Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-07-09
ECLI:NL:RBZWB:2025:6738
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,215 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Breda
zaak/rolnr.: 10736834 CV EXPL 23-3333
vonnis d.d. 9 juli 2025
inzake
[eiser]
,
wonende te [plaats 1] aan het [adres 1],
eiser,
gemachtigde: mr. J. Wagenmakers, werkzaam ten kantore van De Rechtsagent B.V. te Spijkenisse,
tegen
[gedaagde] h.o.d.n. [bedrijf],
zaakdoende te [plaats 2] aan het [adres 2],
gedaagde,
procederend in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” en “[gedaagde]”.
1Het verloop van het geding
1.1
De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. het tussenvonnis in deze zaak van 27 maart 2024 met de daarin genoemde processtukken;
b. de akte van [eiser] van 10 april 2024 met één productie;
c. het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 8 augustus 2024;
d. de akte van [eiser] van 28 augustus 2024;
e. het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 20 januari 2025;
f. de conclusie na getuigenverhoor van [eiser] van 19 februari 2025 met één productie;
g. de conclusie na getuigenverhoor van [gedaagde] van 19 februari 2025;
h. de rolbeslissing van 19 maart 2025;
i. de akte van [eiser] van 24 maart 2025 met één productie;
j. de antwoordakte van [gedaagde] van 14 april 2025 met producties.
2.1
In de rolbeslissing van 19 maart 2025 is bepaald dat [eiser] productie 13A, het voicebericht uit Whatsapp, in het geding mag brengen. [gedaagde] is vervolgens in de gelegenheid gesteld daarop te reageren, waarbij hij geen eigen producties mocht overleggen. Bij zijn antwoordakte heeft [gedaagde], ondanks het voorgaande, wel producties overgelegd. De kantonrechter zal de antwoordakte van [gedaagde] van 14 april 2025 in de beoordeling dan ook alleen meegenomen voor zover hij daarin reageert op productie 13A van [eiser].
2De verdere beoordeling
2.1
In voornoemd tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat de vader van [gedaagde] hem telefonisch heeft medegedeeld dat [gedaagde] niet meer tot herstel van de auto zou overgaan.
2.2
[eiser] heeft ervoor gekozen mevrouw [naam 1], zijn partner, en de heer [naam 2], vader van [gedaagde], als getuigen te laten horen. Ook heeft hij een aantal aanvullende producties overgelegd.
2.2.1
Op 8 augustus 2024 is mevrouw [naam 1] gehoord als getuige. Zij heeft verklaard: “(…) Ik heb het telefoongesprek bijgewoond, wij reden samen in de auto. De auto stopte ermee en de ANWB kwam en heeft ons naar een pompstation gebracht. Bij het pompstation heeft mijn partner dit telefoongesprek gevoerd en de telefoon stond toen op luidspreker. Ik heb alles gehoord omdat de telefoon op luidspreker stond. Wij stonden samen buiten. Er waren geen andere personen bij op dat moment.
Ik heb niet deelgenomen aan dat telefoongesprek. Ik heb alleen geluisterd. Eerst belde mijn vriend naar [gedaagde], op het mobiele privé nummer, 2 of 3 keer maar [gedaagde] nam niet op. Daarna belde mijn vriend naar het vaste nummer van de zaak van [gedaagde]. Daar nam iemand op die niet goed Nederlands sprak. Toen heeft mijn vriend nog een keer naar het mobiele nummer van [gedaagde] gebeld, toen nam de vader van [gedaagde] op. De persoon aan de telefoon zei dat zijn zoon op vakantie was zonder zijn privé telefoon.
Dat gesprek met de vader van [gedaagde] ging makkelijk. Mijn vriend legde uit dat het de tweede keer was dat we deze situatie hadden dat we stil stonden op de snelweg. Mijn vriend heeft gezegd dat [gedaagde] ons maar moest komen ophalen en ook de auto. De man aan de andere kant van de telefoon zei dat we in [plaats 1] naar een garage moesten, hij zei zoek het maar uit, ik kan niks voor jou doen, dat is niet ons probleem.
Mijn vriend heeft gevraagd, wat bedoelt u, hoezo moet ik zelf naar een garage. Die man zei toen, dat is niet ons probleem, wij gaan niks voor jou doen. Mijn vriend zei toen, dan ga ik een advocaat regelen. De man zei, doe maar wat jij wilt. (…)”.
