Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-25
ECLI:NL:RBZWB:2025:6228
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
9,732 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/418756 / FA RK 24-531
Zaaknummer: C/02/418758 / FA RK 24-533
datum uitspraak: 25 maart 2025
beschikking betreffende gezag, omgang en informatieregeling
in de zaken van
[de vader] , hierna de vader,
wonende te [plaats 1] ,
verzoeker,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur te Oosterhout,
tegen
[de moeder] , hierna de moeder,
wonende op een voor de rechtbank onbekend adres, thans feitelijk verblijvende op [plaats 2]
verweerster.
Ouders van het thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014.
Als belanghebbende in deze procedure is aangemerkt:
- Stichting Jeugdbescherming West Zeeland, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het (verdere) procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt in beide procedures op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van 21 november 2024 en de daarin vermelde stukken;
- de herstelbeschikking van 23 januari 2025 en de daarin vermelde stukken;
- het op 17 februari 2025 ingekomen rapport van de Raad d.d. 13 februari 2025;
- het e-mailbericht van de moeder d.d. 26 februari 2025;
- het e-mailbericht van de GI d.d. 4 maart 2025 met bijlagen;
- het e-mailbericht van de GI d.d. 5 maart 2025 met bijlage;
- het F9-formulier van mr. Avontuur d.d. 11 maart 2025 met als bijlage een aanvullend verzoekschrift;
- de op 17 maart 2025 ingekomen brief van de moeder d.d. 18 februari 2025 met bijlagen en memorystick, waarvan akte van depot is opgemaakt;
- het F9-formulier van mr. Avontuur d.d. 14 maart 2025 met bijlage;
- het e-mailbericht van de moeder d.d. 20 maart 2025 met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Avontuur d.d. 20 maart 2025.
1.2
De verzoeken zijn door de meervoudige kamer van deze rechtbank (nader) mondeling behandeld op 25 maart 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vader, bijgestaan door zijn advocaat alsmede de moeder (via Teams). Tevens waren aanwezig een tweetal vertegenwoordigsters van de GI en een vertegenwoordigster van de Raad.
2De nadere beoordeling
2.1
De rechtbank verwijst naar de beschikking die zij op 21 november 2024 heeft gegeven. In de procedure met betrekking tot het treffen van een provisionele voorziening (C/02/418756 / FA RK 24-531) heeft de rechtbank nogmaals tijdelijk, voor een periode van zes maanden, het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd. In de bodemprocedure (C/02/418745 / FA RK 24-533) heeft de rechtbank, onder wijziging van het ouderschapsplan van 4 juni 2015, bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader heeft. De door de vader gevraagde voorlopige voorziening omtrent de schorsing van het gezag van de moeder alsmede het verzoek in de bodemprocedure tot wijziging van het gezamenlijk gezag zijn aangehouden tot de zitting van 25 maart 2025, in afwachting van informatie over de ontwikkelingen en de reactie van partijen voor wat betreft het door hen gewenste procesverloop. Het in beide procedures meer of anders verzochte is door de rechtbank in deze beschikking afgewezen.
2.2
Op 23 januari 2025 heeft de rechtbank een herstelbeschikking gegeven, waarin de in de voornoemde beschikking opgenomen woonplaats van de moeder is hersteld.
2.3
Op 12 maart 2025 is namens de vader een aanvullend verzoekschrift ingediend. Hij verzoekt bij beschikking en uitvoerbaar bij voorraad:
de omgang met [minderjarige] aan de moeder te ontzeggen voor onbepaalde tijd;
te bepalen dat de vader de moeder op de eerste van de oneven maanden zal informeren over school, gezondheid en hobby’s van [minderjarige] , met foto van [minderjarige] , op een speciaal door hem aan te maken e-mailadres.
