Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-28
ECLI:NL:RBZWB:2025:5949
Civiel recht; Arbeidsrecht
Kort geding
3,360 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11550805 \ VV EXPL 25-16
Vonnis in kort geding van 28 maart 2025
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer],
gemachtigde: mr. M.P. Poelman,
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever],
gemachtigde: mr. H. Akbaba.
1De zaak in het kort
Dit kort geding draait om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen geëindigd is. Volgens [werkgever] is dat het geval, maar volgens [werknemer] loopt de arbeidsovereenkomst nog door. Daarom vordert [werknemer], die zich beschikbaar houdt voor werk, loondoorbetaling. Volgens de kantonrechter kan die vordering worden toegewezen.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de mondelinge behandeling van 11 maart 2025, waarbij [werkgever] een productie heeft overgelegd (een e-mailbericht van [werkgever] van 8 januari 2025) en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Feiten
3.1.
[werknemer] – geboren op [1999] – is op 22 oktober 2024 bij [werkgever] in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst fase A met uitzendbeding voor bepaalde tijd tot 20 april 2025. Het all-in bruto weekloon van [werknemer] bedraagt € 655,81.
3.2.
In het kader van de arbeidsovereenkomst is [werknemer] fulltime (40 uur per week) ter beschikking gesteld aan [bedrijf] B.V.
3.3.
Tussen partijen bestaat onenigheid over het (niet) volledig uitbetalen van feestdagen. Daarover heeft op 6 januari 2025 een gesprek plaatsgevonden tussen partijen. Dit gesprek heeft [werknemer] opgenomen.
3.4.
Op 6 januari 2025 heeft [werkgever] [werknemer] een e-mailbericht gestuurd. De kop van dit e-mailbericht luidt als volgt: “Beëindiging Overeenkomst Wederzijds Goedkeuren”. Verder staat in het betreffende e-mailbericht onder meer het volgende: “Dit heeft tot de conclusie geleid dat we met wederzijds goedkeuren uit elkaar zijn gegaan”. In reactie daarop heeft [werknemer] bij e-mailbericht van eveneens 6 januari 2025 geantwoord met onder meer de volgende tekst: “I strongly disagree with your statement that we have ‘parted ways by mutual consent’”.
3.5.
Op 7 januari 2025 is [werknemer] zoals gebruikelijk bij [bedrijf] B.V. aan de slag gegaan, maar gedurende de dag is hij op instructie van [werkgever] gestopt met werken.
3.6.
Op 8 januari 2025 heeft [werkgever] [werknemer] een e-mailbericht gestuurd met onder meer de volgende inhoud: “As I stated in my previous e-mail you stood up and tol dus that you’d stop, will proceed with hiring a lawyer and taking us to court, this is a threat and termination from your side. We, as a response to your comments, made the decision to confirm your intention to quit and that we will also terminate the contract.” Vervolgens schrijft [werknemer] in een e-mailbericht van 9 januari 2025 aan [werkgever] dat hij nog steeds beschikbaar is om te werken.
3.7.
Op 30 januari 2025 sommeert de gemachtigde van [werknemer] [werkgever] tot loon(door)betaling, maar bij brief van 4 februari 2025 wijst de gemachtigde van [werkgever] deze sommatie van de hand.
Geschil
4.1.
[werknemer] vordert – samengevat – loondoorbetaling, te vermeerderen met wettelijke rente, wettelijke verhoging en proceskosten.
4.2.
[werkgever] voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Beoordeling
5.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [werknemer] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de rechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
5.2.
Aangezien [werknemer] en zijn gezin voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van het loon van [werknemer] is voldaan aan de eis van spoedeisendheid.
5.3.
Volgens [werkgever] is de loonvordering van [werknemer] niet toewijsbaar, omdat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 6 januari 2025. [werkgever] stelt dat er sprake is van:
een beëindiging met wederzijds goedvinden, of;
een opzegging door [werknemer], of;
een opzegging door [werkgever].
Ad a
5.4.
Tussen partijen staat vast dat er geen sprake is van een schriftelijke overeenkomst waarmee de arbeidsovereenkomst is beëindigd. Nu niet is voldaan aan dit schriftelijkheidsvereiste is alleen daarom al de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:670b lid 1 BW niet met wederzijds goedvinden beëindigd.
Ad b
5.5.
[werkgever] stelt dat [werknemer] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd door tijdens het gesprek op 6 januari 2025 te zeggen dat hij niet meer voor een uitzendbureau gaat werken. Hierbij stelt de kantonrechter het volgende voorop. De opzegging van een arbeidsovereenkomst door een werknemer vereist volgens vaste rechtspraak een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, die erop is gericht de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem of haar kan hebben, zoals het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de socialezekerheidswetgeving. In verband met die ernstige gevolgen zal de werkgever niet spoedig mogen aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking. Onder omstandigheden kan op de werkgever een onderzoeksplicht rusten om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk wilde opzeggen en een verplichting om de werknemer over de gevolgen van de opzegging voor te lichten.
5.6.
In dit geval is de kantonrechter vooralsnog van oordeel dat geen sprake is van een voldoende duidelijk en ondubbelzinnige verklaring van [werknemer] die erop gericht is om zijn arbeidsovereenkomst met [werkgever] te beëindigen. De opmerking van [werknemer] dat hij niet meer voor een uitzendbureau gaat werken tijdens een discussie met [werkgever] over het (niet) volledig uitbetalen van feestdagen is daarvoor onvoldoende. Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter had [werkgever] moeten onderzoeken of [werknemer] daadwerkelijk de arbeidsovereenkomst wilde opzeggen. Dat geldt temeer nu [werknemer] de volgende dag zoals gebruikelijk op het werk is verschenen en aan de slag is gegaan. Kortom, volgens de kantonrechter is het onaannemelijk dat een bodemrechter tot het oordeel komt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd door een opzegging zijdens [werknemer].
