Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:5948
Civiel recht; Arbeidsrecht
Bodemzaak
11,074 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11421376 \ CV EXPL 24-4244
Vonnis van 11 juni 2025
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [werknemer],
gemachtigde: FNV Individuele Belangenbehartiging,
tegen
[werkgever] B.V. V.H.O.D.N. [bedrijf] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [werkgever],
gemachtigde: mr. P.G. Vestering.
1De zaak in het kort
Partijen verschillen van mening over de uitleg en toepassing van cao-bepalingen over arbeidsduur en verlof. De kantonrechter legt deze bepalingen met toepassing van de cao-norm zo uit dat voor oudere werknemers een netto jaarurennorm geldt van 1654 uur minus het toepasselijke aantal leeftijdsuren. Werkgever wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld om bij akte stukken in het geding te brengen waaruit volgt of en zo ja hoe [werkgever] uitvoering heeft gegeven aan bovenstaande uitleg bij het bepalen van de arbeidsduur en verlofuren van werknemer over de jaren 2017 tot en met 2021.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 februari 2025
- de conclusie van antwoord in reconventie- de mondelinge behandeling van 24 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
[werknemer], geboren [1962], is op 30 maart 1982 in dienst getreden bij [werkgever]. Hij is werkzaam in de functie van Senior Verpakkingsontwerper voor 36 uur per week tegen een basisloon van € 5.031,37 per maand. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de bedrijfs-cao van [werkgever] (hierna te noemen: de cao).
3.2.
Geschil
“Artikel 1.9 normale arbeidsduur:
De arbeidsduur van een werknemer met een voltijd dienstverband bedraagt gemiddeld
36 uur. Op jaarbasis is dit 1878 uur (52,18 weken * 36 uur). De arbeidsduur van een
werknemer met een deeltijd dienstverband wordt naar rato van dit gemiddelde vastgesteld.
Het uurloonpercentage bedraagt 0,64%.
Artikel 6.1
Tussen partijen is afgesproken dat de werknemer op jaarbasis netto 1654 uur moet werken
en parttimers naar rato. Dit aantal van 1654 uur geldt voor de werknemer die niet in
aanmerking komt voor leeftijds- of ontzie-uren.
Artikel 11
a. De werknemer heeft per vakantiejaar recht op wettelijke vakantie met behoud van een
maandinkomen van 160 uur.
b. Daarnaast heeft de werknemer recht op 40 uur bovenwettelijke vakantie.
c. De werknemer die voor de aanvang van het vakantiejaar de 45-, 50-, 55-, 60-, 61-, of 62-
jarige leeftijd heeft bereikt, heeft in plaats van de hiervoor onder b. genoemde
bovenwettelijke vakantie, recht op 48, 56, 64, 72, 80 respectievelijk 88 uur bovenwettelijke
vakantie.”
Geschil
in conventie
4.1.
[werknemer] vordert – samengevat – om [werkgever] te veroordelen tot een correctie van het aantal vakantie-uren en hem in de gelegenheid te stellen deze binnen redelijke termijn te genieten, te vermeerderen met kosten en rente..
4.2.
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[werkgever] vordert voorwaardelijk om – samengevat – te verklaren voor recht dat [werkgever] bevoegd is om de eventueel gecorrigeerde vakantie-uren als minsaldo in TVT-uren in te boeken en om [werknemer] voor dat aantal uren extra in te roosteren.
4.5.
[werknemer] voert verweer. [werknemer] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werkgever], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werkgever], met veroordeling van [werkgever] in de kosten van deze procedure.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie
5.1.
Partijen verschillen van mening over de uitleg en toepassing van cao-bepalingen over arbeidsduur en verlof. Bij de beoordeling van dit geschil stelt de kantonrechter voorop dat cao-bepalingen moeten worden uitgelegd aan de hand van de zogenoemde cao-norm. Deze cao-norm houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn. Het komt dus niet aan op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de cao. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.
5.2.
