Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-08-26
ECLI:NL:RBZWB:2025:5976
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
7,022 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/437436 / JE RK 25-1235
Datum uitspraak: 26 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
beiden wonende in [plaats 1] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 juli 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader en de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 augustus 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 30 augustus 2024 tot 30 augustus 2025 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder dan wel in een pleeggezin verleend met ingang van 30 augustus 2024 tot 30 augustus 2025.
2.3.
[minderjarige] verblijft inmiddels bij [accommodatie] in [plaats 2] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoeken aangegeven dat [minderjarige] sinds 14 november 2024 op de behandelgroep van [accommodatie] verblijft. Daar wordt de methode ‘Slapende honden’ toegepast, in voorbereiding op de door haar te volgen traumatherapie. [minderjarige] is gestart met PMT om haar grenzen te leren aangeven en om te gaan met negatieve gevoelens. Ook krijgt ze ‘Girls talk’. [minderjarige] krijgt nog ambulante begeleiding vanuit [jeugdhulp] . Zij doet het goed op de groep. Zij is zelfstandig, voert haar taken goed uit en gaat naar school. Als het echter niet goed met haar gaat, dan gaat zij uit verbinding met de hulpverleners. Zij is dan ook beïnvloedbaar en raakt als gevolg daarvan betrokken bij incidenten. Zij heeft nog moeite met het aangeven van haar grenzen. Verlenging van de maatregelen is nodig om de behandeling op de groep voort te zetten en de stabiliteit en vooruitgang te waarborgen. [minderjarige] heeft een groot loyaliteitsgevoel naar haar ouders. Ze vindt het daardoor lastig om haar keuzes en grenzen aan te geven richting haar ouders en zich te richten op haar eigen ontwikkeling. Ze wil graag dat de hulpverleners voor haar de keuzes maken richting haar ouders, zodat zij onbelast contact met hen kan hebben. De ouders hebben ambulante begeleiding van [jeugdhulp] gehad. Er zijn positieve stappen gezet, waardoor er minder ruzies zijn in het bijzijn van [minderjarige] en er regels worden gesteld passend bij haar leeftijd. De ouders sluiten echter nog steeds onvoldoende aan bij wat [minderjarige] nodig heeft en geven haar onvoldoende de ruimte voor haar eigen ontwikkeling. Het advies van [accommodatie] is om [minderjarige] door te laten stromen naar zelfstandigheidstraining. [minderjarige] vindt het moeilijk om aan te geven wat zij daarin wil en wisselt in haar keuze. Zij staat al op de wachtlijst voor de zelfstandigheidstraining, maar het intakegesprek is verzet naar volgende maand.
4.2.
De ouders hebben aangegeven dat door de GI is medegedeeld dat [minderjarige] voorlopig nog niet naar huis zal komen. Ze zijn het daar niet mee eens. De dynamiek tussen [minderjarige] en de ouders is verbeterd. Ze willen dat [minderjarige] uiteindelijk weer thuis komt wonen. Ze begrijpen niet wat het betekent als [minderjarige] naar zelfstandigheidstraining gaat. De samenwerking met de GI en met de hulpverlening is goed.
4.3.
[minderjarige] heeft bij de kinderrechter aangegeven dat ze het niet prettig vindt op de groep. Ze vindt het heel onrustig. Ze wil daarom zo snel mogelijk weg van de groep. Ze was erg teleurgesteld dat het intakegesprek voor de zelfstandigheidstraining is verzet. Op school liep het ook niet lekker. Ze heeft aangegeven het liefst naar huis te willen.
Beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) is voldaan.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarig zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende worden geaccepteerd door hen worden geaccepteerd, enb. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid BW de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) is voldaan.
Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de GI (belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Er is nog steeds sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Zowel [minderjarige] als de ouders hebben positieve stappen gezet. De doelen binnen de ondertoezichtstelling zijn echter nog niet behaald. [minderjarige] moet nog een verdere behandeling volgen om uiteindelijk toe te komen aan traumaverwerking voor hetgeen zij in het verleden met haar ouders heeft meegemaakt. De ouders sluiten nog steeds onvoldoende aan bij wat [minderjarige] nodig heeft. De verhouding tussen [minderjarige] en de ouders blijkt ingewikkeld, omdat het voor [minderjarige] erg moeilijk is haar grenzen aan te geven, terwijl de ouders de neiging hebben over haar grenzen te gaan. Hierdoor zit [minderjarige] klem tussen haar ouders het maken van haar eigen keuzes.
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Gezien wordt dat ouders nog geregeld niet op één lijn zitten. Bovendien zijn ze niet altijd betrouwbaar voor de hulpverlening gebleken bijvoorbeeld dat zij toestemming geven voor iets maar achteraf [minderjarige] belasten dat ze het er niet mee eens zijn. De ondertoezichtstelling is derhalve nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] dan ook voor de duur van een jaar.
5.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. Vanwege de zorgen over de opvoedomgeving en de dynamiek tussen [minderjarige] en de ouders kan [minderjarige] op dit moment niet thuis wonen. Ze krijgt haar behandeling ook op de groep. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] wel nodig dat zij op korte termijn duidelijkheid gaat krijgen waar zij verder op zal groeien. [minderjarige] wordt immers binnen een half jaar al zeventien jaar. De kinderrechter vindt de uitspraken van [minderjarige] dat zij niet lekker in haar vel zit en het te onrustig vindt op de groep zorgelijk, met name gezien het feit dat zij echt haar best doet om alles wat van haar wordt gevraagd goed te doen. De kinderrechter vindt het daarom voor haar belangrijk dat gekeken kan worden of zij in het weekend bij de ouders kan verblijven om haar dan meer rust te bieden van de groep, mits dit in het belang van [minderjarige] is en de interactie met de ouders goed verloopt. Tijdens de zitting is gebleken dat ook de ouders behoefte hebben aan duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] . De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van zes maanden en het verdere verzoek aanhouden tot een nader te plannen zitting. De kinderrechter verzoekt de GI om in de komende tijd met [minderjarige] en de ouders duidelijkheid te krijgen over haar perspectief.
5.6.
Aangezien het zittingsrooster van de rechtbank het niet toelaat om op dit moment een nadere dag en tijdstip te agenderen waarop de volgende zitting plaats zal vinden, zal de zaak worden aangehouden tot de hieronder genoemde pro forma datum. De zaak zal daarna op zitting worden gepland. [minderjarige] zal dan ook weer in de gelegenheid worden gesteld haar mening te geven.
5.7.
De kinderrechter vraagt de GI om uiterlijk twee weken voor de volgende zitting een schriftelijk verslag uit te brengen over het verloop van de maatregelen, de hulpverlening en de plaatsing van [minderjarige] .
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 30 augustus 2025 tot 30 augustus 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 augustus 2025 tot 28 februari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het resterende verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan tot dinsdag 6 januari 2026 pro forma en verzoekt de griffier van de rechtbank om deze zaak uiterlijk op deze pro forma datum, met inachtneming van eventuele verhinderdata van partijen en de afloopdatum van de machtiging tot uithuisplaatsing zoals hiervoor weergegeven, te plannen op een nader te bepalen zitting en de GI en de ouders hiervoor op te roepen én [minderjarige] in de gelegenheid te stellen haar mening te geven door haar uit te nodigen voor een gesprek met de kinderrechter;
6.5.
verzoekt aan de GI om uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zitting schriftelijk verslag uit te brengen;
6.6.
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2025 door mr. Jansen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 5 september 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/437436 / JE RK 25-1235
Datum uitspraak: 26 augustus 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
beiden wonende in [plaats 1] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 juli 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader en de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 augustus 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 30 augustus 2024 tot 30 augustus 2025 en is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder dan wel in een pleeggezin verleend met ingang van 30 augustus 2024 tot 30 augustus 2025.