2.4
De vader heeft tijdens de nadere mondelinge behandeling uitgelegd waarom hij zijn verzoek ten aanzien van het gezag handhaaft en waarom hij zich genoodzaakt heeft gezien tot het doen van de voornoemde aanvullende verzoeken. In de afgelopen periode is gebleken dat de moeder weigert haar gedrag naar zowel [minderjarige] als de vader te veranderen. De moeder blijft [minderjarige] belasten door haar bijvoorbeeld in een onbewaakt moment tijdens de begeleide omgang zaken in te fluisteren. Tevens houdt zij zich nog altijd niet aan de afspraken, zoals het met respect reageren op de informatiemails van de vader en het op het laatste moment afzeggen van bezoekmomenten. In november vorig jaar heeft [minderjarige] zich naar de vader, de hulpverlening en de GI uitgesproken over heftige gebeurtenissen die [minderjarige] in de afgelopen jaren met de moeder heeft meegemaakt. De moeder ontkent de gebeurtenissen stellig, waarmee zij beweert dat [minderjarige] liegt en zij [minderjarige] afwijst. [minderjarige] heeft dingen verteld, die voor de vader niet te verzinnen zijn en dus volgens hem daardoor geloofwaardig zijn. Duidelijk is dat [minderjarige] zich heel onveilig en angstig heeft gevoeld in het contact met haar moeder. Omdat er ook zorgen zijn ontstaan over het welzijn van het halfbroertje van [minderjarige] die bij de moeder opgroeit, heeft de GI begin januari 2025 een verzoek tot onderzoek ingediend. De moeder is per direct met haar zoon van de radar verdwenen en waarschijnlijk vertrokken naar het buitenland. De vader heeft veel moeite met het zelfbepalende en het voor [minderjarige] schadelijke patroon dat de moeder laat zien. De moeder is onvoorspelbaar, respectloos en onberekenbaar in haar gedrag. [minderjarige] moet hiertegen worden beschermd. De vader merkt dat [minderjarige] door alle gebeurtenissen getraumatiseerd is en gedragspatronen laat zien die zij niet hoort te hebben. De vader doet zijn uiterste best om [minderjarige] zoveel mogelijk gerust te stellen en te steunen. Ook kan zij haar verhaal kwijt bij PMKT. De vader vindt dat het gezag van de moeder definitief beëindigd moet worden. Hij ziet geen andere mogelijkheid. De moeder is niet in staat om het belang van [minderjarige] voorop stellen. Daarnaast vreest de vader dat deze beslissing ertoe zal leiden dat de ondertoezichtstelling op enig moment zal eindigen en de ouders weer aangewezen zijn op het vrijwillig kader. De moeder de omgang met [minderjarige] voor onbepaalde tijd ontzeggen zorgt er in ieder geval voor dat zij zich eerst moet richten tot de rechtbank om haar dochter weer te kunnen zien. Ten aanzien van de informatieregeling verzoekt de vader de rechtbank hem te ontlasten door het stellen van duidelijke kaders aan de moeder. Tot op de dag van vandaag wordt hij nog altijd overspoeld door grote hoeveelheden negatieve reacties vanuit de moeder.
2.5
De moeder benoemt dat zij vanwege persoonlijke omstandigheden tijdelijk is verhuisd naar het buitenland. Zij en haar zoon waren niet langer veilig in [plaats 3]. Inmiddels is zij teruggekeerd en verblijft zij tot dat zij een eigen woning heeft gevonden bij haar zus in [plaats 2] . De moeder mist haar dochter enorm en wil graag zo spoedig mogelijk het contact met [minderjarige] hervatten. Het is niet in het belang van [minderjarige] om ineens geen contact te hebben met haar moeder en halfbroertje. Een kind heeft recht op beide ouders.
Dictum
De rechtbank
3.1
bepaalt dat het gezag over de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, voortaan aan de vader alleen toekomt;
3.2
bepaalt, onder wijziging van de beslissing van de kinderrechter van deze rechtbank d.d. 22 oktober 2024 en nadat het herstelgesprek tussen de GI en de moeder heeft plaatsgevonden, dat [minderjarige] en de moeder gerechtigd zijn tot begeleide omgang met elkaar op een door de GI te bepalen tijd en frequentie en met inachtneming van hetgeen onder 2.9.1 is overwogen;
3.3
bepaalt dat de vader de moeder op de eerste van de oneven maanden zal informeren over de school, de gezondheid en de hobby’s van [minderjarige] (inclusief een foto van [minderjarige] ) op een speciaal door de vader aan te maken e-mailadres en met inachtneming van hetgeen onder 2.10.1 is overwogen;
3.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;
3.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2025 door mr. De Beer, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Hendriks en mr. Roose, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 9 april 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
artikel 1:253n lid 1 en artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
artikel 1:377a BW
artikel 1:377 b BW
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/418756 / FA RK 24-531
Zaaknummer: C/02/418758 / FA RK 24-533
datum uitspraak: 25 maart 2025
beschikking betreffende gezag, omgang en informatieregeling
in de zaken van
[de vader] , hierna de vader,
wonende te [plaats 1] ,
verzoeker,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur te Oosterhout,
tegen
[de moeder] , hierna de moeder,
wonende op een voor de rechtbank onbekend adres, thans feitelijk verblijvende op [plaats 2]
verweerster.
