capital Effect product. Het overige deel was bestemd voor de verbouwingskosten, als buffer voor de hypotheekrente en voor de hypotheekkosten. Volgens het financieel plan zou het Capital Effect product na vijf jaar genoeg op leveren om de extra opgenomen hypotheek af te kunnen lossen. Daarnaast zouden contractanten tussendoor ook voordelen genieten, door dividenden uit het Capital Effect en fiscale voordelen van de constructie. Tezamen met de buffer voor de hypotheekrente van de extra hypotheek zou dit ervoor zorgen dat de maandlasten van contractanten slechts € 27,20 omhoog zouden gaan. (…) Contractanten hadden geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden hebben contractanten het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor het Capital Effect is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. Er is een tweede hypotheek bij de Postbank afgesloten en er is NLG 27.637,80 aan inleg betaald voor de Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere. (…) De adviseur heeft contractanten niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als contractanten op deze risico’s gewezen waren hadden zij het Capital Effect nooit afgesloten. (…)”.
5.7.
[erfgenamen] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een hypotheekvoorstel van 8 juli 2002, waarin een voorstel wordt gedaan het afgesloten product af te sluiten en hoe dit in te richten,
- een kopie van de overeenkomst van 19 augustus 2002 met contractnummer [contractnummer], voorzien van de tekst: [adviseursnummer],
- een hypotheekakte van 26 augustus 2002 op naam van Erflaters ten behoeve van Postbank N.V. voor een lening van € 47.647,00,- een kopie van een uittreksel van de KvK van De Pensionaris B.V.
Dictum
De kantonrechter
in het incident van [erfgenamen]
6.1.
wijst de vordering af,
6.2.
compenseert de proceskosten,
in het incident van Dexia
6.3.
wijst de vordering af,
6.4.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [erfgenamen] , tot op heden begroot op € 82,00,
in de hoofdzaak
in conventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens Erflaters heeft gehandeld door Erflaters als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Erflaters niet alleen als klant aanbracht maar Erflaters tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.6.
verklaart voor recht dat Erflaters schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.7.
verklaart voor recht dat [erfgenamen] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,
6.8.
veroordeelt Dexia om aan [erfgenamen] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.15.,
6.9.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 911,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.10.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.12.
wijst de vorderingen af,
6.13.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [erfgenamen] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
in de hoofdzaak en de incidenten
6.14.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mr. Rouwen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11562985 CV EXPL 25-748
vonnis van de kantonrechter van 27 augustus 2025
in de zaak van
1 [erfgenaam 1] ,
2. [erfgenaam 2] ,
beiden erfgenaam van en handelend ten behoeve van de nalatenschap van [erflater 1] en [erflater 2] (verder: Erflaters),
beiden wonende te [plaats] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak en in het incident,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap Dexia Nederland B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak en verwerende partij in het incident,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna [erfgenamen] (in vrouwelijk enkelvoud) en Dexia genoemd.
1Kern van de zaak
1.1.
Erflaters hebben via een tussenpersoon een effectenleaseovereenkomst gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. Erflaters leenden geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. Erflaters betaalden met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moesten Erflaters het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat Erflaters verlies hebben geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door Erflaters geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door Erflaters geleden schade helemaal moet vergoeden.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 19 februari 2025;
de incidentele vordering ex artikel 195 Rv, tevens houdende een conclusie van antwoord in de hoofdzaak in conventie en in het incident en een eis in reconventie in de hoofdzaak;
de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie in de hoofdzaak;
de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie in de hoofdzaak;
de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties in conventie in de hoofdzaak.
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.
3
Feiten
3.1.
Erflaters hebben de volgende leaseovereenkomst (verder: de overeenkomst) ondertekend waarop zij als lessee stonden vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[contractnummer]
19-8-2002
Capital Effect
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
31-7-2008
€ 0,00
NVT
3.3.
Volgens opgave van Dexia hebben Erflaters op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 30.542,01 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave hebben Erflaters € 7.870,22 aan dividenden ontvangen en € 2.399,48 aan fiscaal voordeel genoten. Dexia heeft € 1.598,55 aan dividenden verrekend.
3.4.
De gemachtigde van Erflaters, Leaseproces, heeft bij brief van 6 juni 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.
3.5.
