Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-18
ECLI:NL:RBZWB:2025:6198
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,983 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
zaak/rekestnr: C/02/ 425297 / FA RK 24-3592
beschikking d.d. 18 februari 2025
op het verzoek van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, hierna te noemen de Raad,
locatie Rotterdam,
over de minderjarige:
[minderjarige]
, geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2024.
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
[de moeder] , hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in het arrondissement van deze rechtbank,
domicilie kiezende bij [hulpverlening] te [plaats] ,
advocaat: mr. E. Türk te Bergen op Zoom ,
[de vader]
, hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats] .
Als informant is in de procedure betrokken:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Tilburg.
1Het procesverloop
1.1
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 17 juli 2024 ingekomen verzoek tot gezagsbeëindiging;
- het op 9 januari 2025 ingekomen wijzigingsverzoek van de Raad met bijlagen;
- de op 9 januari 2025 van de Raad ontvangen en door de GI ondertekende bereidverklaring ten aanzien van de voogdij;
- de op 21 januari 2025 ingekomen akte van erkenning.
1.2
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft het verzoek van de Raad met instemming van alle betrokkenen gelijktijdig met het verzoek van de vader dat ziet op de erkenning en de geslachtsnaam van [minderjarige] (bekend onder zaaknr. C/02/430617 / FA RK 25-110) op 16 januari 2025 mondeling behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen de man en de advocaat van de vrouw. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI (via Teams).
1.3
Ten aanzien van het verzoek van de vader is bij separate beschikking beslist.
Feiten
2.1
Uit de moeder is te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2024 de [minderjarige] geboren.
2.2
De moeder is na de geboorte van rechtswege belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3
Bij beschikking van [geboortedag 1] 2024 heeft de kinderrechter de GI belast met de
voorlopige voogdij over [minderjarige] voor de periode van twee weken, met ingang van [geboortedag 1] 2024
en tot 16 mei 2024. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.4
Bij beschikking van 10 mei 2024 is bepaald dat de GI met de voorlopige voogdij belast blijft tot 2 augustus 2024, met dien verstande dat deze maatregel van rechtswege eindigt op 2 augustus 2024, tenzij voor het einde van die maatregel een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. Op 17 juli 2024 heeft de Raad een dergelijke procedure aanhangig gemaakt, waardoor aan deze voorwaarde is voldaan.
2.5
De vader heeft [minderjarige] op 20 januari 2025 met toestemming van de moeder erkend. Daarbij is, met toestemming van de moeder, de geslachtsnaam van [minderjarige] gewijzigd van ‘ [geslachtsnaam van de moeder] ’ in ‘ [geslachtsnaam van de vader] ’. De vader heeft zijn verzoek betreffende de erkenning ten gevolge van die erkenning ingetrokken. De rechtbank heeft dit verzoek bij beschikking van 18 februari 2025 afgewezen.
2.6
[minderjarige] woont bij de vader.
3Het verzoek
3.1
Indien het door de biologische vader, de heer [de vader] , ingediende verzoek voor vervangende toestemming tot erkenning wordt behandeld en toegewezen, verzoekt de Raad het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] te beëindigen en de heer [de vader] te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
3.2
Indien het door de biologische vader, de heer [de vader] , ingediende verzoek voor
vervangende toestemming tot erkenning niet wordt behandeld dan wel niet wordt
toegewezen, verzoekt de Raad om het gezag van de moeder over [minderjarige] te beëindigen
en primair de heer [de vader] te benoemen tot voogd over [minderjarige] , subsidiair de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant.