Ouders van het thans nog minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014.
Als belanghebbende in deze procedure is aangemerkt:
- Stichting Jeugdbescherming West Zeeland, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Middelburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het (verdere) procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt in beide procedures op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van 21 november 2024 en de daarin vermelde stukken;
- de herstelbeschikking van 23 januari 2025 en de daarin vermelde stukken;
- het op 17 februari 2025 ingekomen rapport van de Raad d.d. 13 februari 2025;
- het e-mailbericht van de moeder d.d. 26 februari 2025;
- het e-mailbericht van de GI d.d. 4 maart 2025 met bijlagen;
- het e-mailbericht van de GI d.d. 5 maart 2025 met bijlage;
- het F9-formulier van mr. Avontuur d.d. 11 maart 2025 met als bijlage een aanvullend verzoekschrift;
- de op 17 maart 2025 ingekomen brief van de moeder d.d. 18 februari 2025 met bijlagen en memorystick, waarvan akte van depot is opgemaakt;
- het F9-formulier van mr. Avontuur d.d. 14 maart 2025 met bijlage;
- het e-mailbericht van de moeder d.d. 20 maart 2025 met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Avontuur d.d. 20 maart 2025.
1.2
De verzoeken zijn door de meervoudige kamer van deze rechtbank (nader) mondeling behandeld op 25 maart 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vader, bijgestaan door zijn advocaat alsmede de moeder (via Teams). Tevens waren aanwezig een tweetal vertegenwoordigsters van de GI en een vertegenwoordigster van de Raad.
2De nadere beoordeling
2.1
De rechtbank verwijst naar de beschikking die zij op 21 november 2024 heeft gegeven. In de procedure met betrekking tot het treffen van een provisionele voorziening (C/02/418756 / FA RK 24-531) heeft de rechtbank nogmaals tijdelijk, voor een periode van zes maanden, het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] beëindigd. In de bodemprocedure (C/02/418745 / FA RK 24-533) heeft de rechtbank, onder wijziging van het ouderschapsplan van 4 juni 2015, bepaald dat [minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vader heeft. De door de vader gevraagde voorlopige voorziening omtrent de schorsing van het gezag van de moeder alsmede het verzoek in de bodemprocedure tot wijziging van het gezamenlijk gezag zijn aangehouden tot de zitting van 25 maart 2025, in afwachting van informatie over de ontwikkelingen en de reactie van partijen voor wat betreft het door hen gewenste procesverloop. Het in beide procedures meer of anders verzochte is door de rechtbank in deze beschikking afgewezen.
2.2
Op 23 januari 2025 heeft de rechtbank een herstelbeschikking gegeven, waarin de in de voornoemde beschikking opgenomen woonplaats van de moeder is hersteld.
2.3
Op 12 maart 2025 is namens de vader een aanvullend verzoekschrift ingediend. Hij verzoekt bij beschikking en uitvoerbaar bij voorraad:
de omgang met [minderjarige] aan de moeder te ontzeggen voor onbepaalde tijd;
te bepalen dat de vader de moeder op de eerste van de oneven maanden zal informeren over school, gezondheid en hobby’s van [minderjarige] , met foto van [minderjarige] , op een speciaal door hem aan te maken e-mailadres.