[erflater 1] is op [datum 1] 2003 overleden. [erflater 2] is op [datum 2] 2008 overleden. Zij waren elkaars echtgenoten. [erfgenamen] is hun erfgenaam.
4De vordering en het verweer in de hoofdzaak en in de incidenten
4.1.
[erfgenamen] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
Dexia ex artikel 843a zal veroordelen het aanvraagformulier aan [erfgenamen] te verstrekken,
- in de hoofdzaak:
voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [erfgenamen] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
voor recht zal verklaren dat [erfgenamen] schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [erfgenamen] van al datgene dat Erflaters aan Dexia hebben betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [erfgenamen] met rente,
Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten met rente.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een (deels voorwaardelijke) tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- in het incident:
[erfgenamen] ex artikel 194 Rv zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, waar de door Leaseproces namens [erfgenamen] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
voor recht zal verklaren dat Dexia niets meer aan [erfgenamen] verschuldigd is,
[erfgenamen] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
Procesverloop
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
Erflaters heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
er is voldoende causaal verband aanezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
tussenpersoon
5.4.
Erflaters heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon De Pensionaris (verder: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. Dexia stelt dat het gegeven beleggingsadvies naar het destijds geldende Europese recht niet vergunningplichtig was. In het vonnis van de rechtbank Overijssel van 22 juni 2021 (ECLI:NL:RBOVE:2021:2548), dat heeft geleid tot de hiervoor genoemde prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 10 juni 2022, heeft de rechtbank toegelicht, onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 oktober 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:8462), dat en waarom geen sprake is van strijd met het toepasselijke Europese recht. Er is geen reden om thans anders te oordelen. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.5.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon Erflaters heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon Erflaters, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [erfgenamen] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [erfgenamen] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door Erflaters in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.6.
[erfgenamen] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende: “(…) Contractanten kwamen in contact met De Pensionaris. Vervolgens is er een afspraak gemaakt voor een huisbezoek met een financieel adviseur van De Pensionaris om de financiële situatie van contractanten door te nemen. (…) Tijdens het gesprek heeft de adviseur van De Pensionaris geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van contractanten. Zo is met de adviseur gesproken over de koopwoning en de bestaande hypothecaire lening van contractanten. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van contractanten om hun woning te verbouwen en om de maandlasten laag te houden. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikte constructie voor wist. (…) De adviseur adviseerde contractanten om de overwaarde op de woning te benutten door een extra hypothecaire lening af te sluiten voor de verbouwing van de woning. Om deze hypothecaire lening na 5 jaar af te kunnen lossen adviseerde de adviseur om een Capital Effect overeenkomst bij Bank Labouchere af te sluiten. De inleg in deze overeenkomst zou meegefinancierd kunnen worden in de hypotheekopname. Volgens de adviseur zouden contractanten op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor contractanten hun woning konden verbouwen en de maandlasten laag bleven. Hij zou één en ander op papier gaan zetten. (…) De adviseur heeft vervolgens een financieel plan opgesteld (…), waarin specifiek het Capital Effect product aan contractanten werd aangeraden. In dit financieel plan heeft de adviseur toegelicht en op papier gezet op welke wijze kon worden bereikt dat de hypotheek werd verhoogd, maar de maandlasten laag zouden blijven. De adviseur adviseerde contractanten om een extra hypotheek op te nemen van € 47.647,-. Een bedrag van € 27.718,- kon vervolgens worden aangewend voor de vooruitbetaling van het Capital Effect product. Het overige deel was bestemd voor de verbouwingskosten, als buffer voor de hypotheekrente en voor de hypotheekkosten. Volgens het financieel plan zou het Capital Effect product na vijf jaar genoeg op leveren om de extra opgenomen hypotheek af te kunnen lossen. Daarnaast zouden contractanten tussendoor ook voordelen genieten, door dividenden uit het Capital Effect en fiscale voordelen van de constructie. Tezamen met de buffer voor de hypotheekrente van de extra hypotheek zou dit ervoor zorgen dat de maandlasten van contractanten slechts € 27,20 omhoog zouden gaan. (…) Contractanten hadden geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden hebben contractanten het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor het Capital Effect is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend. Er is een tweede hypotheek bij de Postbank afgesloten en er is NLG 27.637,80 aan inleg betaald voor de Capital Effect overeenkomst van Bank Labouchere. (…) De adviseur heeft contractanten niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan, de hypotheek niet kon worden afgelost en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als contractanten op deze risico’s gewezen waren hadden zij het Capital Effect nooit afgesloten. (…)”.
