Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-01-30
ECLI:NL:RBZWB:2025:5950
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Beschikking
3,222 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer / rekestnummer: 11328830 \ OV VERZ 24-5888
Beschikking van 30 januari 2025
in de zaak van
1 [verzoeker 1] ,
te [plaats 1] ,2. [verzoeker 2],
te [plaats 1] ,3. [verzoeker 3],
te [plaats 2] ,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] ,
gemachtigde: mr. T.M. Schraven,
tegen
[verweerder]
,
te [plaats 3] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. T.G.G. Raijmakers.
1De zaak in het kort
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van diverse onroerende zaken waarvan [verweerder] het (administratieve) beheer voert. [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] vinden dat [verweerder] zijn taak niet goed uitvoert en vragen daarom wijziging van de beheersregeling. De kantonrechter ziet op dit moment (alleen) voldoende grond om [verweerder] tijdelijk te laten vervangen door een onafhankelijke derde. Hieronder legt de kantonrechter dit oordeel uit.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, inclusief een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna te noemen: Rv)
- het verweerschrift met producties
- de akte overlegging producties van [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3]
- de mondelinge behandeling van 30 januari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen.
De beschikking is – na een uitstel van twee weken – bepaald op vandaag.
Feiten
3.1.
Partijen hebben lange tijd een vriendschappelijke relatie gehad met elkaar. In de periode vanaf 2014 tot en met 2024 hebben zij 39 onroerende zaken gekocht. Het doel hiervan was om op termijn hun kinderen te laten profiteren van deze investeringen. De aangekochte onroerende zaken betreffen met name woningen, bedrijfspanden en enkele parkeerplaatsen in de gemeente Tilburg. De meeste van deze onroerende zaken behoren in gemeenschap toe aan [verzoeker 3] en [verweerder] (hierna te noemen: de 2 c.s. panden). Enkele onroerende zaken behoren in gemeenschap toe aan [verzoekers 1 en 2] , [verzoeker 3] en [verweerder] (hierna te noemen: de 3 c.s. panden). De 2 c.s. panden en 3 c.s. panden gezamenlijk zullen hierna ‘de panden’ worden genoemd. [verweerder] heeft ook zonder [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] panden in eigendom. Deze panden zullen hierna ‘de 1 consort panden’ worden genoemd.
3.2.
In de notariële leveringsaktes van – nagenoeg – alle 2 c.s. panden en 3 c.s. panden is een ‘beheersregeling deelgenoten’ opgenomen (hierna te noemen: de beheersregeling) die als volgt luidt:
“BEHEERSREGELING DEELGENOTEN
h. de heer [verweerder] voornoemd is door de deelgenoten aangewezen als beheerder met betrekking tot de administratie van het verkochte; deze regeling is ook bindend voor de rechtverkrijgenden van een deelgenoot (artikel 3:168 lid 4 BW);
i. op de onder a vermelde koopprijs worden bij overdracht in aftrek gebracht de dan bestaande onderlinge schuld tussen de deelgenoten met betrekking tot het verkochte;
j. de administratie van de heer [verweerder] is beslissend, behoudens tegenbewijs.”
4Het verzoek en het verweer
In de hoofdzaak
4.1.
[verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] verzoeken in de hoofdzaak – samengevat – om bij beschikking, uitvoerbaar bij vooraad,:
de beheersregeling zodanig te wijzigen dat [verweerder] wordt vervangen door een onafhankelijke derde;
voor recht te verklaren dat [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] niet zijn gebonden aan de overeenkomsten van opdracht die [verweerder] heeft gesloten ten aanzien van het beheer van de panden;
[verweerder] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In het incident
4.2.
[verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] verzoeken in het incident – samengevat – om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad,:
de beheersregeling voor de duur van het geding zodanig te wijzigen dat [verweerder] wordt vervangen door een onafhankelijke derde;
[verweerder] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
In de hoofdzaak en in het incident
4.3.
[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken van [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] in de hoofdzaak en in het incident. Hij verzoekt om [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel om de verzoeken van [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] af te wijzen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en hoofdelijke veroordeling van [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
In het incident
5.1.
De kantonrechter stelt voorop dat de beheersregeling waarvan [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] wijziging verzoeken tussen partijen is overeengekomen op een moment dat zij een vriendschappelijke relatie hadden. Inmiddels is de verhouding tussen [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] enerzijds en [verweerder] anderzijds getroebleerd.
5.2.
In artikel 3:168 lid 3 BW is bepaald dat de kantonrechter een bestaande beheersregeling op verzoek van een partij kan wijzigen wegens onvoorziene omstandigheden. Gesteld noch gebleken is dat bij het opstellen van de beheersregeling (voldoende) rekening is gehouden met de omstandigheid dat de relatie tussen partijen zou verslechteren. Met verwijzing naar het citaat onder 3.2. van deze beschikking overweegt de kantonrechter dat in de bestaande beheersregeling in ieder geval geen voorziening is getroffen voor het geval de relatie tussen partijen zou verslechteren. Daarom is het voor de kantonrechter in beginsel mogelijk om de overeengekomen beheersregeling te wijzigen. Het is alleen nog de vraag of voormelde onvoorziene omstandigheid de verzochte wijziging rechtvaardigt.
5.3.