2.4
De vader heeft tijdens de nadere mondelinge behandeling uitgelegd waarom hij zijn verzoek ten aanzien van het gezag handhaaft en waarom hij zich genoodzaakt heeft gezien tot het doen van de voornoemde aanvullende verzoeken. In de afgelopen periode is gebleken dat de moeder weigert haar gedrag naar zowel [minderjarige] als de vader te veranderen. De moeder blijft [minderjarige] belasten door haar bijvoorbeeld in een onbewaakt moment tijdens de begeleide omgang zaken in te fluisteren. Tevens houdt zij zich nog altijd niet aan de afspraken, zoals het met respect reageren op de informatiemails van de vader en het op het laatste moment afzeggen van bezoekmomenten. In november vorig jaar heeft [minderjarige] zich naar de vader, de hulpverlening en de GI uitgesproken over heftige gebeurtenissen die [minderjarige] in de afgelopen jaren met de moeder heeft meegemaakt. De moeder ontkent de gebeurtenissen stellig, waarmee zij beweert dat [minderjarige] liegt en zij [minderjarige] afwijst. [minderjarige] heeft dingen verteld, die voor de vader niet te verzinnen zijn en dus volgens hem daardoor geloofwaardig zijn. Duidelijk is dat [minderjarige] zich heel onveilig en angstig heeft gevoeld in het contact met haar moeder. Omdat er ook zorgen zijn ontstaan over het welzijn van het halfbroertje van [minderjarige] die bij de moeder opgroeit, heeft de GI begin januari 2025 een verzoek tot onderzoek ingediend. De moeder is per direct met haar zoon van de radar verdwenen en waarschijnlijk vertrokken naar het buitenland. De vader heeft veel moeite met het zelfbepalende en het voor [minderjarige] schadelijke patroon dat de moeder laat zien. De moeder is onvoorspelbaar, respectloos en onberekenbaar in haar gedrag. [minderjarige] moet hiertegen worden beschermd. De vader merkt dat [minderjarige] door alle gebeurtenissen getraumatiseerd is en gedragspatronen laat zien die zij niet hoort te hebben. De vader doet zijn uiterste best om [minderjarige] zoveel mogelijk gerust te stellen en te steunen. Ook kan zij haar verhaal kwijt bij PMKT. De vader vindt dat het gezag van de moeder definitief beëindigd moet worden. Hij ziet geen andere mogelijkheid. De moeder is niet in staat om het belang van [minderjarige] voorop stellen. Daarnaast vreest de vader dat deze beslissing ertoe zal leiden dat de ondertoezichtstelling op enig moment zal eindigen en de ouders weer aangewezen zijn op het vrijwillig kader. De moeder de omgang met [minderjarige] voor onbepaalde tijd ontzeggen zorgt er in ieder geval voor dat zij zich eerst moet richten tot de rechtbank om haar dochter weer te kunnen zien. Ten aanzien van de informatieregeling verzoekt de vader de rechtbank hem te ontlasten door het stellen van duidelijke kaders aan de moeder. Tot op de dag van vandaag wordt hij nog altijd overspoeld door grote hoeveelheden negatieve reacties vanuit de moeder.
2.5
De moeder benoemt dat zij vanwege persoonlijke omstandigheden tijdelijk is verhuisd naar het buitenland. Zij en haar zoon waren niet langer veilig in [plaats 3]. Inmiddels is zij teruggekeerd en verblijft zij tot dat zij een eigen woning heeft gevonden bij haar zus in [plaats 2] . De moeder mist haar dochter enorm en wil graag zo spoedig mogelijk het contact met [minderjarige] hervatten. Het is niet in het belang van [minderjarige] om ineens geen contact te hebben met haar moeder en halfbroertje. Een kind heeft recht op beide ouders.