5.7.
[erfgenamen] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:- een hypotheekvoorstel van 8 juli 2002, waarin een voorstel wordt gedaan het afgesloten product af te sluiten en hoe dit in te richten,
- een kopie van de overeenkomst van 19 augustus 2002 met contractnummer [contractnummer], voorzien van de tekst: [adviseursnummer],
- een hypotheekakte van 26 augustus 2002 op naam van Erflaters ten behoeve van Postbank N.V. voor een lening van € 47.647,00,- een kopie van een uittreksel van de KvK van De Pensionaris B.V.
Dictum
De kantonrechter
in het incident van [erfgenamen]
6.1.
wijst de vordering af,
6.2.
compenseert de proceskosten,
in het incident van Dexia
6.3.
wijst de vordering af,
6.4.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [erfgenamen] , tot op heden begroot op € 82,00,
in de hoofdzaak
in conventie
6.5.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens Erflaters heeft gehandeld door Erflaters als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Erflaters niet alleen als klant aanbracht maar Erflaters tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.6.
verklaart voor recht dat Erflaters schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.7.
verklaart voor recht dat [erfgenamen] de door Dexia gevorderde restschuld niet verschuldigd is,
6.8.
veroordeelt Dexia om aan [erfgenamen] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.15.,
6.9.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 911,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.10.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.11.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.12.
wijst de vorderingen af,
6.13.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [erfgenamen] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
in de hoofdzaak en de incidenten
6.14.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Aldus gewezen door mr. Rouwen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.
Procesverloop
met als beschrijving van de werkzaamheden ‘het adviseren op het gebied van pensioenen en het bemiddelen bij het tot stand komen van pensioenregelingen en andere (personeels)voorzieningen.’.
aanhoudingsverzoek
5.8.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.9.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.10.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.11.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [erfgenamen] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft [erfgenamen] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [erfgenamen] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [erfgenamen] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [erfgenamen] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen Erflaters en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals Erflaters en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.12.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan Erflaters. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met Erflaters kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot Erflaters voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia
5.13. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met Erflaters de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens Erflaters onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan Erflaters omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [erfgenamen]
5.14. De door [erfgenamen] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens Erflaters heeft gehandeld door Erflaters als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Erflaters niet alleen als klant aanbracht maar Erflaters tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.15.
De als gevolg hiervan door Erflaters geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [erfgenamen] niet is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910).
Procesverloop
met als beschrijving van de werkzaamheden ‘het adviseren op het gebied van pensioenen en het bemiddelen bij het tot stand komen van pensioenregelingen en andere (personeels)voorzieningen.’.
aanhoudingsverzoek
5.8.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.9.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.10.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.11.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [erfgenamen] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in haar geval heeft [erfgenamen] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [erfgenamen] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [erfgenamen] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [erfgenamen] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen Erflaters en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals Erflaters en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia
5.12.
In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan Erflaters. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met Erflaters kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot Erflaters voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia
5.13. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met Erflaters de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens Erflaters onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan Erflaters omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [erfgenamen]
5.14. De door [erfgenamen] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens Erflaters heeft gehandeld door Erflaters als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon Erflaters niet alleen als klant aanbracht maar Erflaters tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.15.
De als gevolg hiervan door Erflaters geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [erfgenamen] niet is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910).
Procesverloop
De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
5.16.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.17.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [erfgenamen] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
de incidentele vordering [erfgenamen]
5.18.
vordert Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier. Uit het voorgaande volgt dat [erfgenamen] in het gelijk zal worden gesteld. Zij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat de vordering zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd.
de incidentele vordering van Dexia
5.19.
Dexia vordert dat [erfgenamen] wordt veroordeeld het intakeformulier van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken. Een zogenoemde “exhibitievordering” komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking als is voldaan aan de volgende uit artikel 194 Rv. voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:
- degene die de vordering instelt, dient een rechtmatig belang te hebben,
- het moet gaan om bepaalde bescheiden/gegevens,
- aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.
5.20.
