Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-09-03
ECLI:NL:RBZWB:2025:5981
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,322 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11587927 \ CV EXPL 25-887
Vonnis van 3 september 2025
in de zaak van
NS REIZIGERS B.V.,
te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: NS Reizigers,
gemachtigde: LAVG Groningen,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
1.1.
In deze zaak gaat het om de vraag of [gedaagde] naast de hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, tevens buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten aan NS Reizigers verschuldigd is.
1.2.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] wel de buitengerechtelijke incassokosten, maar niet de proceskosten aan NS Reizigers verschuldigd is. Hieronder legt de kantonrechter dit oordeel uit.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;- de conclusie van antwoord;- de akte van NS Reizigers;- de antwoordakte van [gedaagde] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
3.1.
NS Reizigers vordert -samengevat- veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 171,65, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de door NS Reizigers gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De door NS Reizigers gevorderde hoofdsom van € 131,65 is als niet, althans onvoldoende weersproken toewijsbaar. De medegevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding (10 februari 2025) is als op de wet gegrond en onvoldoende weersproken eveneens toewijsbaar. De kantonrechter heeft ambtshalve (dus zonder dat daar een beroep op wordt gedaan door [gedaagde] ) getoetst of NS Reizigers heeft voldaan aan de wettelijke informatieplichten die gelden in consumentenzaken. Dat moet zij doen. Hier heeft de kantonrechter gekeken naar de totstandkoming van de abonnementen en of NS Reizigers zich daarbij aan de (pre)contractuele informatieplichten heeft gehouden. De kantonrechter oordeelt dat dat zo is.
4.2.
NS Reizigers vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. NS Reizigers heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 40,00 worden toegewezen.
4.3
Als uitgangspunt heeft te gelden dat [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van NS Reizigers dient de dragen. De kantonrechter heeft echter op grond van artikel 237 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de bevoegdheid de kosten die nodeloos zijn aangewend of veroorzaakt voor rekening van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte te laten.
4.4.
NS Reizigers stelt en uit de bij dagvaarding overgelegde stukken blijkt dat de gemachtigde van NS Reizigers [gedaagde] bij brief van 22 maart 2024 tot betaling van de hoofdsom van € 131,65 heeft gesommeerd. Tevens heeft de gemachtigde van NS Reizigers [gedaagde] in deze brief aangezegd dat hij bij niet tijdige betaling tevens een bedrag van
€ 40,- aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. [gedaagde] heeft niet op deze brief gereageerd, ook is hij niet tot (tijdige) betaling van het door hem verschuldigde bedrag overgegaan.
4.5.
NS Reizigers heeft [gedaagde] vervolgens op 10 februari 2025 tegen de zitting van 19 maart 2025 gedagvaard.
4.6.
Aan [gedaagde] kan weliswaar worden tegengeworpen dat hij niet op de (sommatie)brief van NS Reizigers van 22 maart 2024 heeft gereageerd, maar de gemachtigde van NS Reizigers heeft in deze brief ook niet gewaarschuwd dat indien hij niet zou betalen er een dagvaarding zou worden uitgebracht.
4.7.
De kantonrechter overweegt dat NS Reizigers door de hiervoor genoemde handelwijze bij [gedaagde] de mogelijkheid heeft ontnomen om voorafgaand aan deze procedure de hoofdsom, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten aan NS Reizigers te voldoen.
4.8.
Zeker gezien het tijdsverloop tussen 22 maart 2024 en 10 februari 2025 lag het op de weg van (de gemachtigde van) NS Reizigers om voorafgaand aan de dagvaarding nogmaals een sommatiebrief aan [gedaagde] te sturen, waarin duidelijk is vermeld welk bedrag [gedaagde] aan NS Reizigers verschuldigd is, wanneer dit bedrag moet zijn voldaan en NS Reizigers bij niet tijdige betaling tot dagvaarding zal overgaan.
4.9.
De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de proceskosten nodeloos door NS Reizigers zijn gemaakt. De proceskosten zullen dan ook voor rekening worden gelaten van de partij die deze kosten heeft veroorzaakt. Dit betekent dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan NS Reizigers te betalen een bedrag van € 131,65, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan NS Reizigers te betalen een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2025.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11587927 \ CV EXPL 25-887
Vonnis van 3 september 2025
in de zaak van
NS REIZIGERS B.V.,
te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: NS Reizigers,
gemachtigde: LAVG Groningen,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1De zaak in het kort
1.1.