De in de hoofdzaak verzochte wijziging is naar het oordeel van de kantonrechter gerechtvaardigd als er aan de zijde van [verweerder] sprake is van fraude, onrechtmatige daad of disfunctioneren zoals gesteld door [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] . Echter, dat daarvan sprake is, betwist [verweerder] en kan de kantonrechter op basis van de processtukken (nog) niet vaststellen.
5.4.
Wel constateert de kantonrechter het volgende wat betreft de onenigheden tussen partijen en de verwijten die [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] richting [verweerder] maken.
Partijen hebben onenigheid over wat er in de beheersregeling onder het beheer valt en zij nemen daarbij wisselende standpunten in. Zo voert [verweerder] in het verweerschrift aan dat hij op grond van de notariële akten alleen belast is met het ‘beheer met betrekking tot de administratie van het verkochte’. Echter, in een brief van 4 juli 2024 (productie 3 bij het verzoekschrift) schrijft [verweerder] juist dat [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] wisten dat het beheer van [verweerder] meer omvatte dan enkel het beheer met betrekking tot de administratie van het gekochte. [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] stellen in het verzoekschrift (onder 1.4) dat zij onder de beheerstaken van [verweerder] verstaan het uitvoeren van het beheer ten aanzien van de panden én het voeren van de administratie daarvan. Echter, onder 3.3.3. van het verzoekschrift merken [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] op dat [verweerder] ingevolgde de beheersregeling slechts bevoegd is tot het voeren van het beheer (met betrekking tot de administratie) van de panden.
Over het inschakelen van [naam 1] en [naam 2] voeren partijen een felle discussie. [verweerder] stelt dat hij deze derden – waarvan [naam 2] zijn schoondochter is – met medeweten en instemming van [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] heeft ingeschakeld voor het daadwerkelijke (feitelijke) beheer, terwijl [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] dat betwisten. Onderdeel van deze discussie is dat er door [verweerder] als productie 3 een ondertekende overeenkomst in het geding wordt gebracht, waarvan de echtheid van de handtekeningen door [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] wordt betwist. Verder discussiëren partijen over de antedatering van de overeenkomst met [naam 1]. Volgens [verweerder] was sprake van antedatering met medeweten en goedvinden van alle partijen, maar [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] betwisten dat.
Volgens [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] heeft [verweerder] met geld van de 2 c.s. panden en 3 c.s. panden facturen betaald ten behoeve van [verweerder] privé en de 1 consort panden. [verweerder] erkent een aantal van deze betalingen, maar voert aan dat hierbij sprake is van menselijke fouten die niet verwonderlijk zijn gezien het grote aantal boekingen. Waar gehakt wordt vallen spaanders. [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] wijzen er echter op dat alle ‘vergissingen’ in het voordeel zijn van [verweerder] , hetgeen [verweerder] vooralsnog niet heeft kunnen weerleggen. Wel wijst [verweerder] erop dat alle vergissingen gecorrigeerd zijn.
[verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] verwijten [verweerder] voorts dat hij in eerste instantie geen en later onvoldoende en ondeugdelijk rekening en verantwoording heeft afgelegd. [verweerder] voert in dat kader aan dat [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] niet eerder om rekening en verantwoording hadden gevraagd en dat hij na hun verzoek alles heeft toegestuurd. [verzoekers 1 en 2] en [verzoeker 3] betwisten dat [verweerder] hen alles heeft toegestuurd en handhaven hun stelling dat de rekening en verantwoording onvolledig en ondeugdelijk is. In het licht van het voorgaande is het voor de kantonrechter vooralsnog onduidelijk of deze rekening en verantwoording volledig en deugdelijk is.
5.5.
In het voorgaande ziet de kantonrechter voldoende aanleiding om [verweerder] tijdelijk – voor de duur van het geding – te vervangen door een onafhankelijke derde wat betreft het beheer van de administratie en alle andere (beheers)taken die [verweerder] heeft en uitvoert in het kader van de overeengekomen beheersregeling. De zaak in het incident zal twee weken worden aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen gezamenlijk een onafhankelijke derde aan te dragen die bereid is deze taak voor de duur van het geding op zich te nemen. Als partijen daarin slagen zal de kantonrechter deze derde vervolgens bij beschikking als tijdelijke vervanger van [verweerder] aanwijzen. Als partijen daarin niet slagen zal de kantonrechter op zoek gaan naar een onafhankelijke derde en deze vervolgens bij beschikking aan partijen voorleggen.
In de hoofdzaak
5.6.
De kantonrechter zal de hoofdzaak tien maanden aanhouden. In deze tijd kunnen partijen eventueel het door [verweerder] gevoerde beheer (nader) laten onderzoeken. Na deze tien maanden dienen partijen zich uit te laten over de stand van zaken. Vervolgens zal de kantonrechter een beslissing nemen over het vervolg, bijvoorbeeld een voortzetting van de mondelinge behandeling, een schriftelijke ronde, een tussenbeschikking of een eindbeschikking.
Dictum
De kantonrechter
In het incident
6.1.
houdt de zaak twee weken aan voor uitlating partijen met betrekking tot het gezamenlijk aandragen van een onafhankelijke derde die bereid is de beheerstaak van [verweerder] voor de duur van het geding op zich te nemen;
In de hoofdzaak
6.2.
houdt de zaak tien maanden aan voor uitlating partijen over de stand van zaken en het gewenste vervolg.
Deze beschikking is gegeven door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.