Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-18
ECLI:NL:RBZWB:2025:6717
Civiel recht; Personen- en familierecht
Bodemzaak
6,762 tokens
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/427128 / HA ZA 24-551
Vonnis van 18 juni 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: dochter,
advocaat: mr. A.H. Beekhuizen te [plaats 1],
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: zoon,
advocaat: mr. A.J.M. van der Borst te [plaats 2].
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 januari 2025 met de daarin genoemde stukken;
- de op 29 april 2025 ter griffie ontvangen producties van dochter;
- de akte overlegging producties van dochter van 6 mei 2025 met producties;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 mei 2025;
- de ter mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van de zijde van dochter.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
Tussen partijen staat het volgende vast:
[de vader] (verder: vader) en [de moeder] (verder: moeder) zijn de ouders van partijen;
Zoon heeft in de laatste levensjaren van zijn ouders hen geholpen met hun financiën;
Op 24 mei 2017 heeft vader zijn aandeel in de eigendom van een perceel akkergrond in [plaats 3] (Turkije) aan zoon geleverd voor 2000 Turkse Lira;
Vader is op 5 april 2021 overleden;
Op 1 juni 2021 is een bedrag van € 42.511,00 van de gezamenlijke rekening van de ouders afgeschreven door zoon;
Op 8 juni 2021 heeft moeder de eigendom van twee percelen bebouwde grond (met een wijngaard) en twee percelen landbouwgrond in [plaats 3] (Turkije) aan zoon geleverd voor in totaal 16.500 Turkse Lira;
Moeder is op 7 februari 2024 overleden.
Geschil
3.1.
Dochter vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Een verklaring voor recht dat zoon onrechtmatig heeft gehandeld jegens dochter door middel van de beschreven onttrekkingen aan de bankrekening van de ouders alsmede de vijf genoemde onroerendgoedtransacties;
Om zoon te verplichten de schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Om zoon te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Ter onderbouwing van haar vordering voert dochter bij dagvaarding aan dat zoon het financieel beheer heeft uitgevoerd voor haar ouders toen zij nog leefden. Tijdens dit beheer heeft hij tenminste € 80.000,00 van het spaargeld van ouders weggenomen. Zij verwijst in het bijzonder naar een opname van € 42.511,00 op 1 juni 2021. Ook zijn er in die periode vijf onroerende goederen verkocht aan zoon en een neef voor fracties van de werkelijke waarde. Zoon heeft in het kader van die transacties misbruik van de situatie van zijn ouders gemaakt, omdat zij van hem afhankelijk waren en zij vanaf 2012 tot hun overlijden door hun gezondheidstoestand feitelijk handelingsonbekwaam waren. Daarbij was moeder analfabeet. Dochter is door het handelen van zoon benadeeld. Hij heeft met zijn handelen de erfenis van ouders uitgehold en zichzelf bevoordeeld. Dochter is dan ook benadeeld in haar vermogenspositie, zodat zoon onrechtmatig ten opzichte van haar heeft gehandeld. De exacte hoogte van de schade moet nog worden vastgesteld, zodat verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de hand ligt.
3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling erkent zij de stelling van zoon, dat het hiervoor genoemde bedrag van € 42.511,00 op de rekening van moeder is bijgeschreven. Zij voert aanvullend op haar stellingen aan dat zoon de rekening van moeder vervolgens heeft geplunderd, gelet op de hoeveelheid bedragen en de hoogte van de bedragen die door hem zijn afgeschreven. Hij had een volmacht voor die rekening, zodat hij transacties namens moeder mocht uitvoeren, maar dat betekent niet dat hij de rekening mocht leeghalen. Voor de gestelde waarde van het onroerend goed en de gestelde gezondheidssituatie van moeder verwijst dochter naar de door haar voor de mondelinge behandeling in het geding gebrachte producties. Zij voert vervolgens aan dat, als de onrechtmatige daad is gepleegd ten opzichte van de ouders, dochter die op algemene titel heeft verkregen, dan wel dat zij een vordering uit hoofde van de nalatenschap heeft. Tot slot voert zij aan dat zoon in de conclusie van antwoord in het algemeen verweer heeft gevoerd en tijdens de mondelinge behandeling pas in detail is getreden. Dit is in strijd met de concentratie van weren. Bovendien is de vordering van dochter daarmee onvoldoende gemotiveerd betwist.
3.4.