Een redelijke (taalkundige) uitleg van artikel 6.1 van de cao brengt naar het oordeel van de kantonrechter mee dat alleen wordt afgeweken van het aantal van 1654 uren voor oudere werknemers, maar niet van het voor iedere werknemer geldende systeem met een netto jaarurennorm. Anders gezegd, de kantonrechter legt de betreffende cao-bepaling(en) zo uit dat ook voor [werknemer] een netto jaarurennorm geldt, maar niet het aantal van 1654 uur. Vervolgens brengt een redelijke (taalkundige) uitleg van artikel 6.1 van de cao in het licht van de gehele tekst van de cao mee dat voor werknemers die in aanmerking komen voor leeftijdsuren, zoals [werknemer], als netto jaarurennorm geldt het aantal van 1654 uren minus het aantal leeftijdsuren waarop de betreffende werknemer in dat jaar recht heeft. Dit leidt ertoe dat [werknemer] de extra verlofuren kan genieten waarop hij wegens zijn leeftijd recht heeft.
5.3.
Kijkend naar onder andere de punten 10. en 48. van de conclusie van antwoord lijkt [werkgever] ook uit te gaan van deze uitleg. Zo schrijft [werkgever]: “Deze extra verlofuren werden verrekend met de Netto Jaarurennorm van 1654, dus voor deze medewerkers gold een lager aantal netto te werken uren. Anders gezegd, voor hen werd het aantal van 1654u verlaagd met hun extra leeftijds- of ontzie-uren” en “Hoewel de Cao dit niet expliciet uitwerkt, kan de uitzondering voor medewerkers met leeftijds- en ontzie-uren niet anders gelezen worden dan dat de extra verlofuren voor oudere werknemers in mindering komen op de 1654u norm.”
5.4.
Het is echter de vraag of [werkgever] de berekening van de arbeidsduur en de verlofuren van [werknemer] over de jaren 2017 tot en met 2021 ook overeenkomstig deze uitleg heeft uitgevoerd. [werknemer] stelt dat [werkgever] de cao-bepalingen over de arbeidsduur en verlofuren over deze periode verkeerd heeft toegepast. Dat lijkt inderdaad het geval te zijn gelet op de als productie 4 bij dagvaarding overgelegde mededelingen/overzichten (waarin de leeftijdsuren niet in mindering lijken te worden gebracht op de netto jaarurennorm) en hetgeen [werkgever] schrijft in de conclusie van antwoord onder 10 (“Voor [werknemer] (geboren [1962]) gold dat hij in de periode waarop deze procedure ziet, 2017 – 2021, in de categorie 55+ viel en daarom recht had op 64 bovenwettelijke vakantieuren (in plaats van 40), dus per saldo 24u extra verlofuren per jaar had”). Daarbij is van belang dat het optellen van de leeftijdsuren bij de wettelijke en (reguliere) bovenwettelijke verlofuren een andere (en – dus – onjuiste) uitkomst geeft dan het in mindering brengen van de leeftijdsuren op de netto jaarurennorm, zoals volgt uit de rekenvoorbeelden hieronder.
5.5.
De kantonrechter zal over het jaar 2018 vier rekenvoorbeelden geven, namelijk:
waarbij de leeftijdsuren in mindering worden gebracht op de netto jaarurennorm;
waarbij de leeftijdsuren worden opgeteld bij de (overige) verlofuren;
waarbij de leeftijdsuren in mindering worden gebracht op de netto jaarurennorm én worden opgeteld bij de (overige) verlofuren;
waarbij geen rekening wordt gehouden met de leeftijdsuren.
Bij deze voorbeelden wordt uitgegaan van de volgende getallen:
Jaaruren: 1881
Wettelijke en (reguliere) bovenwettelijke verlofuren: 200
Feestdaguren op werkdag: 54
Netto jaarurennorm: 1654
Leeftijdsuren: 24
Ad a:
1881
200
-
1681
54
-
1627
1630
- (1654 - 24)
-3
Ad b:
1881
224
Dictum
De kantonrechter
in conventie
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 30 juli 2025 voor het nemen van een akte door [werkgever] over wat is vermeld onder 5.7., waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025.
Zie onder meer ECLI:NL:HR:2024:1102
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11421376 \ CV EXPL 24-4244
Vonnis van 11 juni 2025
in de zaak van
[werknemer]
,
te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [werknemer],
gemachtigde: FNV Individuele Belangenbehartiging,
tegen
[werkgever] B.V. V.H.O.D.N. [bedrijf] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in voorwaardelijke reconventie,
hierna te noemen: [werkgever],
gemachtigde: mr. P.G. Vestering.