2.3.
[minderjarige] verblijft inmiddels bij [accommodatie] in [plaats 2] .
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoeken aangegeven dat [minderjarige] sinds 14 november 2024 op de behandelgroep van [accommodatie] verblijft. Daar wordt de methode ‘Slapende honden’ toegepast, in voorbereiding op de door haar te volgen traumatherapie. [minderjarige] is gestart met PMT om haar grenzen te leren aangeven en om te gaan met negatieve gevoelens. Ook krijgt ze ‘Girls talk’. [minderjarige] krijgt nog ambulante begeleiding vanuit [jeugdhulp] . Zij doet het goed op de groep. Zij is zelfstandig, voert haar taken goed uit en gaat naar school. Als het echter niet goed met haar gaat, dan gaat zij uit verbinding met de hulpverleners. Zij is dan ook beïnvloedbaar en raakt als gevolg daarvan betrokken bij incidenten. Zij heeft nog moeite met het aangeven van haar grenzen. Verlenging van de maatregelen is nodig om de behandeling op de groep voort te zetten en de stabiliteit en vooruitgang te waarborgen. [minderjarige] heeft een groot loyaliteitsgevoel naar haar ouders. Ze vindt het daardoor lastig om haar keuzes en grenzen aan te geven richting haar ouders en zich te richten op haar eigen ontwikkeling. Ze wil graag dat de hulpverleners voor haar de keuzes maken richting haar ouders, zodat zij onbelast contact met hen kan hebben. De ouders hebben ambulante begeleiding van [jeugdhulp] gehad. Er zijn positieve stappen gezet, waardoor er minder ruzies zijn in het bijzijn van [minderjarige] en er regels worden gesteld passend bij haar leeftijd. De ouders sluiten echter nog steeds onvoldoende aan bij wat [minderjarige] nodig heeft en geven haar onvoldoende de ruimte voor haar eigen ontwikkeling. Het advies van [accommodatie] is om [minderjarige] door te laten stromen naar zelfstandigheidstraining. [minderjarige] vindt het moeilijk om aan te geven wat zij daarin wil en wisselt in haar keuze. Zij staat al op de wachtlijst voor de zelfstandigheidstraining, maar het intakegesprek is verzet naar volgende maand.
4.2.
De ouders hebben aangegeven dat door de GI is medegedeeld dat [minderjarige] voorlopig nog niet naar huis zal komen. Ze zijn het daar niet mee eens. De dynamiek tussen [minderjarige] en de ouders is verbeterd. Ze willen dat [minderjarige] uiteindelijk weer thuis komt wonen. Ze begrijpen niet wat het betekent als [minderjarige] naar zelfstandigheidstraining gaat. De samenwerking met de GI en met de hulpverlening is goed.
4.3.
[minderjarige] heeft bij de kinderrechter aangegeven dat ze het niet prettig vindt op de groep. Ze vindt het heel onrustig. Ze wil daarom zo snel mogelijk weg van de groep. Ze was erg teleurgesteld dat het intakegesprek voor de zelfstandigheidstraining is verzet. Op school liep het ook niet lekker. Ze heeft aangegeven het liefst naar huis te willen.
Beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:260 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de ondertoezichtstelling (zoals beschreven in artikel 1:255 eerste lid BW) is voldaan.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid BW een minderjarige onder toezicht stellen van een GI wanneer die minderjarig zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende worden geaccepteerd door hen worden geaccepteerd, enb. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
5.2.
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:265c tweede lid BW de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar, als aan de grond van de uithuisplaatsing (zoals beschreven in artikel 1:265b eerste lid BW) is voldaan.