Ad c
5.7.
[werkgever] stelt verder dat zij als werkgever de arbeidsovereenkomst met [werknemer] heeft opgezegd. Zij beroept zich in dat kader met name op haar e-mailbericht aan [werknemer] van 8 januari 2025, waarin onder meer het volgende staat: “We, as a response to your comments, made the decision to confirm your intention to quit and that we will also terminate the contract.” Volgens de kantonrechter moet dit e-mailbericht in samenhang met het e-mailbericht van 6 januari 2025 van [werkgever] aan [werknemer] worden gelezen. In het e-mailbericht van 6 januari 2025 spreekt [werkgever] duidelijk meerdere keren over een “beëindiging met wederzijds goedvinden”. Hierna verwijst zij in het e-mailbericht van 8 januari 2025 en zij voegt het bericht van 6 januari 2025 toe. Gelet hierop mocht [werknemer] er vanuit gaan dat [werkgever] zich op het standpunt stelde dat met wederzijds goedvinden de arbeidsovereenkomst was beëindigd. Eerst tijdens de mondelinge behandeling heeft [werkgever] naar voren gebracht dat zij zelf heeft opgezegd. Dat sprake was van een opzegging door [werkgever] komt uit de samenhangende e-mailberichten niet duidelijk naar voren en [werknemer] hoefde dit ook niet zo te begrijpen. Daarom volgt de kantonrechter dit standpunt van [werkgever] niet. Overigens voor zover in het e-mailbericht van 8 januari 2025 wel een opzegging door [werkgever] als werkgever moet worden gelezen geldt naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter het volgende. Op grond van artikel 7:671 BW is van een rechtsgeldige opzegging geen sprake. Zo is er geen sprake van een schriftelijke instemming van [werknemer]. Ook heeft UWV geen toestemming verleend voor de opzegging. Evenmin heeft [werkgever] mededeling gedaan van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:677 BW. Daarom is er volgens de kantonrechter ook geen sprake van een (rechtsgeldige) opzegging van de arbeidsovereenkomst door [werkgever].
5.8.
[werkgever] stelt nog dat haar opzegging – ook als deze niet rechtsgeldig is – onaantastbaar is geworden wegens het verlopen van de vervaltermijnen van artikel 7:686a lid 4 BW. Echter, dat is naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter allerminst zeker. Allereerst moet [werkgever] in een bodemprocedure een beroep doen op de vervaltermijn. Immers, de Hoge Raad heeft beslist dat de vervaltermijnen in de Wwz niet ambtshalve getoetst moeten worden. Als [werkgever] een beroep doet op de vervaltermijn, kan [werknemer] aanvoeren dat een beroep op de vervaltermijn in de omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Naar het oordeel van de kantonrechter zou deze exceptie van de redelijkheid en billijkheid in dit geval een goede kans van slagen hebben, omdat de vervaltermijn dan (mede) is verstreken door de verwarring die [werkgever] als werkgever heeft veroorzaakt. Die verwarring ziet erop, zoals hiervoor al is overwogen, dat [werkgever] zich in eerste instantie steeds en in deze procedure primair op het standpunt te stellen dat sprake is van een beëindiging met wederzijds goedvinden dan wel een beëindiging door een opzegging zijdens werknemer en (dus) geen beëindiging door een opzegging door [werkgever] als werkgever. Daarmee heeft [werkgever] als werkgever onduidelijkheid geschapen. Op grond daarvan is de kantonrechter vooralsnog van oordeel dat [werkgever] in een bodemprocedure geen (succesvol) beroep kan doen op het verstrijken van de vervaltermijn. Daarom is een eventuele (niet rechtsgeldige) opzegging van de arbeidsovereenkomst door [werkgever] naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter niet onaantastbaar.
5.9.
Gelet op al het voorgaande is de kans dat de loonvordering van [werknemer] in een bodemprocedure toegewezen zal worden zodanig groot dat het gerechtvaardigd is om daarop vooruit te lopen door toewijzing van de in deze procedure gevorderde voorlopige voorziening tot (door)betaling van het overeengekomen loon. De nevenvorderingen tot betaling van de wettelijke rente en de wettelijke verhoging zijn eveneens toewijsbaar met dien verstande dat de wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 10%, aangezien [werkgever] in het ongelijk is gesteld, maar wel een verdedigbaar standpunt heeft ingenomen. Bovendien is er sprake is van cumulatie met wettelijke rente.
Dictum
De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 655,81 bruto per week aan (voorschot op) loon vanaf 6 januari 2025 tot aan de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd zal zijn,
6.2.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen de wettelijke rente over het onder 6.1. toegewezen (voorschot op) loon vanaf de maandag volgend op de wee waarop de loonbetaling betrekking heeft tot de dag van de (volledige) betaling,
6.3.
veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen de wettelijke verhoging van 10% over het achterstallige loon tot en met week 12 van 2025
6.4.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.039,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tilman-Knoester en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2025.
Zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:HR:1982:AG4391, ECLI:NL:HR:1994:ZC1310 en ECLI:NL:GHSHE:2021:3189
ECLI:NL:HR:2018:2305
Vergelijk ECLI:NL:HR:2012:BW5695 en ECLI:NL:GHDHA:2019:2618