Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-08-01
ECLI:NL:RBZWB:2025:5080
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,585 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/5700
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 augustus 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Oisterwijk, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze tussenuitspraak behandelt de rechtbank de stand van zaken betreffende het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 18 juli 2024.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking van 24 februari 2024 de waarde van de onroerende zaak [adres 1] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 135.000. Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende voor het jaar 2024 ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen (de aanslag OZB) van de gemeente Oisterwijk opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en [belanghebbende] en namens de heffingsambtenaar [persoon] en [taxateur] (taxateur).
1.5.
Van de zitting van 2 juli 2025 is een proces-verbaal opgemaakt, dat tegelijk met deze tussenuitspraak aan partijen beschikbaar wordt gesteld.
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een hoekwoning (bouwjaar 1938). Belanghebbende heeft de woning gekocht in 2016.
Beoordeling
3. De woning is een hoekwoning. Tussen partijen is in geschil welk deel van het opstal tot de woning behoort. Aanleiding voor het verschil van inzicht is onduidelijkheid over de afbakening ten opzichte van het (thans niet meer bestaande) adres [adres 2] . Dat laatstgenoemde adres zou in het verleden een laboratorium zijn geweest. Belanghebbende stelt dat een deel van het opstal niet onder zijn eigendom valt en evenmin bij hem in gebruik is. De heffingsambtenaar betwist dat.
3.1.
De heffingsambtenaar heeft aan de waardevaststelling in beroep een taxatiematrix ten grondslag gelegd waar de waarde van de woning is getaxeerd op € 349.000. In de taxatiematrix is een aparte post opgenomen met de aanduiding ‘Kantoor 102 m2’.
3.2.
Belanghebbende stelt dat uit de koopakte uit 2016 kan worden afgeleid dat het eigendom betrekking heeft op een kleiner deel van het opstal, dan waar de heffingsambtenaar vanuit is gegaan, dat om die reden teveel woonoppervlakte in de waardering is meegenomen en om die reden de WOZ-waarde te hoog is.
3.3.
De rechtbank heeft aan het einde van de zitting het onderzoek in deze zaak gesloten. In raadkamer is de rechtbank tot de slotsom gekomen dat de feiten onvoldoende helder zijn om een voldragen oordeel te kunnen vormen. De slotsom is daarom dat het onderzoek moet worden heropend om nader onderzoek te doen naar de feiten van deze zaak.
3.4.
Het ligt op de weg van belanghebbende om de informatie in te brengen die nodig ter onderbouwing van zijn stelling en waar belanghebbende ter zitting naar heeft verwezen. Bovendien is belanghebbende de partij die de benodigde informatie onder zich heeft. Het gaat om de leveringsakte van de overdracht van de woning bij de notaris, in 2016. De rechtbank zal daarom aan belanghebbende de opdracht geven om een kopie van de leveringsakte in te brengen in deze procedure.
3.5.
Voor het geval belanghebbende niet (meer) over de leveringsakte beschikt, is de opdracht aan belanghebbende om dat kenbaar te maken aan de rechtbank en aan de wederpartij. In dat geval draagt de rechtbank de heffingsambtenaar op om een afschrift van de leveringsakte op te vragen bij het Kadaster. De reden daarvoor is dat de primaire bewijstaak bij de heffingsambtenaar ligt, waaronder de ter discussie gestelde objectafbakening. De heffingsambtenaar is bevoegd en in staat om zonder kosten een afschrift van de leveringsakte op te vragen bij het Kadaster.
Conclusie
4. De conclusie is dat het onderzoek moet worden heropend en dat belanghebbende een bewijsopdracht krijgt. Indien hij daaraan niet kan voldoen, verschuift die verplichting naar de heffingsambtenaar. De uiterlijke datum voor het indienen van het nadere stuk zal worden bepaald op 15 september 2025, ook in het geval de heffingsambtenaar geacht wordt deze in te brengen. De rechtbank roept daarom belanghebbende op om, indien indiening niet mogelijk is, dit zo spoedig mogelijk na ontvangst van deze tussenuitspraak kenbaar te maken.
Dictum
De rechtbank:
heropent het onderzoek;
draagt belanghebbende op om uiterlijk 15 september 2025 een afschrift in te brengen van de leveringsakte uit 2016 waarin de levering van de woning aan belanghebbende beschreven staat, danwel zich kenbaar te maken indien hij daartoe niet in staat is;
draagt de heffingsambtenaar op om – indien belanghebbende niet in staat is gebleken – een afschrift van de genoemde akte op te vragen en deze in te brengen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.T. Jonker, griffier, op 1 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt aan de partij die niet digitaal procedeert aangetekend per post verzonden op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.