1De zaak in het kort
Partijen verschillen van mening over de uitleg en toepassing van cao-bepalingen over arbeidsduur en verlof. De kantonrechter legt deze bepalingen met toepassing van de cao-norm zo uit dat voor oudere werknemers een netto jaarurennorm geldt van 1654 uur minus het toepasselijke aantal leeftijdsuren. Werkgever wordt vervolgens in de gelegenheid gesteld om bij akte stukken in het geding te brengen waaruit volgt of en zo ja hoe [werkgever] uitvoering heeft gegeven aan bovenstaande uitleg bij het bepalen van de arbeidsduur en verlofuren van werknemer over de jaren 2017 tot en met 2021.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 februari 2025
- de conclusie van antwoord in reconventie- de mondelinge behandeling van 24 maart 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
[werknemer], geboren [1962], is op 30 maart 1982 in dienst getreden bij [werkgever]. Hij is werkzaam in de functie van Senior Verpakkingsontwerper voor 36 uur per week tegen een basisloon van € 5.031,37 per maand. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de bedrijfs-cao van [werkgever] (hierna te noemen: de cao).
3.2.
Geschil
“Artikel 1.9 normale arbeidsduur:
De arbeidsduur van een werknemer met een voltijd dienstverband bedraagt gemiddeld
36 uur. Op jaarbasis is dit 1878 uur (52,18 weken * 36 uur). De arbeidsduur van een
werknemer met een deeltijd dienstverband wordt naar rato van dit gemiddelde vastgesteld.
Het uurloonpercentage bedraagt 0,64%.
Artikel 6.1
Tussen partijen is afgesproken dat de werknemer op jaarbasis netto 1654 uur moet werken
en parttimers naar rato. Dit aantal van 1654 uur geldt voor de werknemer die niet in
aanmerking komt voor leeftijds- of ontzie-uren.
Artikel 11
a. De werknemer heeft per vakantiejaar recht op wettelijke vakantie met behoud van een
maandinkomen van 160 uur.
b. Daarnaast heeft de werknemer recht op 40 uur bovenwettelijke vakantie.
c. De werknemer die voor de aanvang van het vakantiejaar de 45-, 50-, 55-, 60-, 61-, of 62-
jarige leeftijd heeft bereikt, heeft in plaats van de hiervoor onder b. genoemde
bovenwettelijke vakantie, recht op 48, 56, 64, 72, 80 respectievelijk 88 uur bovenwettelijke
vakantie.”
Geschil
in conventie
4.1.
[werknemer] vordert – samengevat – om [werkgever] te veroordelen tot een correctie van het aantal vakantie-uren en hem in de gelegenheid te stellen deze binnen redelijke termijn te genieten, te vermeerderen met kosten en rente..
4.2.
[werkgever] voert verweer. [werkgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werknemer], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werknemer], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[werkgever] vordert voorwaardelijk om – samengevat – te verklaren voor recht dat [werkgever] bevoegd is om de eventueel gecorrigeerde vakantie-uren als minsaldo in TVT-uren in te boeken en om [werknemer] voor dat aantal uren extra in te roosteren.
4.5.
[werknemer] voert verweer. [werknemer] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [werkgever], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [werkgever], met veroordeling van [werkgever] in de kosten van deze procedure.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
in conventie
5.1.
Partijen verschillen van mening over de uitleg en toepassing van cao-bepalingen over arbeidsduur en verlof. Bij de beoordeling van dit geschil stelt de kantonrechter voorop dat cao-bepalingen moeten worden uitgelegd aan de hand van de zogenoemde cao-norm. Deze cao-norm houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven, waarbij in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, van doorslaggevende betekenis zijn. Het komt dus niet aan op de bedoelingen van de partijen die de cao tot stand hebben gebracht voor zover deze niet uit de daarin opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van de cao. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.
5.2.
Een redelijke (taalkundige) uitleg van artikel 6.1 van de cao brengt naar het oordeel van de kantonrechter mee dat alleen wordt afgeweken van het aantal van 1654 uren voor oudere werknemers, maar niet van het voor iedere werknemer geldende systeem met een netto jaarurennorm. Anders gezegd, de kantonrechter legt de betreffende cao-bepaling(en) zo uit dat ook voor [werknemer] een netto jaarurennorm geldt, maar niet het aantal van 1654 uur. Vervolgens brengt een redelijke (taalkundige) uitleg van artikel 6.1 van de cao in het licht van de gehele tekst van de cao mee dat voor werknemers die in aanmerking komen voor leeftijdsuren, zoals [werknemer], als netto jaarurennorm geldt het aantal van 1654 uren minus het aantal leeftijdsuren waarop de betreffende werknemer in dat jaar recht heeft. Dit leidt ertoe dat [werknemer] de extra verlofuren kan genieten waarop hij wegens zijn leeftijd recht heeft.