Dictum
De rechtbank
3.1
bepaalt dat het gezag over de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2014, voortaan aan de vader alleen toekomt;
3.2
bepaalt, onder wijziging van de beslissing van de kinderrechter van deze rechtbank d.d. 22 oktober 2024 en nadat het herstelgesprek tussen de GI en de moeder heeft plaatsgevonden, dat [minderjarige] en de moeder gerechtigd zijn tot begeleide omgang met elkaar op een door de GI te bepalen tijd en frequentie en met inachtneming van hetgeen onder 2.9.1 is overwogen;
3.3
bepaalt dat de vader de moeder op de eerste van de oneven maanden zal informeren over de school, de gezondheid en de hobby’s van [minderjarige] (inclusief een foto van [minderjarige] ) op een speciaal door de vader aan te maken e-mailadres en met inachtneming van hetgeen onder 2.10.1 is overwogen;
3.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;
3.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2025 door mr. De Beer, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Hendriks en mr. Roose, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 9 april 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
artikel 1:253n lid 1 en artikel 1:251a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)
artikel 1:377a BW
artikel 1:377 b BW
Inleiding
De moeder vindt het lastig om te begrijpen dat [minderjarige] als voorwaarde stelt dat het contact moeder onder begeleiding moet plaatsvinden, omdat zij eerder juist de wens had uitgesproken om met de kerstdagen te komen logeren. De moeder (h)erkent de uitlatingen van [minderjarige] op sommige punten niet. [minderjarige] heeft dit ook niet rechtstreeks aan haar verteld. De moeder heeft dit vanuit de GI moeten vernemen, waardoor de moeder twijfelt aan de oprechtheid van de verklaringen van [minderjarige] . De moeder is bereid om de samenwerking met de GI aan te gaan, maar dan moet de GI wel begrip hebben voor het feit dat de moeder zelfstandig ondernemer is waardoor het kan voorkomen dat zij genoodzaakt is om een afspraak af te zeggen. Dit is dan overmacht en geen onwil. Ook is de moeder bereid tot een herstelgesprek met de GI en om haar medewerking te verlenen aan begeleide omgang.
2.6
De GI merkt nog altijd dat de moeder de regie in handen wil houden en dat het haar niet lukt om aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] . Zodra er zorgen worden gedeeld, verdwijnt de moeder van de radar. Het is de GI in de afgelopen periode niet gelukt om in contact te komen met de moeder. Ondanks wat er volgens [minderjarige] bij de moeder heeft plaatsgevonden, is het opvallend dat [minderjarige] wel blijft volhouden dat ze haar moeder wil zien. De GI acht het contact met beide ouders in haar belang, maar wel op de voorwaarden die [minderjarige] stelt. [minderjarige] wil graag bij papa blijven wonen en wil alleen in aanwezigheid van begeleiding contact met haar moeder. [minderjarige] begrijpt niet waarom de moeder ineens weg is. Inmiddels heeft [minderjarige] al een tijdje geen omgang met haar moeder, mede vanwege de eerdere belastende uitspraken die de moeder heeft gedaan naar [minderjarige] . De GI vindt dat er eerst een herstelgesprek tussen de moeder en de GI moet plaatsvinden alvorens de begeleide omgang kan worden hervat. Het is namelijk van belang dat er een samenwerking tussen de GI en de moeder tot stand komt in plaats van dat de moeder haar eigen plan trekt. De GI vindt het fijn om te horen dat de moeder hiervoor open staat. Gezien de ontwikkelingen verwacht de GI niet dat de ouders binnen afzienbare tijd adequaat met elkaar kunnen communiceren in het belang van [minderjarige] . Het zelfbepalende c.q. grillige gedrag van de moeder is een terugkerend patroon.
2.7
De Raad adviseert de rechtbank om het gezamenlijk gezag te wijzigen en om de vader voortaan te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . Door de zelfbepalende en dwingende houding van de moeder verloopt de samenwerking tussen de ouders niet goed. Omdat gezamenlijke afstemming niet mogelijk is, is gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] . Dit zal tot veel onderlinge spanningen leiden en de vrees bestaat dat [minderjarige] dan klem en verloren zal raken. De Raad vindt het gezien de omstandigheden knap dat [minderjarige] aangeeft haar moeder te willen zien, alleen wel onder begeleiding omdat zij het spannend vindt. De Raad gunt het [minderjarige] dat zij zich veilig kan voelen in het contact met haar moeder. De GI dient hierop de regie te voeren. Er moet voorzichtig gekeken worden naar de mogelijkheden. Zo lang als nodig zal het contact onder begeleiding moeten plaatsvinden, omdat dit [minderjarige] veiligheid biedt en haar de ruimte geeft om weer vertrouwen te krijgen in de moeder. Voor de toekomst zal [minderjarige] moeten leren omgaan met de grillen van de moeder. De Raad vindt dat de vader aan de informatieregeling moet blijven voldoen, omdat de moeder recht op informatie heeft. Om de vader te ontlasten zou het fijn zijn als afgesproken wordt dat de moeder niet meer reageert op de berichten van de vader en dat zij haar vragen richt aan de GI. De Raad kan zich vinden in een herstelgesprek die de GI als voorwaarde stelt alvorens de omgang tussen de moeder en [minderjarige] weer hervat kan worden. Duidelijk moet zijn dat de GI de lijnen hiervoor uitzet en niet de moeder. Daarbij is voorspelbaarheid in het contact van cruciaal belang. Van de moeder wordt verwacht dat zij de afspraken die worden gemaakt ook structureel nakomt.