2.2.2
Op 20 januari 2025 is de heer [naam 3] gehoord als getuige. Hij heeft verklaard: “(…) Het klopt dat ik ongeveer 2 weken na de verkoop een telefoongesprek heb gevoerd met [eiser]. Hij belde en ik nam de telefoon aan. Hij zei dat er problemen waren met de auto. Ik heb toen gezegd: dat kan, maar mijn zoon is op vakantie, dus u kunt de auto hier brengen. Hij begon toen heel kwaad en hij zei oplichting en klootzak enzo. Ik heb toen gezegd dat hij niet kwaad moest worden en dat wij later de auto ook wel op konden halen. Hij reageerde nog steeds heel boos. Ik heb toen de telefoon opgehangen. Daarna heb ik niks meer van hem gehoord. Ik heb aan de telefoon wel gezegd dat mijn zoon op vakantie was, maar niet hoelang dat zou duren. Ik heb niet aan [eiser] gevraagd wat het probleem met de auto was. Hij was heel erg kwaad en daardoor begreep ik hem niet. Ik weet ook niet wat hij precies wilde of vroeg, hij was gewoon kwaad. Het gesprek duurde een paar minuten. (…)
Ik heb gezegd dat hij de auto kon brengen of dat wij hem later konden ophalen. Ik snap dat hij veel geld heeft betaald voor de auto en dan heeft hij ook recht op een goede auto. Als er een probleem is moeten we dat oplossen maar hij was echt heel kwaad. Ik weet niet precies waarom hij zo kwaad werd, hij was boos omdat hij zei dat de auto slecht was. U vraagt of ik heb gezegd: zoek het maar uit, los het zelf maar op. Nee ik heb dat niet gezegd. Ik heb gezegd dat hij de auto kon komen brengen of dat wij hem konden ophalen. Dat waren de oplossingen, anders weet ik het ook niet. (…) Mijn zoon had nog een week vakantie. Het klopt dat [eiser] heeft gezegd dat hij een advocaat ging bellen. Hij zei dat hij naar de rechter zou gaan. Ik heb daarop niet geantwoord, alleen geluisterd. Ik heb niet veel gezegd tijdens het gesprek, alleen dat hij de auto kon brengen of dat mijn zoon hem kon ophalen, zoals ik al een paar keer heb gezegd. U vraagt of ik het niet vreemd vond dat [eiser] een advocaat wilde bellen. Nee, dat vind ik niet erg, dat mag hij doen. Maar wij wilden helpen. U vraagt mij als er klanten met problemen met de auto komen, wie dat dan oplost, mijn zoon of ik zelf. Dat is natuurlijk mijn zoon, hij heeft ook monteurs, ik geef dan alleen de koffie en ik praat vriendelijk met ze. Het klopt dat ik in dit geval wel met [eiser] heb gepraat, dat was het verkoopgesprek. U vraagt mij waarom ik dan wel dit telefoongesprek heb gevoerd. Mijn zoon had heel hard gewerkt en had eindelijk vakantie, ik wilde hem niet storen. [eiser] moest even wachten. Ik heb gezegd dat wij wilden helpen maar [eiser] was zo boos, hij luisterde niet. Ik heb wel tegen mijn zoon gezegd dat hij die mensen even moest bellen. Ik heb dat tegen hem gezegd toen hij terug was gekomen van vakantie. Ik zeg het nog een keer, voor die auto is veel geld betaald en die auto moet dus goed zijn. Als dat niet zo is moeten wij het oplossen. Wij wilden echt het probleem oplossen. (…)”.
2.3
Bij conclusie na enquête voert [eiser] aan dat de vader van [gedaagde] in strijd met de waarheid heeft verklaard. Hij heeft in het telefoongesprek niet gezegd dat de auto naar [gedaagde] kon worden gebracht of dat [gedaagde] deze op een later moment kon ophalen. Dat dit gezegd zou zijn is ongeloofwaardig, want de vader van [gedaagde] verklaart dat [eiser] in hetzelfde telefoongesprek boos zou zijn geworden en is gaan schelden. Dit is onlogisch als de vader van [gedaagde] hem enkel wilde helpen.
Dictum
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om binnen één maand na dagtekening van dit vonnis de gebreken aan de BMW 3L 3 B11 met [kenteken] van [eiser] te herstellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] het herstel van de auto niet binnen de voornoemde termijn heeft afgerond met een maximum van € 5.000,00;
compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van ‘t Nedereind en in het openbaar uitgesproken op
9 juli 2025.