5.3.
Kijkend naar onder andere de punten 10. en 48. van de conclusie van antwoord lijkt [werkgever] ook uit te gaan van deze uitleg. Zo schrijft [werkgever]: “Deze extra verlofuren werden verrekend met de Netto Jaarurennorm van 1654, dus voor deze medewerkers gold een lager aantal netto te werken uren. Anders gezegd, voor hen werd het aantal van 1654u verlaagd met hun extra leeftijds- of ontzie-uren” en “Hoewel de Cao dit niet expliciet uitwerkt, kan de uitzondering voor medewerkers met leeftijds- en ontzie-uren niet anders gelezen worden dan dat de extra verlofuren voor oudere werknemers in mindering komen op de 1654u norm.”
5.4.
Het is echter de vraag of [werkgever] de berekening van de arbeidsduur en de verlofuren van [werknemer] over de jaren 2017 tot en met 2021 ook overeenkomstig deze uitleg heeft uitgevoerd. [werknemer] stelt dat [werkgever] de cao-bepalingen over de arbeidsduur en verlofuren over deze periode verkeerd heeft toegepast. Dat lijkt inderdaad het geval te zijn gelet op de als productie 4 bij dagvaarding overgelegde mededelingen/overzichten (waarin de leeftijdsuren niet in mindering lijken te worden gebracht op de netto jaarurennorm) en hetgeen [werkgever] schrijft in de conclusie van antwoord onder 10 (“Voor [werknemer] (geboren [1962]) gold dat hij in de periode waarop deze procedure ziet, 2017 – 2021, in de categorie 55+ viel en daarom recht had op 64 bovenwettelijke vakantieuren (in plaats van 40), dus per saldo 24u extra verlofuren per jaar had”). Daarbij is van belang dat het optellen van de leeftijdsuren bij de wettelijke en (reguliere) bovenwettelijke verlofuren een andere (en – dus – onjuiste) uitkomst geeft dan het in mindering brengen van de leeftijdsuren op de netto jaarurennorm, zoals volgt uit de rekenvoorbeelden hieronder.
5.5.
De kantonrechter zal over het jaar 2018 vier rekenvoorbeelden geven, namelijk:
waarbij de leeftijdsuren in mindering worden gebracht op de netto jaarurennorm;
waarbij de leeftijdsuren worden opgeteld bij de (overige) verlofuren;
waarbij de leeftijdsuren in mindering worden gebracht op de netto jaarurennorm én worden opgeteld bij de (overige) verlofuren;
waarbij geen rekening wordt gehouden met de leeftijdsuren.
Bij deze voorbeelden wordt uitgegaan van de volgende getallen:
Jaaruren: 1881
Wettelijke en (reguliere) bovenwettelijke verlofuren: 200
Feestdaguren op werkdag: 54
Netto jaarurennorm: 1654
Leeftijdsuren: 24
Ad a:
1881
200
-
1681
54
-
1627
1630
- (1654 - 24)
-3
Ad b:
1881
224
Dictum
De kantonrechter
in conventie
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 30 juli 2025 voor het nemen van een akte door [werkgever] over wat is vermeld onder 5.7., waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025.
Zie onder meer ECLI:NL:HR:2024:1102
Beoordeling
- (200 + 24)
1657
54
-
1603
1654
-
-51
Ad c:
1881
224
- (200 + 24)
1657
54
-
1603
1630
- (1654 - 24)
-27
Ad d:
1881
200
-
1681
54
-
1627
1654
-
-27
5.6.
Uit het bovenstaande volgt dat verschillende rekenvoorbeelden een andere uitkomst geven.
Beoordeling
- (200 + 24)
1657
54
-
1603
1654
-
-51
Ad c:
1881
224
- (200 + 24)
1657
54
-
1603
1630
- (1654 - 24)
-27
Ad d:
1881
200
-
1681
54
-
1627
1654
-
-27
5.6.
Uit het bovenstaande volgt dat verschillende rekenvoorbeelden een andere uitkomst geven.