2.8.
Gezag
2.8.1
De rechtbank heeft in haar eerdere beschikkingen het gezag van de moeder tijdelijk beëindigd in de hoop dat de moeder de prille positieve ontwikkeling die zij destijds liet zien, zou doorzetten. Helaas moet de rechtbank constateren dat dit niet is gebeurd. De zorgen zijn zelfs toegenomen. De rechtbank zal uitleggen waarom zij dit vindt. Als eerste wil de rechtbank benoemen dat zij ziet dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en dat zij het beste wil voor haar dochter. De grilligheid van de moeder maakt het echter voor [minderjarige] en de vader (als hoofdopvoeder van [minderjarige] ) lastig om het op deze manier vol te houden. Ten tweede begrijpt de rechtbank van de vader dat hij tot op de dag van vandaag overspoeld wordt met grote hoeveelheden negatieve reacties vanuit de moeder. Van een adequate communicatie tussen de ouders is geen sprake. Ten derde is in oktober 2024 op verzoek van [minderjarige] gewerkt aan een opbouw van het contact met de moeder. Al snel kwam [minderjarige] hierop terug en wilde zij de bezoeken weer volledig onder begeleiding. Achteraf is gebleken dat de moeder tijdens een onbegeleid moment [minderjarige] heeft belast door haar zaken in te fluisteren die zij van [minderjarige] verlangt. In november 2024 zijn de zorgen toegenomen door de uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan betreffende mishandelingen vanuit de moeder en de angst en onveiligheid die zij bij de moeder heeft ervaren. Door de GI is dit begin januari 2025 met beide ouders besproken. Na een aangekondigd verzoek tot onderzoek vanuit de GI naar de situatie van het halfbroertje van [minderjarige] is de moeder per direct van de radar verdwenen door zich uit te schrijven in Nederland. Ten vierde is in de afgelopen jaren gebleken dat dit een terugkerend patroon is wat de moeder laat zien. De rechtbank is van oordeel dat de onvoorspelbare en onbereikbare houding van de moeder leidt tot een onaanvaardbaar risico dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen haar ouders. Gezien de ontwikkelingen in de afgelopen jaren valt naar het oordeel van de rechtbank niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen waardoor de ouders wel samen invulling kunnen geven aan het ouderlijk gezag. De rechtbank is daarom van oordeel dat het gezag van de moeder in het belang van [minderjarige] definitief moet worden beëindigd.
2.8.2
De rechtbank zal de griffier van de rechtbank de opdracht geven om een aantekening van deze beslissing te maken in het centraal gezagsregister, zoals de wet voorschrijft.
2.9
Omgang
2.9.1
De vader verzoekt de rechtbank de moeder het recht op omgang te ontzeggen. De rechtbank acht dit niet in het belang van [minderjarige] , omdat [minderjarige] aangeeft haar moeder te missen en graag contact met haar te willen, zij het onder bepaalde voorwaarden. De rechtbank is met de GI en de Raad van oordeel dat alvorens de omgang wordt hervat er eerst een herstelgesprek zal moeten plaatsvinden tussen de GI en de moeder waarin de moeder duidelijke kaders worden gesteld ten aanzien van haar contact met [minderjarige] en ten aanzien van de samenwerking met de GI. De moeder heeft zich bereid verklaard om vergezeld door haar zus dit gesprek met de GI aan te gaan. [minderjarige] en de moeder moeten elkaar kunnen zien in goede omstandigheden. De rechtbank benadrukt dan ook dat de GI de regie heeft over het opbouwen van het begeleide contact tussen de moeder en [minderjarige] . De GI bepaalt de tijd en de frequentie van de omgang. Zolang [minderjarige] hier behoefte aan heeft, zal dit contact onder begeleiding plaatsvinden.