Zoon voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van dochter of tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van dochter in de proces- en nakosten.
3.5.
Ter onderbouwing van zijn verweer voert hij aan dat hij niet het beheer over de financiën van zijn ouders voerde. Hij hielp hen enkel met praktische zaken, waaronder betalingen aan derden, als ouders daarom vroegen. Hij betwist dan ook 80.000,00 van de bankrekening van zijn ouders te hebben opgenomen. Dit wordt ook niet onderbouwd door dochter. De overboeking van € 42.511,00 heeft hij inderdaad verricht, maar dat bedrag is overgeschreven van de gezamenlijke rekening van de ouders naar een rekening van moeder, omdat de gezamenlijke rekening op dat moment was geblokkeerd. Onvoldoende is door dochter dan ook onderbouwd dat zoon geld zou hebben weggenomen. Dochter heeft vervolgens evenmin onderbouwd dat de waarde van de onroerende goederen hoger lag dan waarvoor deze zijn verkocht.
3.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij aanvullend aangevoerd dat er door dochter nieuwe afschriften, zonder Nederlandse vertaling, in het geding zijn gebracht, waarmee zij feitelijk nieuwe stellingen introduceert. Dit is in strijd met de goede procesorde. Voor zover de rechtbank daaraan voorbij gaat voert hij aan dat die uitgaven allemaal op verzoek en ten behoeve van moeder zijn geweest. Hier had zoon een volmacht voor en heeft daarnaar gehandeld. Daarnaast wijst hij erop dat het standpunt van dochter in deze procedure niet te rijmen is met haar standpunt in de Turkse procedure. In die procedure wordt uitgegaan van schijnhandelingen, waar de ouders bewust aan hebben meegewerkt, terwijl in deze procedure wordt gesteld dat zoon misbruik van (de gezondheidssituatie van) zijn ouders heeft gemaakt. Het overgelegde medisch rapport uit 2023, dat ook niet in het Nederlands is vertaald, onderbouwt overigens niet dat moeder (in 2021) handelingsonbekwaam was. In de gepasseerde aktes wordt verwezen naar een medisch rapport waarin is opgenomen dat is nagegaan dat het de wens was van moeder om de onroerende goederen aan zoon te verkopen voor de betaalde bedragen. Die wijzen dus juist naar het tegenovergestelde. Bovendien is in die aktes opgenomen dat de onroerende goederen tegen de werkelijke waarde zijn verkocht, zodat niet kan worden uitgegaan van de door dochter overgelegde taxaties. Bovendien zijn in die taxaties fouten opgenomen.
Beoordeling
4.1.
De rechtbank overweegt dat in deze zaak centraal staat of zoon onrechtmatig ten opzichte van dochter heeft gehandeld. Ondanks dat beide partijen nu in Nederland wonen en dochter ten tijde van de in geschil zijnde transacties in Nederland woonde, is er een internationaal aspect in deze zaak. Tussen partijen staat immers vast dat de nalatenschap van de ouders is opengevallen in Turkije. Ook staat tussen partijen vast dat de ouders woonachtig waren in Turkije toen de in geschil zijnde transacties plaatsvonden. Tot slot gaat het in deze zaak om onroerende goederen die in Turkije liggen en om een bankrekening die bij een Turkse bank is geopend. De rechtbank moet dus beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is en welk recht op de vordering van toepassing is.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 1 van de herschikte Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke zaken en handelszaken (herschikte EEX-verordening) bevoegd is de zaak te behandelen. Zoon is woonachtig in Nederland.
4.3.
Met betrekking tot het toepasselijk recht overweegt de rechtbank dat dochter in haar dagvaarding aansluiting heeft gezocht bij het Nederlands recht, omdat het vermogen van dochter zich in Nederland bevond toen de onrechtmatige daad plaatsvond, aldus dochter. Zoon heeft ter mondelinge behandeling ermee ingestemd dat het Nederlands recht op de gestelde onrechtmatige daad van toepassing is. Gelet op het voorgaande en het bepaalde in artikel 4 lid 1 of artikel 14 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-verordening) zal de rechtbank de gestelde onrechtmatige daad naar Nederlands recht beoordelen.
4.4.
De rechtbank overweegt dat een partij, die een vordering instelt op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad), dient te stellen en te bewijzen dat hij schade heeft geleden, hoe hoog deze schade is, alsook dat deze schade voortkomt uit het door hem gestelde schadeveroorzakende feit.
