Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-03
ECLI:NL:RBZWB:2025:5478
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,059 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummers: C/02/417783 / FA RK 24-90 (echtscheiding) en
C/02/427326 FA RK 24-4630 (boedel)
datum uitspraak: 3 april 2025
beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.E. Kok, kantoorhoudende te Goes,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. V.J.C. Pieters, kantoorhoudende te Goes.
1Het (verdere) procesverloop
1.1.
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 19 september 2024 met alle daarin genoemde stukken;
- het F9-formulier van 30 oktober 2024 van mr. Pieters, met bijlage;
- de brief van 25 november 2024 van mr. Pieters, met bijlagen;
- de brief van 27 februari 2025 van mr. Kok, met bijlagen;
- de brief van 3 maart 2025 van mr. Pieters, met bijlagen;
- de brief van 19 maart 2025 van mr. Pieters;
- de brief van 19 maart 2025 van mr. Kok.
2De (verdere) beoordeling
2.1.
Bij beschikking van 19 september 2024 is (bij vervroeging) de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Alle overige verzoeken zijn aangehouden.
2.2.
Bij de brief van 19 maart 2025 is namens de man bericht dat partijen algehele overeenstemming hebben bereikt. Gelet op de overeenstemming wijzigt de man zijn (zelfstandige) verzoeken als volgt.
De man verzoekt nu, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de tussen partijen reeds ontbonden gemeenschap van goederen vast te stellen als volgt:
Te bepalen dat de woning, staande en gelegen te [woonplaats] aan [adres] zal worden verkocht waarbij ieder der partijen de helft van de netto verkoopopbrengst zal ontvangen in die zin dat van de verkoopprijs eerst de hypothecaire geldlening bij Florius onder [factuurnummer] zal worden afgelost alsmede de kosten van de makelaar en andere verkoopkosten. Het restant zal bij helfte worden verdeeld.
Te bepalen dat ieder van de partijen de helft van de afkoopwaarde van een eventuele spaarpolis gekoppeld aan de hypothecaire geldlening zal ontvangen.
Te bepalen dat de inboedelgoederen reeds zijn gescheiden en gedeeld en voorts te bepalen dat aan ieder van partijen zal worden toebedeeld de bij hem/haar in gebruik zijnde kleding zonder nadere verrekening.
Te bepalen dat de bankrekening(en) ten name van de man zonder nadere verrekening van het saldo aan hem zullen worden toebedeeld.
Te bepalen dat de bankrekening(en) ten name van de vrouw zonder nadere verrekening van het saldo aan haar zullen worden toebedeeld.
De vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen middels verrekening met de verkoopopbrengst van de woning een bedrag van € 37,50 vanwege de auto.
Te bepalen dat ieder van de partijen draagplichtig is voor de schuld ad € 3.750,= aan de zoon van partijen [naam] en dat ieder der partijen de helft van deze schuld zal voldoen.
De vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen middels verrekening met de verkoopopbrengst van de woning een bedrag van € 771,95 vanwege de schuld die de man aan SabeWa heeft voldaan.
De man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen een bedrag van € 1.050,= vanwege de huurschuld van de stacaravan die de vrouw heeft gehuurd enkel en alleen indien de vrouw daadwerkelijk deze huurschuld aan de verhuurder heeft dienen te voldoen.
Te bepalen dat ieder der partijen draagplichtig is voor de schuld aan consult BV en dat ieder der partijen de helft van deze schuld zal voldoen.
De man gaat er vanuit dat de vrouw haar verzoek inzake de partneralimentatie zal verlagen tot het overeengekomen bedrag van € 1.067,33 bruto per maand met ingang van 1 januari 2025. De overige verzoeken van de man kunnen als ingetrokken worden beschouwd. Verder verzoekt de man de zaak schriftelijk af te doen.
2.3.
Bij de brief van 19 maart 2025 is namens de vrouw bevestigd dat partijen volledige overeenstemming hebben bereikt. Namens de vrouw wordt eveneens verzocht om voor wat betreft de verdeling van de gemeenschap van goederen de gemaakte afspraken conform het gewijzigde verzoek van mr. Pieters bij brief van 19 maart 2025 vast te leggen. Gelet op de overeenstemming wijzigt de vrouw haar verzoek ter zake de partneralimentatie, in die zin dat zij nu verzoekt te bepalen dat de man gehouden zal zijn om met ingang van 1 januari 2025 een bedrag van € 1.067,33 per maand aan haar te voldoen, bij vooruitbetaling. De vrouw trekt haar overige verzoeken in. Ook de vrouw heeft aangegeven dat er geen mondelinge behandeling hoeft plaats te vinden.
2.4.
Uit voormelde brieven volgt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de nog openstaande verzoeken ten aanzien van de partneralimentatie en de verdeling van de huwelijksgemeenschap.
2.5.
Nu partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van de gehele ontbonden huwelijksgemeenschap, kan de rechtbank de verdeling niet vaststellen, gezien het bepaalde in artikel 3:185 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank zal het verzoek van de man om de verdeling aldus vast te stellen daarom afwijzen. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de tussen partijen gemaakte afspraken – zoals weergegeven in het gewijzigde verzoek van de man onder punt 2.2. – tussen hen wel bindend zijn, maar zich niet lenen voor opname in het dictum van deze beschikking.
2.6.
De overeenstemming betreffende de partneralimentatie komt de rechtbank niet ongegrond voor en zal op onderstaande wijze worden toegewezen.
2.7.
Nu de overige verzoeken zijn ingetrokken, kunnen deze verzoeken niet meer worden onderzocht en zullen daarom worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van 1 januari 2025 aan de vrouw voor levensonderhoud, voor de toekomst bij vooruitbetaling, moet voldoen een bedrag van € 1.067,33 per maand;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, en, in tegenwoordigheid van mr. Oude Weernink, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 april 2025.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.