Inleiding
De moeder vindt het lastig om te begrijpen dat [minderjarige] als voorwaarde stelt dat het contact moeder onder begeleiding moet plaatsvinden, omdat zij eerder juist de wens had uitgesproken om met de kerstdagen te komen logeren. De moeder (h)erkent de uitlatingen van [minderjarige] op sommige punten niet. [minderjarige] heeft dit ook niet rechtstreeks aan haar verteld. De moeder heeft dit vanuit de GI moeten vernemen, waardoor de moeder twijfelt aan de oprechtheid van de verklaringen van [minderjarige] . De moeder is bereid om de samenwerking met de GI aan te gaan, maar dan moet de GI wel begrip hebben voor het feit dat de moeder zelfstandig ondernemer is waardoor het kan voorkomen dat zij genoodzaakt is om een afspraak af te zeggen. Dit is dan overmacht en geen onwil. Ook is de moeder bereid tot een herstelgesprek met de GI en om haar medewerking te verlenen aan begeleide omgang.
2.6
De GI merkt nog altijd dat de moeder de regie in handen wil houden en dat het haar niet lukt om aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] . Zodra er zorgen worden gedeeld, verdwijnt de moeder van de radar. Het is de GI in de afgelopen periode niet gelukt om in contact te komen met de moeder. Ondanks wat er volgens [minderjarige] bij de moeder heeft plaatsgevonden, is het opvallend dat [minderjarige] wel blijft volhouden dat ze haar moeder wil zien. De GI acht het contact met beide ouders in haar belang, maar wel op de voorwaarden die [minderjarige] stelt. [minderjarige] wil graag bij papa blijven wonen en wil alleen in aanwezigheid van begeleiding contact met haar moeder. [minderjarige] begrijpt niet waarom de moeder ineens weg is. Inmiddels heeft [minderjarige] al een tijdje geen omgang met haar moeder, mede vanwege de eerdere belastende uitspraken die de moeder heeft gedaan naar [minderjarige] . De GI vindt dat er eerst een herstelgesprek tussen de moeder en de GI moet plaatsvinden alvorens de begeleide omgang kan worden hervat. Het is namelijk van belang dat er een samenwerking tussen de GI en de moeder tot stand komt in plaats van dat de moeder haar eigen plan trekt. De GI vindt het fijn om te horen dat de moeder hiervoor open staat. Gezien de ontwikkelingen verwacht de GI niet dat de ouders binnen afzienbare tijd adequaat met elkaar kunnen communiceren in het belang van [minderjarige] . Het zelfbepalende c.q. grillige gedrag van de moeder is een terugkerend patroon.
2.7
De Raad adviseert de rechtbank om het gezamenlijk gezag te wijzigen en om de vader voortaan te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . Door de zelfbepalende en dwingende houding van de moeder verloopt de samenwerking tussen de ouders niet goed. Omdat gezamenlijke afstemming niet mogelijk is, is gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarige] . Dit zal tot veel onderlinge spanningen leiden en de vrees bestaat dat [minderjarige] dan klem en verloren zal raken. De Raad vindt het gezien de omstandigheden knap dat [minderjarige] aangeeft haar moeder te willen zien, alleen wel onder begeleiding omdat zij het spannend vindt. De Raad gunt het [minderjarige] dat zij zich veilig kan voelen in het contact met haar moeder. De GI dient hierop de regie te voeren. Er moet voorzichtig gekeken worden naar de mogelijkheden. Zo lang als nodig zal het contact onder begeleiding moeten plaatsvinden, omdat dit [minderjarige] veiligheid biedt en haar de ruimte geeft om weer vertrouwen te krijgen in de moeder. Voor de toekomst zal [minderjarige] moeten leren omgaan met de grillen van de moeder. De Raad vindt dat de vader aan de informatieregeling moet blijven voldoen, omdat de moeder recht op informatie heeft. Om de vader te ontlasten zou het fijn zijn als afgesproken wordt dat de moeder niet meer reageert op de berichten van de vader en dat zij haar vragen richt aan de GI. De Raad kan zich vinden in een herstelgesprek die de GI als voorwaarde stelt alvorens de omgang tussen de moeder en [minderjarige] weer hervat kan worden. Duidelijk moet zijn dat de GI de lijnen hiervoor uitzet en niet de moeder. Daarbij is voorspelbaarheid in het contact van cruciaal belang. Van de moeder wordt verwacht dat zij de afspraken die worden gemaakt ook structureel nakomt.