4.5.
Dochter stelt dat zij is aangetast in haar vermogenspositie door het handelen van zoon. De rechtbank kan haar in die stelling niet volgen. Tussen partijen staat vast dat de ouders of moeder tijdens de transacties nog in leven waren/was, zodat, voor zover er schade is geleden, het zou gaan om het vermogen van de ouders of moeder. Er was nog geen nalatenschap, waarin dochter deelgenoot was, zodat zij niet in haar vermogen kon worden aangetast op het moment dat de transacties plaatsvonden. Er is dus geen sprake van een onrechtmatige daad ten opzichte van dochter.
4.6.
Hooguit was sprake van een onrechtmatige daad ten opzichte van de ouders. Voor zover deze al zou komen vast te staan, zouden dan de ouders een vordering hebben gehad uit onrechtmatige daad op zoon en is deze na hun overlijden onderdeel geworden van de nalatenschap van de ouders. Dochter heeft tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat zij deze op algemene titel zou hebben verkregen, maar heeft dit niet onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit ook niet waarschijnlijk, omdat tussen partijen vaststaat dat de nalatenschap nog niet is verdeeld.
4.7.
Voor zover zij zich op het standpunt stelt dat zij de nalatenschap in deze procedure vertegenwoordigt heeft zij dit ter mondelinge behandeling pas opgemerkt en niet (met stukken) onderbouwd. Daarbij had zij dan de grondslag van haar vordering en haar vordering zelf moeten wijzigen, wat zij niet heeft gedaan. Ook is het dan maar de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is die vordering te behandelen. In het kader van de goede procesorde gaat de rechtbank daarom aan deze stelling voorbij.
4.8.
Dit betekent dat de vorderingen van dochter worden afgewezen. De overige stellingen en verweren hoeven niet meer te worden behandeld.
4.9.
Dochter is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van zoon worden begroot op:
- griffierecht
€
320,00
- salaris advocaat
€
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.726,00
Dictum
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van dochter af,
5.2.
veroordeelt dochter in de proceskosten van € 1.726,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als dochter niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Sterk en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.
Inleiding
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/427128 / HA ZA 24-551
Vonnis van 18 juni 2025
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: dochter,
advocaat: mr. A.H. Beekhuizen te [plaats 1],
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: zoon,
advocaat: mr. A.J.M. van der Borst te [plaats 2].
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 29 januari 2025 met de daarin genoemde stukken;
- de op 29 april 2025 ter griffie ontvangen producties van dochter;
- de akte overlegging producties van dochter van 6 mei 2025 met producties;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 mei 2025;
- de ter mondelinge behandeling overgelegde spreekaantekeningen van de zijde van dochter.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
Tussen partijen staat het volgende vast:
[de vader] (verder: vader) en [de moeder] (verder: moeder) zijn de ouders van partijen;
Zoon heeft in de laatste levensjaren van zijn ouders hen geholpen met hun financiën;
Op 24 mei 2017 heeft vader zijn aandeel in de eigendom van een perceel akkergrond in [plaats 3] (Turkije) aan zoon geleverd voor 2000 Turkse Lira;
Vader is op 5 april 2021 overleden;
Op 1 juni 2021 is een bedrag van € 42.511,00 van de gezamenlijke rekening van de ouders afgeschreven door zoon;
Op 8 juni 2021 heeft moeder de eigendom van twee percelen bebouwde grond (met een wijngaard) en twee percelen landbouwgrond in [plaats 3] (Turkije) aan zoon geleverd voor in totaal 16.500 Turkse Lira;
Moeder is op 7 februari 2024 overleden.
Geschil
3.1.
