Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-25
ECLI:NL:RBZWB:2025:5954
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
2,531 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11580966 \ CV EXPL 25-1106
Vonnis van 25 juni 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: LegalSteps B.V.,
tegen
[gedaagde], M.H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
*in het kort*
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 maart 2025
- de aanvullende producties 13 en 14 van [eiser].
- de mondelinge behandeling van 14 mei 2025, waarbij [gedaagde] – ondanks deugdelijk te zijn opgeroepen – niet aanwezig was en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
Partijen hebben op 30 januari 2023 een overeenkomst gesloten voor de reparatie van de BMW Mini Cooper van [eiser] (hierna te noemen: de Mini Cooper) door [gedaagde]. Kort gezegd betrof de overeengekomen reparatie het leveren en monteren van een nieuwe koppelingset en een nieuw 2-massa-vliegwiel en het vernieuwen van de versnellingsbakolie tegen een totaalbedrag van € 1.100,00 inclusief btw. [eiser] heeft voormeld bedrag aan [gedaagde] betaald bij het ophalen van de Mini Cooper op of omstreeks 31 januari 2023.
2.2.
Wegens problemen met de Mini Cooper is [eiser] op 11 december 2024 teruggegaan naar [gedaagde]. [gedaagde] heeft vervolgens de Mini Cooper gerepareerd en brengt daarvoor bij factuur van 19 december 2024 € 1,272,95 bij [eiser] in rekening. Op de betreffende factuur staat onder meer vermeld 1x vliegwiel, 1x koppeling en 1x versnellingsbakolie.
2.3.
[eiser] weigert om voormelde factuur van 19 december 2024 te betalen en [gedaagde] weigert om de auto terug te geven aan [eiser].
Geschil
3.1.
[eiser] vordert – samengevat, althans zo begrijpt de kantonrechter – om:
- [gedaagde] te veroordelen tot:
- teruggave van de Mini Cooper aan [eiser];
- vergoeding van de door [eiser] gemaakte kosten van de leenauto van € 285,00 per week vanaf 19 december 2024 (per 13 februari 2025 begroot op € 2.280,00), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2025;
- betaling van een vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 342,00
- te verklaren voor recht:
- dat [eiser] de factuur van 19 december 2024 niet verschuldigd is;
- dat [gedaagde] geen recht heeft op (vergoeding van) stallingskosten;
een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] heeft schriftelijk verweer gevoerd.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
[eiser] stelt dat hij de factuur van 19 december 2024 niet verschuldigd is wegens de volgens hem geldende garantie van twee jaar. [eiser] beroept zich hierbij onder meer op productie 9 bij dagvaarding en op de door hem gegeven toelichting op dit punt tijdens de mondelinge behandeling van 14 mei 2025. Zo verklaarde [eiser] tijdens de mondelinge behandeling dat [gedaagde] in december 2024 zelf zei dat de reparatie onder de garantie zou vallen. [gedaagde] heeft dit niet kunnen weerspreken omdat hij ervoor heeft gekozen om niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn.
4.2.
Op grond van het voorgaande staat als niet (voldoende) weersproken vast dat de reparatie van december 2024 onder de geldende garantie valt en dus – in beginsel – kosteloos uitgevoerd moest worden. [gedaagde] voert – in de correspondentie – echter als (bevrijdend) verweer dat de schade in dit geval toch voor rekening van [eiser] komt, omdat de schade aan de (auto)onderdelen veroorzaakt is door abnormaal rijgedrag van [eiser]. Dat wordt door [eiser] gemotiveerd betwist en voor zover [gedaagde] deze stelling in de procedure handhaaft, heeft hij de betreffende stelling niet (voldoende) onderbouwd.
4.3.
Het voorgaande brengt mee dat de [eiser] de factuur van 19 december 2024 niet verschuldigd is en dat [gedaagde] gehouden was om de gerepareerde Mini Cooper – inclusief nieuwe koppelingset, nieuw 2-massa-vliegwiel en versnellingsbakolie – op 19 december 2024 kosteloos aan [eiser] terug te geven. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan en [eiser] stelt dat hij hierdoor schade lijdt, bestaande uit de huurkosten van een vervangende auto ten bedrage van € 285,00 per week vanaf 19 december 2024 (per 13 februari 2025 begroot op € 2.280,00). [eiser] heeft de betreffende schade onderbouwd met onder meer een bericht van de autogarage en een toelichting daarop tijdens de mondelinge behandeling. [gedaagde] heeft de betreffende schade niet weersproken. Daarom is de gevorderde schadevergoeding in beginsel toewijsbaar. Echter, op grond van artikel 6:109 lid 1 BW heeft de kantonrechter de mogelijkheid om deze schadevergoeding te matigen, indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Mede gelet op de navolgende omstandigheden zal de kantonrechter de gevorderde schadevergoeding matigen tot een bedrag van € 2.000,00:
- de verhouding tussen de schade en het factuurbedrag;
- eventuele alternatieven van [eiser] om tijdelijk een vervangende auto te verkrijgen;
- de keuze van [eiser] om de in geschil zijnde factuur niet onder protest te betalen om zijn auto terug te krijgen;
- het feit dat [eiser] de auto heeft gehuurd bij zijn vaste garage en de de huurkosten pas achteraf hoeft te betalen, zoals [eiser] heeft verklaard tijdens de mondelinge behandeling;
4.4.
De gevorderde wettelijke rente over de schadevergoeding is niet toewijsbaar aangezien [eiser] de huurkosten pas achteraf hoeft te betalen en (dus) nog niet heeft betaald.
4.5.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Bij deze vordering geldt het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, met dien verstande dat [eiser] bij de berekening van het bedrag is uitgegaan van een schadevergoeding van € 2.280,00. Aangezien daarvan slechts € 2.000,00 zal worden toegewezen zal de kantonrechter de gevorderde buitengerechtelijke kosten toewijzen tot een bedrag van € 300,00, zijnde het wettelijke tarief behorende bij een hoofdsom van € 2.000,00.
4.6.
[gedaagde], m.h.o.d.n. [bedrijf] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
146,14
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
913,14
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot teruggave van de Mini Cooper aan [eiser] met inachtneming van wat de kantonrechter heeft overwogen onder 4.3. van dit vonnis,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 2.000,00,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 300,00 aan buitengerechtelijke kosten,
5.4.
verklaart voor recht dat [eiser] de factuur van 19 december 2024 niet verschuldigd is;
5.5.
verklaart voor recht dat [gedaagde] geen recht heeft op (vergoeding van) stallingskosten;
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 913,14, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde], m.h.o.d.n. [bedrijf] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.