Daargelaten de vraag of aan deze vereisten is voldaan, oordeelt de kantonrechter dat op grond van het tweede lid van 194 Rv geen inzage van het intakeformulier verlangd kan worden. In het tweede lid van artikel 194 Rv is, kortgezegd, bepaald dat beoefenaren van vertrouwensberoepen ter zake van hetgeen hen in hun hoedanigheid is toevertrouwd niet gehouden zijn om aan de exhibitievordering te voldoen. In beginsel betreft dit alle met de beroepsbeoefenaar gewisselde stukken en is het aan de beroepsbeoefenaar om te bepalen of die informatie hem in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd. Er is dus bij hoge uitzondering ruimte om van de beroepsbeoefenaar te verlangen dat hij zich niet op zijn verschoningsrecht beroept. Ook van [erfgenamen] als cliënt(e) van de beroepsbeoefenaar kan (ervan uitgaande dat [erfgenamen] , althans haar gemachtigde, in het bezit is van het intakeformulier) geen inzage worden verlangd omdat gewichtige redenen als bedoeld in het tweede lid van 194 Rv, zich daartegen verzetten. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens destijds aan Leaseproces zijn verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens, via een toegewezen exhibitievordering, bij de wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Al met al oordeelt de kantonrechter dat de incidentele vordering van Dexia moet worden afgewezen.
5.21.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [erfgenamen] worden begroot op € 82,00.
vorderingen Dexia
5.22.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.23.
Omdat [erfgenamen] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [erfgenamen] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [erfgenamen] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 542,00 (2,0 x tarief € 271,00)
- nakosten € 135,00
Totaal € 911,47.
5.24.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.
Procesverloop
De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
5.16.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.17.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [erfgenamen] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
de incidentele vordering [erfgenamen]
5.18.
vordert Dexia op te dragen om een afschrift te verstrekken van het aanvraagformulier. Uit het voorgaande volgt dat [erfgenamen] in het gelijk zal worden gesteld. Zij heeft dan ook geen belang meer bij deze stukken in deze procedure, zodat de vordering zal worden afgewezen. De proceskosten zullen worden gecompenseerd.
de incidentele vordering van Dexia
5.19.
Dexia vordert dat [erfgenamen] wordt veroordeeld het intakeformulier van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken. Een zogenoemde “exhibitievordering” komt in beginsel voor toewijzing in aanmerking als is voldaan aan de volgende uit artikel 194 Rv. voortvloeiende, cumulatieve voorwaarden:
- degene die de vordering instelt, dient een rechtmatig belang te hebben,
- het moet gaan om bepaalde bescheiden/gegevens,
- aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.
5.20.
Daargelaten de vraag of aan deze vereisten is voldaan, oordeelt de kantonrechter dat op grond van het tweede lid van 194 Rv geen inzage van het intakeformulier verlangd kan worden. In het tweede lid van artikel 194 Rv is, kortgezegd, bepaald dat beoefenaren van vertrouwensberoepen ter zake van hetgeen hen in hun hoedanigheid is toevertrouwd niet gehouden zijn om aan de exhibitievordering te voldoen. In beginsel betreft dit alle met de beroepsbeoefenaar gewisselde stukken en is het aan de beroepsbeoefenaar om te bepalen of die informatie hem in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd. Er is dus bij hoge uitzondering ruimte om van de beroepsbeoefenaar te verlangen dat hij zich niet op zijn verschoningsrecht beroept. Ook van [erfgenamen] als cliënt(e) van de beroepsbeoefenaar kan (ervan uitgaande dat [erfgenamen] , althans haar gemachtigde, in het bezit is van het intakeformulier) geen inzage worden verlangd omdat gewichtige redenen als bedoeld in het tweede lid van 194 Rv, zich daartegen verzetten. Dexia wil kennelijk weten welke gegevens destijds aan Leaseproces zijn verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens, via een toegewezen exhibitievordering, bij de wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Al met al oordeelt de kantonrechter dat de incidentele vordering van Dexia moet worden afgewezen.
5.21.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [erfgenamen] worden begroot op € 82,00.
vorderingen Dexia
5.22.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.23.
Omdat [erfgenamen] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [erfgenamen] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [erfgenamen] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 542,00 (2,0 x tarief € 271,00)
- nakosten € 135,00
Totaal € 911,47.
5.24.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.