Dochter vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Een verklaring voor recht dat zoon onrechtmatig heeft gehandeld jegens dochter door middel van de beschreven onttrekkingen aan de bankrekening van de ouders alsmede de vijf genoemde onroerendgoedtransacties;
Om zoon te verplichten de schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
Om zoon te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Ter onderbouwing van haar vordering voert dochter bij dagvaarding aan dat zoon het financieel beheer heeft uitgevoerd voor haar ouders toen zij nog leefden. Tijdens dit beheer heeft hij tenminste € 80.000,00 van het spaargeld van ouders weggenomen. Zij verwijst in het bijzonder naar een opname van € 42.511,00 op 1 juni 2021. Ook zijn er in die periode vijf onroerende goederen verkocht aan zoon en een neef voor fracties van de werkelijke waarde. Zoon heeft in het kader van die transacties misbruik van de situatie van zijn ouders gemaakt, omdat zij van hem afhankelijk waren en zij vanaf 2012 tot hun overlijden door hun gezondheidstoestand feitelijk handelingsonbekwaam waren. Daarbij was moeder analfabeet. Dochter is door het handelen van zoon benadeeld. Hij heeft met zijn handelen de erfenis van ouders uitgehold en zichzelf bevoordeeld. Dochter is dan ook benadeeld in haar vermogenspositie, zodat zoon onrechtmatig ten opzichte van haar heeft gehandeld. De exacte hoogte van de schade moet nog worden vastgesteld, zodat verwijzing naar de schadestaatprocedure voor de hand ligt.
3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling erkent zij de stelling van zoon, dat het hiervoor genoemde bedrag van € 42.511,00 op de rekening van moeder is bijgeschreven. Zij voert aanvullend op haar stellingen aan dat zoon de rekening van moeder vervolgens heeft geplunderd, gelet op de hoeveelheid bedragen en de hoogte van de bedragen die door hem zijn afgeschreven. Hij had een volmacht voor die rekening, zodat hij transacties namens moeder mocht uitvoeren, maar dat betekent niet dat hij de rekening mocht leeghalen. Voor de gestelde waarde van het onroerend goed en de gestelde gezondheidssituatie van moeder verwijst dochter naar de door haar voor de mondelinge behandeling in het geding gebrachte producties. Zij voert vervolgens aan dat, als de onrechtmatige daad is gepleegd ten opzichte van de ouders, dochter die op algemene titel heeft verkregen, dan wel dat zij een vordering uit hoofde van de nalatenschap heeft. Tot slot voert zij aan dat zoon in de conclusie van antwoord in het algemeen verweer heeft gevoerd en tijdens de mondelinge behandeling pas in detail is getreden. Dit is in strijd met de concentratie van weren. Bovendien is de vordering van dochter daarmee onvoldoende gemotiveerd betwist.
3.4.
Zoon voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van dochter of tot afwijzing van haar vorderingen, met veroordeling van dochter in de proces- en nakosten.
3.5.
Ter onderbouwing van zijn verweer voert hij aan dat hij niet het beheer over de financiën van zijn ouders voerde. Hij hielp hen enkel met praktische zaken, waaronder betalingen aan derden, als ouders daarom vroegen. Hij betwist dan ook 80.000,00 van de bankrekening van zijn ouders te hebben opgenomen. Dit wordt ook niet onderbouwd door dochter. De overboeking van € 42.511,00 heeft hij inderdaad verricht, maar dat bedrag is overgeschreven van de gezamenlijke rekening van de ouders naar een rekening van moeder, omdat de gezamenlijke rekening op dat moment was geblokkeerd. Onvoldoende is door dochter dan ook onderbouwd dat zoon geld zou hebben weggenomen. Dochter heeft vervolgens evenmin onderbouwd dat de waarde van de onroerende goederen hoger lag dan waarvoor deze zijn verkocht.
3.6.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij aanvullend aangevoerd dat er door dochter nieuwe afschriften, zonder Nederlandse vertaling, in het geding zijn gebracht, waarmee zij feitelijk nieuwe stellingen introduceert. Dit is in strijd met de goede procesorde. Voor zover de rechtbank daaraan voorbij gaat voert hij aan dat die uitgaven allemaal op verzoek en ten behoeve van moeder zijn geweest. Hier had zoon een volmacht voor en heeft daarnaar gehandeld. Daarnaast wijst hij erop dat het standpunt van dochter in deze procedure niet te rijmen is met haar standpunt in de Turkse procedure. In die procedure wordt uitgegaan van schijnhandelingen, waar de ouders bewust aan hebben meegewerkt, terwijl in deze procedure wordt gesteld dat zoon misbruik van (de gezondheidssituatie van) zijn ouders heeft gemaakt. Het overgelegde medisch rapport uit 2023, dat ook niet in het Nederlands is vertaald, onderbouwt overigens niet dat moeder (in 2021) handelingsonbekwaam was. In de gepasseerde aktes wordt verwezen naar een medisch rapport waarin is opgenomen dat is nagegaan dat het de wens was van moeder om de onroerende goederen aan zoon te verkopen voor de betaalde bedragen. Die wijzen dus juist naar het tegenovergestelde. Bovendien is in die aktes opgenomen dat de onroerende goederen tegen de werkelijke waarde zijn verkocht, zodat niet kan worden uitgegaan van de door dochter overgelegde taxaties. Bovendien zijn in die taxaties fouten opgenomen.