In deze zaak gaat het om de vraag of [gedaagde] naast de hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente, tevens buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten aan NS Reizigers verschuldigd is.
1.2.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] wel de buitengerechtelijke incassokosten, maar niet de proceskosten aan NS Reizigers verschuldigd is. Hieronder legt de kantonrechter dit oordeel uit.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;- de conclusie van antwoord;- de akte van NS Reizigers;- de antwoordakte van [gedaagde] .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
3.1.
NS Reizigers vordert -samengevat- veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 171,65, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de door NS Reizigers gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De door NS Reizigers gevorderde hoofdsom van € 131,65 is als niet, althans onvoldoende weersproken toewijsbaar. De medegevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding (10 februari 2025) is als op de wet gegrond en onvoldoende weersproken eveneens toewijsbaar. De kantonrechter heeft ambtshalve (dus zonder dat daar een beroep op wordt gedaan door [gedaagde] ) getoetst of NS Reizigers heeft voldaan aan de wettelijke informatieplichten die gelden in consumentenzaken. Dat moet zij doen. Hier heeft de kantonrechter gekeken naar de totstandkoming van de abonnementen en of NS Reizigers zich daarbij aan de (pre)contractuele informatieplichten heeft gehouden. De kantonrechter oordeelt dat dat zo is.
4.2.
NS Reizigers vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. NS Reizigers heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 40,00 worden toegewezen.
4.3
Als uitgangspunt heeft te gelden dat [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van NS Reizigers dient de dragen. De kantonrechter heeft echter op grond van artikel 237 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de bevoegdheid de kosten die nodeloos zijn aangewend of veroorzaakt voor rekening van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte te laten.
4.4.
NS Reizigers stelt en uit de bij dagvaarding overgelegde stukken blijkt dat de gemachtigde van NS Reizigers [gedaagde] bij brief van 22 maart 2024 tot betaling van de hoofdsom van € 131,65 heeft gesommeerd. Tevens heeft de gemachtigde van NS Reizigers [gedaagde] in deze brief aangezegd dat hij bij niet tijdige betaling tevens een bedrag van
€ 40,- aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd is. [gedaagde] heeft niet op deze brief gereageerd, ook is hij niet tot (tijdige) betaling van het door hem verschuldigde bedrag overgegaan.
4.5.
NS Reizigers heeft [gedaagde] vervolgens op 10 februari 2025 tegen de zitting van 19 maart 2025 gedagvaard.
4.6.
Aan [gedaagde] kan weliswaar worden tegengeworpen dat hij niet op de (sommatie)brief van NS Reizigers van 22 maart 2024 heeft gereageerd, maar de gemachtigde van NS Reizigers heeft in deze brief ook niet gewaarschuwd dat indien hij niet zou betalen er een dagvaarding zou worden uitgebracht.
4.7.
De kantonrechter overweegt dat NS Reizigers door de hiervoor genoemde handelwijze bij [gedaagde] de mogelijkheid heeft ontnomen om voorafgaand aan deze procedure de hoofdsom, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten aan NS Reizigers te voldoen.
4.8.
Zeker gezien het tijdsverloop tussen 22 maart 2024 en 10 februari 2025 lag het op de weg van (de gemachtigde van) NS Reizigers om voorafgaand aan de dagvaarding nogmaals een sommatiebrief aan [gedaagde] te sturen, waarin duidelijk is vermeld welk bedrag [gedaagde] aan NS Reizigers verschuldigd is, wanneer dit bedrag moet zijn voldaan en NS Reizigers bij niet tijdige betaling tot dagvaarding zal overgaan.
4.9.
De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de proceskosten nodeloos door NS Reizigers zijn gemaakt. De proceskosten zullen dan ook voor rekening worden gelaten van de partij die deze kosten heeft veroorzaakt. Dit betekent dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan NS Reizigers te betalen een bedrag van € 131,65, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 10 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan NS Reizigers te betalen een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.3.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dijkman en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2025.