2.8.
Gezag
2.8.1
De rechtbank heeft in haar eerdere beschikkingen het gezag van de moeder tijdelijk beëindigd in de hoop dat de moeder de prille positieve ontwikkeling die zij destijds liet zien, zou doorzetten. Helaas moet de rechtbank constateren dat dit niet is gebeurd. De zorgen zijn zelfs toegenomen. De rechtbank zal uitleggen waarom zij dit vindt. Als eerste wil de rechtbank benoemen dat zij ziet dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en dat zij het beste wil voor haar dochter. De grilligheid van de moeder maakt het echter voor [minderjarige] en de vader (als hoofdopvoeder van [minderjarige] ) lastig om het op deze manier vol te houden. Ten tweede begrijpt de rechtbank van de vader dat hij tot op de dag van vandaag overspoeld wordt met grote hoeveelheden negatieve reacties vanuit de moeder. Van een adequate communicatie tussen de ouders is geen sprake. Ten derde is in oktober 2024 op verzoek van [minderjarige] gewerkt aan een opbouw van het contact met de moeder. Al snel kwam [minderjarige] hierop terug en wilde zij de bezoeken weer volledig onder begeleiding. Achteraf is gebleken dat de moeder tijdens een onbegeleid moment [minderjarige] heeft belast door haar zaken in te fluisteren die zij van [minderjarige] verlangt. In november 2024 zijn de zorgen toegenomen door de uitspraken die [minderjarige] heeft gedaan betreffende mishandelingen vanuit de moeder en de angst en onveiligheid die zij bij de moeder heeft ervaren. Door de GI is dit begin januari 2025 met beide ouders besproken. Na een aangekondigd verzoek tot onderzoek vanuit de GI naar de situatie van het halfbroertje van [minderjarige] is de moeder per direct van de radar verdwenen door zich uit te schrijven in Nederland. Ten vierde is in de afgelopen jaren gebleken dat dit een terugkerend patroon is wat de moeder laat zien. De rechtbank is van oordeel dat de onvoorspelbare en onbereikbare houding van de moeder leidt tot een onaanvaardbaar risico dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen haar ouders. Gezien de ontwikkelingen in de afgelopen jaren valt naar het oordeel van de rechtbank niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen waardoor de ouders wel samen invulling kunnen geven aan het ouderlijk gezag. De rechtbank is daarom van oordeel dat het gezag van de moeder in het belang van [minderjarige] definitief moet worden beëindigd.
2.8.2
De rechtbank zal de griffier van de rechtbank de opdracht geven om een aantekening van deze beslissing te maken in het centraal gezagsregister, zoals de wet voorschrijft.
2.9
Omgang
2.9.1
De vader verzoekt de rechtbank de moeder het recht op omgang te ontzeggen. De rechtbank acht dit niet in het belang van [minderjarige] , omdat [minderjarige] aangeeft haar moeder te missen en graag contact met haar te willen, zij het onder bepaalde voorwaarden. De rechtbank is met de GI en de Raad van oordeel dat alvorens de omgang wordt hervat er eerst een herstelgesprek zal moeten plaatsvinden tussen de GI en de moeder waarin de moeder duidelijke kaders worden gesteld ten aanzien van haar contact met [minderjarige] en ten aanzien van de samenwerking met de GI. De moeder heeft zich bereid verklaard om vergezeld door haar zus dit gesprek met de GI aan te gaan. [minderjarige] en de moeder moeten elkaar kunnen zien in goede omstandigheden. De rechtbank benadrukt dan ook dat de GI de regie heeft over het opbouwen van het begeleide contact tussen de moeder en [minderjarige] . De GI bepaalt de tijd en de frequentie van de omgang. Zolang [minderjarige] hier behoefte aan heeft, zal dit contact onder begeleiding plaatsvinden.