Als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid kan de kinderrechter op grond van artikel 1:265b eerste lid BW de GI (belast met de ondertoezichtstelling) op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Er is nog steeds sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Zowel [minderjarige] als de ouders hebben positieve stappen gezet. De doelen binnen de ondertoezichtstelling zijn echter nog niet behaald. [minderjarige] moet nog een verdere behandeling volgen om uiteindelijk toe te komen aan traumaverwerking voor hetgeen zij in het verleden met haar ouders heeft meegemaakt. De ouders sluiten nog steeds onvoldoende aan bij wat [minderjarige] nodig heeft. De verhouding tussen [minderjarige] en de ouders blijkt ingewikkeld, omdat het voor [minderjarige] erg moeilijk is haar grenzen aan te geven, terwijl de ouders de neiging hebben over haar grenzen te gaan. Hierdoor zit [minderjarige] klem tussen haar ouders het maken van haar eigen keuzes.
5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Gezien wordt dat ouders nog geregeld niet op één lijn zitten. Bovendien zijn ze niet altijd betrouwbaar voor de hulpverlening gebleken bijvoorbeeld dat zij toestemming geven voor iets maar achteraf [minderjarige] belasten dat ze het er niet mee eens zijn. De ondertoezichtstelling is derhalve nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] dan ook voor de duur van een jaar.
5.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. Vanwege de zorgen over de opvoedomgeving en de dynamiek tussen [minderjarige] en de ouders kan [minderjarige] op dit moment niet thuis wonen. Ze krijgt haar behandeling ook op de groep. De kinderrechter vindt het in het belang van [minderjarige] wel nodig dat zij op korte termijn duidelijkheid gaat krijgen waar zij verder op zal groeien. [minderjarige] wordt immers binnen een half jaar al zeventien jaar. De kinderrechter vindt de uitspraken van [minderjarige] dat zij niet lekker in haar vel zit en het te onrustig vindt op de groep zorgelijk, met name gezien het feit dat zij echt haar best doet om alles wat van haar wordt gevraagd goed te doen. De kinderrechter vindt het daarom voor haar belangrijk dat gekeken kan worden of zij in het weekend bij de ouders kan verblijven om haar dan meer rust te bieden van de groep, mits dit in het belang van [minderjarige] is en de interactie met de ouders goed verloopt. Tijdens de zitting is gebleken dat ook de ouders behoefte hebben aan duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] . De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verlengen voor de duur van zes maanden en het verdere verzoek aanhouden tot een nader te plannen zitting. De kinderrechter verzoekt de GI om in de komende tijd met [minderjarige] en de ouders duidelijkheid te krijgen over haar perspectief.
5.6.
Aangezien het zittingsrooster van de rechtbank het niet toelaat om op dit moment een nadere dag en tijdstip te agenderen waarop de volgende zitting plaats zal vinden, zal de zaak worden aangehouden tot de hieronder genoemde pro forma datum. De zaak zal daarna op zitting worden gepland. [minderjarige] zal dan ook weer in de gelegenheid worden gesteld haar mening te geven.
5.7.
De kinderrechter vraagt de GI om uiterlijk twee weken voor de volgende zitting een schriftelijk verslag uit te brengen over het verloop van de maatregelen, de hulpverlening en de plaatsing van [minderjarige] .
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 30 augustus 2025 tot 30 augustus 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 augustus 2025 tot 28 februari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van het resterende verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan tot dinsdag 6 januari 2026 pro forma en verzoekt de griffier van de rechtbank om deze zaak uiterlijk op deze pro forma datum, met inachtneming van eventuele verhinderdata van partijen en de afloopdatum van de machtiging tot uithuisplaatsing zoals hiervoor weergegeven, te plannen op een nader te bepalen zitting en de GI en de ouders hiervoor op te roepen én [minderjarige] in de gelegenheid te stellen haar mening te geven door haar uit te nodigen voor een gesprek met de kinderrechter;
6.5.
verzoekt aan de GI om uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen zitting schriftelijk verslag uit te brengen;
6.6.
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2025 door mr. Jansen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 5 september 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.