3.3
De Raad verzoekt de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1
De Raad vindt beëindiging van het gezag van de moeder noodzakelijk en in het belang van [minderjarige] . Na een kortstondig contact met de heer [de vader] is de moeder ongepland en ongewenst zwanger geraakt. Omdat de moeder besloten had om het kindje ter adoptie af te staan, zijn haar voornemen hiertoe en de gevolgen daarvan goed door het [hulpverlening] met de moeder doorgesproken. Na de bevalling is de moeder bij haar besluit gebleven. Wel heeft de moeder besloten de vader in te lichten over de komst van [minderjarige] . Ondanks de schrik, heeft de vader direct aangegeven de verantwoordelijkheid voor [minderjarige] te nemen en voor haar te willen zorgen. Dit heeft ertoe geleid dat [minderjarige] in goed overleg met de moeder, de vader en de voogd sinds medio augustus 2024 bij de vader woont. In de huidige omstandigheden is er geen sprake van een directe ontwikkelingsbedreiging ten aanzien van [minderjarige] , maar de Raad vindt een gezagsbeëindiging wel noodzakelijk en in overeenstemming met de wens van de moeder. De verwachting is niet gerechtvaardigd dat de moeder binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid alsnog op zich wil nemen. De door de vader verzochte toestemming om [minderjarige] te erkennen past binnen de lijn die vanaf de geboorte van [minderjarige] is ingezet. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat de rol van de vader in het belang van [minderjarige] moet worden geformaliseerd in die zin dat hij juridisch ouder wordt van [minderjarige] en hij het gezag over haar verkrijgt, nu hij de volledige verantwoordelijkheid draagt voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
4.2
Mr. Türk stelt dat zij het verzoek van de Raad meermaals en grondig met de moeder heeft doorgesproken. Ook heeft de moeder uitgebreid met [hulpverlening] en de Raad gesproken over haar situatie en de consequenties van haar besluit om afstand te doen van [minderjarige] . Zij heeft daarbij steeds consequent aangegeven dat zij achter de ingezette lijn staat, in die zin dat de vader de verantwoordelijkheid voor en de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich neemt. Het verzoek van de Raad sluit hier volledig op aan. Dit is dan ook de reden dat de moeder niet naar de zitting is gekomen om nogmaals haar standpunt kenbaar te maken. De moeder vindt dat zij in een dusdanige instabiele situatie verkeert, zowel psychisch als in praktische zin, dat zij niet in staat is om goed voor [minderjarige] te zorgen en om het gezag over haar uit te oefenen. De moeder wil graag dat zij ontlast wordt van deze verantwoordelijkheid over [minderjarige] en dat de vader voortaan als dagelijkse opvoeder van [minderjarige] de voor [minderjarige] noodzakelijke beslissingen kan nemen. Het geniet de voorkeur van de moeder dat de vader deze bevoegdheid wordt gegeven door hem met het gezag te belasten en anders door hem te benoemen als voogd over [minderjarige] , zolang de erkenning nog niet heeft plaatsgevonden. De moeder refereert zich aan het oordeel van de rechtbank op dit punt, al hoopt zij dat voogdij als tussenstap niet nodig hoeft te zijn. Het is belangrijk dat de feitelijke situatie geformaliseerd wordt, in die zin dat de vader de juridische ouder van [minderjarige] wordt en het gezag over haar verkrijgt. De mogelijkheid voor ouders om de erkenning van [minderjarige] door de vader samen bij de gemeente te regelen is niet aan de orde gekomen vanwege het traject dat reeds was ingezet. Mr. Türk is bereid deze optie voor te leggen aan de moeder, aangezien dit in het belang van [minderjarige] de snelste en meest aangewezen manier is om het juridisch ouderschap van de vader te regelen. Tevens biedt dit de snelste mogelijkheid om het gezag te kunnen overdragen aan de vader. Zij zal de uitkomst hiervan terugkoppelen aan de rechtbank. Voorts stelt mr. Türk dat de moeder ervoor heeft gekozen om op dit moment geen contact te hebben met [minderjarige] . Zij gunt [minderjarige] de rust en de ruimte om zich te hechten aan de vader en zijn familie. De moeder begrijpt dat het voor [minderjarige] belangrijk is om te weten van wie zij afstamt. [minderjarige] kan daarom altijd bij haar terecht indien zij vragen heeft. Dit geldt ook voor de vader.
