Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-10
ECLI:NL:RBZWB:2025:5291
Strafrecht
Raadkamer
1,990 tokens
Dictum
[klaagster]
geboren op [geboortedag] 1985, wonende te [adres] ,woonplaats kiezende ten kantore van mr. A. Darrazi, Zijlstraat 7, 4811 RZ Breda
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 16 januari 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 30 december 2024 onder klaagster een personenauto, Peugeot 208, voorzien van kenteken; [kenteken] in beslag is genomen;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 27 mei 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, klaagster en mr. A. Darrazi als gemachtigd advocaat van klaagster gehoord.
Namens klaagster wordt aangevoerd dat er onder haar een personenauto (Peugeot 208, voorzien van kenteken; [kenteken] ) in beslag is genomen. Klaagster zou niet meegewerkt hebben aan een ademanalyse en er zou sprake zijn van een recidiverisico. Klaagster is de enige rechthebbende over dit voertuig. Klaagster ontkent de verdenking en dat zij de auto zou hebben bestuurd onder invloed van alcohol. Hoewel klaagster eerder is veroordeeld voor het rijden onder invloed dateren deze zaken uit 2018 en 2022 en heeft klaagster de verplichte cursus bij het CBR gevolgd. Het CBR heeft vervolgens, op 18 november 2024, besloten dat klaagster geschikt is te (blijven) rijden. Klaagster wordt danig bezwaard door de inbeslagname van haar auto. Bovendien meent klaagster dat de inbeslagname buitenproportioneel is en dat er geen enkele reden is om de inbeslagname voort te laten duren. Redenen waarom klaagster de rechtbank verzoekt om tot teruggave van de auto onder gegrond verklaring van haar klaagschrift.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van de auto aan klaagster. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voertuig zal bevelen. Klaagster is eigenaar van de auto en kan vrijelijk over de auto beschikken. Klaagster heeft meerdere malen recidive op het rijden onder invloed. Uit het proces-verbaal van politie maakt de officier van justitie op dat een getuige een vrouw al slingerend over de weg ziet rijden en meerdere bijna-aanrijdingen veroorzaakt in een Peugeot. Vervolgens wordt gezien hoe een vrouw als enige inzittende (van die auto) een woning binnengaat en wordt aangetroffen in de woning door verbalisanten. Dit blijkt klaagster te zijn. Klaagster is duidelijk onder invloed van alcohol en weigert vervolgens elke medewerking. Het klaagschrift is naar de mening van de officier van justitie ongegrond.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klaagster is ontvankelijk in haar beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende vandat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De aanwezigheid van een strafvorderlijk belang sluit niet uit dat de rechtbank onder omstandigheden bij de beoordeling van het klaagschrift ook onderzoekt of voortzetting van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank maakt uit de voor haar beschikbare stukken en het verhandelde in raadkamer op dat een getuige op 30 december 2024 een Peugeot 208 voorzien van kenteken; [kenteken] slingerend op de weg ziet rijden en meerdere malen een (bijna) aanrijding veroorzaakt. Klaagster is rechthebbende over de auto. Vervolgens stopt de betreffende auto voor het woonadres van klaagster te [plaats] en stapt er een vrouw die qua signalement met klaagster overeen zou kunnen komen uit de auto en stapt in de woning gelegen aan de [adres] . Niet lang daarna komt de politie ter plaatse die een recalcitrante klaagster aantreft en, zo leest de rechtbank, zichtbaar en duidelijk onder invloed van alcohol is. Vervolgens weigert klaagster elke medewerking en maakt zij gebruik van haar zwijgrecht. Ter zitting begrijpt de rechtbank dat klaagster de overtreding aan de Wegenverkeerswet ten stelligste ontkent. Hoewel voorgaande summiere samenvatting op zichzelf (meer dan) voldoende is om de betreffende auto in beslag te nemen heeft klaagster het aan haar nader uiteengezette persoonlijke situatie te danken, zoals het verlies van inkomen door de inbeslagname en de zorg voor haar kinderen als alleenstaande moeder, dat voortduring van de inbeslagname de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit overschrijdt. In combinatie met de waarde van de auto en de omstandigheid dat er geen formele recidive of openstaande Wegenverkeerswet zaken op de justitiële documentatie van klaagster staan maken het dat de rechtbank het voor nu hoogst onwaarschijnlijk vindt dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de auto zal bevelen.
Nu er geen strafvorderlijk belang bestaat bij het voortduren van het beslag en de rechtbank niet is gebleken dat een ander dan klager redelijkerwijs als rechthebbende van de auto is aan te merken, zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag gegrond verklaren en de teruggave van de auto aan klager gelasten.
Dictum
De rechtbank verklaart:
het klaagschrift gegrond;
gelast de teruggave van;
- Personenauto, Peugeot 208, Wit, voorzien van kenteken; [kenteken],
aan klaagster.
Deze beslissing is op 10 juni 2025 genomen door mr. J.C. Gillesse rechter, in tegenwoordigheid van J. van ‘t Westende, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 10 juni 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2023:81.