Beoordeling
4.1.
De rechtbank overweegt dat in deze zaak centraal staat of zoon onrechtmatig ten opzichte van dochter heeft gehandeld. Ondanks dat beide partijen nu in Nederland wonen en dochter ten tijde van de in geschil zijnde transacties in Nederland woonde, is er een internationaal aspect in deze zaak. Tussen partijen staat immers vast dat de nalatenschap van de ouders is opengevallen in Turkije. Ook staat tussen partijen vast dat de ouders woonachtig waren in Turkije toen de in geschil zijnde transacties plaatsvonden. Tot slot gaat het in deze zaak om onroerende goederen die in Turkije liggen en om een bankrekening die bij een Turkse bank is geopend. De rechtbank moet dus beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is en welk recht op de vordering van toepassing is.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 lid 1 van de herschikte Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke zaken en handelszaken (herschikte EEX-verordening) bevoegd is de zaak te behandelen. Zoon is woonachtig in Nederland.
4.3.
Met betrekking tot het toepasselijk recht overweegt de rechtbank dat dochter in haar dagvaarding aansluiting heeft gezocht bij het Nederlands recht, omdat het vermogen van dochter zich in Nederland bevond toen de onrechtmatige daad plaatsvond, aldus dochter. Zoon heeft ter mondelinge behandeling ermee ingestemd dat het Nederlands recht op de gestelde onrechtmatige daad van toepassing is. Gelet op het voorgaande en het bepaalde in artikel 4 lid 1 of artikel 14 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II-verordening) zal de rechtbank de gestelde onrechtmatige daad naar Nederlands recht beoordelen.
4.4.
De rechtbank overweegt dat een partij, die een vordering instelt op grond van artikel 6:162 BW (onrechtmatige daad), dient te stellen en te bewijzen dat hij schade heeft geleden, hoe hoog deze schade is, alsook dat deze schade voortkomt uit het door hem gestelde schadeveroorzakende feit.
4.5.
Dochter stelt dat zij is aangetast in haar vermogenspositie door het handelen van zoon. De rechtbank kan haar in die stelling niet volgen. Tussen partijen staat vast dat de ouders of moeder tijdens de transacties nog in leven waren/was, zodat, voor zover er schade is geleden, het zou gaan om het vermogen van de ouders of moeder. Er was nog geen nalatenschap, waarin dochter deelgenoot was, zodat zij niet in haar vermogen kon worden aangetast op het moment dat de transacties plaatsvonden. Er is dus geen sprake van een onrechtmatige daad ten opzichte van dochter.
4.6.
Hooguit was sprake van een onrechtmatige daad ten opzichte van de ouders. Voor zover deze al zou komen vast te staan, zouden dan de ouders een vordering hebben gehad uit onrechtmatige daad op zoon en is deze na hun overlijden onderdeel geworden van de nalatenschap van de ouders. Dochter heeft tijdens de mondelinge behandeling opgemerkt dat zij deze op algemene titel zou hebben verkregen, maar heeft dit niet onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is dit ook niet waarschijnlijk, omdat tussen partijen vaststaat dat de nalatenschap nog niet is verdeeld.
4.7.
Voor zover zij zich op het standpunt stelt dat zij de nalatenschap in deze procedure vertegenwoordigt heeft zij dit ter mondelinge behandeling pas opgemerkt en niet (met stukken) onderbouwd. Daarbij had zij dan de grondslag van haar vordering en haar vordering zelf moeten wijzigen, wat zij niet heeft gedaan. Ook is het dan maar de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is die vordering te behandelen. In het kader van de goede procesorde gaat de rechtbank daarom aan deze stelling voorbij.
4.8.
Dit betekent dat de vorderingen van dochter worden afgewezen. De overige stellingen en verweren hoeven niet meer te worden behandeld.
4.9.
Dochter is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van zoon worden begroot op:
- griffierecht
€
320,00
- salaris advocaat
€
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.726,00
Dictum
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van dochter af,
5.2.
veroordeelt dochter in de proceskosten van € 1.726,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als dochter niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Sterk en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.