4.3
De vader heeft direct nadat de moeder hem heeft geïnformeerd over de geboorte van [minderjarige] aangegeven dat hij voor [minderjarige] wil zorgen als de moeder hiertoe geen mogelijkheid ziet. Ondanks het zeer onverwachte bericht dat hij een dochter heeft, is haar komst zeker niet ongewenst. In goed overleg met de moeder en de voogd woont [minderjarige] sinds half augustus 2024 bij hem. [minderjarige] ontwikkelt zich hier goed en is inmiddels volledig opgenomen in zijn gezin. De vader zou graag zien dat zijn vaderrol geformaliseerd wordt, mede ook in het belang van [minderjarige] , in die zin dat hij [minderjarige] kan erkennen en dat hij belast wordt met het gezag over haar. Indien het nog niet mogelijk is om hem te belasten met het gezag, omdat de erkenning nog niet heeft plaatsgevonden, is hij bereid de voogdij over [minderjarige] op zich te nemen als het gezag van de moeder wordt beëindigd. De vader vindt het belangrijk dat [minderjarige] haar beide ouders mag zien als zij dat wil en dat geldt ook andersom. De vader informeert de moeder met regelmaat over [minderjarige] en stuurt dan af en toe een foto van haar mee.
4.4
De GI staat achter de verzoeken van de Raad. De ingezette lijn is steeds in goed overleg gegaan met alle betrokkenen. [minderjarige] kan verder opgroeien bij haar vader.
Beoordeling
5.1
Op grond van artikel 1: 266, eerste lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
5.2
Blijkens de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna EHRM) op basis van artikel 8 EVRM is de maatstaf voor een gezagsbeëindiging een andere dan die van de wetgever in artikel 1:266 BW. Bij artikel 1:266 BW is blijkens de memorie van toelichting ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid over in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Voorts vereist artikel 8 van het EVRM niet alleen dat de maatregel bij de wet is voorzien en dus niet willekeurig wordt genomen, maar ook dat, indien het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, deze verkozen dient te worden boven de zwaardere maatregel. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de maatregel, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat met de maatregel wordt nagestreefd. (aldus de Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, 32 015, nr. 3, blz. 34).
5.3
Daar waar onze wetgever ervan uitgaat dat het gezag reeds beëindigd kan worden als de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn de verzorging en opvoeding van het kind op zich te nemen, is het EHRM van oordeel dat slechts sprake kan zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag op het moment dat gebleken is dat voortzetting van de familieband schadelijk is voor het kind (EHRM 6 oktober 2015 N.P./Moldavië, 58455/13, rechtsoverweging 65 en 66). In latere jurisprudentie van het EHRM (waaronder EHRM 30 november 2017, Strand Lobben/Noorwegen nr. 37283/13) wordt deze lijn bevestigd.
5.4
Niet is gebleken dat de moeder het gezag over [minderjarige] misbruikt. Wel vindt de rechtbank dat er sprake is van de eerste grond voor de beëindiging van het gezag van de moeder. Ook is voldaan aan de vereisten die artikel 8 EVRM stelt aan een gezagsbeëindiging. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige] namelijk geschaad als de moeder haar gezag behoudt. De rechtbank zal uitleggen waarom zij tot dit oordeel komt.
5.4
Na een kortstondig contact met de heer [de vader] is de moeder ongepland en ongewenst zwanger geraakt. De moeder ontdekte haar zwangerschap in een voor een abortus te laat stadium. De moeder heeft zich gewend tot het [hulpverlening] in verband met haar voornemen om afstand te doen van haar kindje. De moeder had geen contact met de verwekker van haar kindje, wilde dit zo houden en achtte zich niet in staat om de verantwoordelijkheid te dragen over haar kindje en om voor haar kindje te zorgen. De moeder was van mening dat het haar ontbreekt aan stabiliteit in haar leven, omdat zij in een kraakpand woont, geen inkomen heeft en met regelmaat middelen (heeft) gebruikt. Daarnaast voelt de moeder zich mentaal niet in staat om het moederschap vorm te geven. Het [hulpverlening] heeft vervolgens de keuzemogelijkheden goed doorgesproken met de moeder. Na de geboorte van [minderjarige] is de moeder niet tot een ander besluit gekomen, in die zin dat zij zelf voor [minderjarige] zou willen zorgen. Wel heeft zij besloten om de biologische vader op de hoogte te stellen van het bestaan van [minderjarige] . Ondanks de schrik van dit onverwachte bericht heeft de vader direct aangegeven voor [minderjarige] te willen zorgen. In goed overleg met alle betrokkenen is vervolgens hierop ingezet met als gevolg dat [minderjarige] sinds medio augustus 2024 bij de vader en zijn gezin woont.
