Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-05-06
ECLI:NL:RBZWB:2025:5481
Civiel recht; Personen- en familierecht
Voorlopige voorziening
1,763 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/433076 / FA RK 25/1358
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen d.d. 6 mei 2025
in de zaak van
[vrouw]
,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. N.P.M. Planthof, gevestigd te Goes,
en
[man]
,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R. Wouters, gevestigd te Middelburg.
Ouders van de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 te [geboorteplaats] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de raad voor de kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 17 maart 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 24 maart 2025 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het e-mail bericht d.d. 28 april 2025 van mr. Planthof.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 16 april 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad. Ook was aanwezig piketmediator de heer [persoon] , in het kader van de pilot ‘mediation in voorlopige voorzieningen’.
2De verzoeken
2.1.
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. te bepalen dat [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 te [geboorteplaats] , aan de vrouw wordt toevertrouwd;
II. te bepalen dat de man met ingang van 15 januari 2025 dan wel een door de rechtbank te bepalen datum, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 te [geboorteplaats] , aan de vrouw dient te betalen van € 278,= per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist acht.
2.2.
De man verzoekt het verzoek tot toevertrouwing dat de vrouw heeft gedaan toe te wijzen en het overige verzoek af te wijzen. De man verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen
1. Dat de man aan de vrouw een kinderbijdrage zal voldoen van € 252,= per maand voor
[minderjarige] , met ingang van 17 februari 2025, bij vooruitbetaling te voldoen.
2. dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning,
staande en gelegen te [adres 1] , gemeente Noord-Beveland, aan de [adres 2]
, waarbij de vrouw wordt bevolen die woning verder niet meer te betreden, behoudens
met voorafgaande instemming van de man.
2.3.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover relevant voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.
Beoordeling
3.1.
Partijen hebben na de mondelinge behandeling van 16 april 2025 gebruik gemaakt van de mogelijkheid van piketmediation door de heer [persoon] . De zaak is aangehouden in afwachting van de uitkomst van deze mediation. De piketmediation heeft echter niet tot een schriftelijke overeenstemming tussen partijen geleid, zodat de rechtbank thans dient te beslissen op de voorliggende verzoeken.
Toevertrouwing
3.2.
Het verzoek van de vrouw tot toevertrouwing van de minderjarige aan haar zal, nu de man geen verweer heeft gevoerd en niet is gebleken dat de zwaarwegende belangen van de minderjarige zich hiertegen verzetten, op onderstaande wijze worden toegewezen.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, inhoudende dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning, met dien verstande dat de vrouw in geval van het afrijden voor haar rijexamen maximaal twee dagen in de woning mag verblijven, waarbij de man op dat moment bij zijn ouders verblijft. Het verzoek van de man zal derhalve met inachtneming van vorenstaande op onderstaande wijze worden toegewezen.
Kinderbijdrage.
3.4.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn partijen overeengekomen dat de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomst bij vooruitbetaling, aldus voor de eerste van iedere maand, een bedrag van € 275,= per maand dient te voldoen.
3.5.
Tussen partijen is in geschil wat de ingangsdatum van de overeengekomen bijdrage dient te zijn. De vrouw stelt dat dit 15 januari 2025 moet zijn, omdat de man met ingang van die datum in ieder geval rekening had kunnen houden met het feit dat hij een bijdrage moest betalen. De vrouw heeft de man sinds januari 2025 ook meerdere malen om een bijdrage gevraagd. De man daarentegen stelt dat als ingangsdatum 17 februari 2025 dient te gelden, omdat de vrouw op die datum uit de woning is vertrokken. De man stelt tot die periode alle kosten voor de minderjarige te hebben voldaan.
3.6.
De rechtbank zal de verplichting tot betaling van die bijdrage laten ingaan op 17 februari 2025, zijnde de datum dat de vrouw met de minderjarige de echtelijke woning definitief heeft verlaten. Tot die datum was er bij partijen sprake van een gemeenschappelijke huishouding, waarbij niet duidelijk is gemaakt wie welke kosten voldeed. Om deze reden acht de rechtbank voormelde ingangsdatum het meest redelijk.
Dictum
De rechtbank
4.1.
bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan de [adres 3] , gemeente Noord-Beveland en beveelt de vrouw die woning te verlaten en deze verder niet te betreden, behoudens de uitzondering zoals genoemd in rechtsoverweging 3.3.;
4.2.
bepaalt dat aan de vrouw wordt toevertrouwd de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 te [geboorteplaats] ;
4.3.
bepaalt dat de door de man te betalen bijdrage voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 17 februari 2025 wordt vastgesteld op € 275,= per maand, aan de vrouw voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.W.P.J. Hopmans, en, in tegenwoordigheid van mr. I.L. Oude Weernink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2025.