5.5
De rechtbank stelt vast dat er sprake is van een uitzonderlijke situatie, waarin inmiddels goed overleg met alle betrokkenen vorm is gegeven aan de wens en behoefte van de moeder om geen invulling te geven aan haar ouderschap. Vast staat, naar het oordeel van de rechtbank, dat wanneer wordt gekeken naar het gezag van de moeder sprake is van een ontwikkelingsdreiging, nu de moeder sinds de geboorte van [minderjarige] geen invulling geeft aan het gezag over [minderjarige] . Vast staat ook dat de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet (binnen voor [minderjarige] aanvaardbare termijn) kan en wil dragen. De rechtbank is daarom met de Raad en alle betrokkenen van oordeel dat het beëindigen van het gezag van de moeder in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. Het hiertoe strekkende verzoek van de Raad zal daarom worden toegewezen.
5.6
Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe leidt dat er sprake is van een gezagsvacuüm, dient de rechtbank te beoordelen welke gezagsvoorziening het meest in het belang van [minderjarige] wordt geacht. De Raad verzoekt om de vader te belasten met het gezag over [minderjarige] als het gezag van de moeder wordt beëindigd. Dit is alleen mogelijk als het juridische ouderschap van de vader vaststaat, in die zin dat hij [minderjarige] heeft erkend als zijn kind. Omdat hier nog geen sprake van was ten tijde van de mondelinge behandeling, heeft de rechtbank dit aan de vader en de advocaat van de moeder tijdens die mondelinge behandeling voorgehouden, mede gezien de wens van alle betrokkenen om zo spoedig mogelijk de huidige situatie te formaliseren. Omdat de ingezette lijn om [minderjarige] bij de vader te laten opgroeien in goede harmonie heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank de ouders in de gelegenheid gesteld om te onderzoeken of zij ook de mogelijkheid zagen om zich samen tot de gemeente te wenden om de erkenning van [minderjarige] te bewerkstelligen. De rechtbank stelt op basis van de ontvangen stukken vast dat dit de ouders is gelukt en dat de vader op 20 januari 2025 met toestemming van de moeder [minderjarige] heeft erkend. Ook zijn zij bij die erkenning overeengekomen dat [minderjarige] voortaan de geslachtsnaam ‘ [de vader] ’ zal dragen. Omdat er ten tijde van de erkenning sprake was van een voogdijmaatregel, leidt dit niet van rechtswege tot gezamenlijk gezag (artikel 1:251b lid 1 sub a BW). De erkenning heeft wel tot gevolg dat de vader inmiddels de bevoegdheid heeft verkregen om met het gezag te worden belast.
5.7
[minderjarige] woont sinds medio augustus 2024 volledig bij haar vader en zijn gezin. De vader heeft de volledige verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich genomen. De meest passende maatregel is naar het oordeel van de rechtbank dan ook dat de feitelijke situatie in overeenstemming wordt gebracht met de juridische. [minderjarige] doet het goed binnen het gezin van de vader en hij is in staat om aan te sluiten bij haar opvoedbehoeften. Ook staat hij open voor contact met de moeder en, indien daar behoefte aan is, voor contact tussen [minderjarige] en haar moeder. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de vader het gezag over [minderjarige] verkrijgt, zodat het voor hem mogelijk is om in alle opzichten invulling te geven aan zijn vaderrol en om als dagelijkse opvoeder van [minderjarige] te kunnen beslissen over haar waar nodig. De rechtbank zal het verzoek van de Raad op dit punt dan ook toewijzen.
Dictum
De rechtbank
beëindigt het ouderlijk gezag van de moeder, [de moeder] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 1990, over de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2024;
belast de vader, [de vader] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 1986, met het ouderlijk gezag over de voornoemde minderjarige;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Hendriks, voorzitter tevens kinderrechter, mr. De Beer en mr. Roose, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2025 in aanwezigheid van W. Bakker-Maljers, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden,
binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking
aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch .