Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-07-31
ECLI:NL:RBZWB:2025:5073
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,529 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/1995
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 juli 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] BV, gevestigd te [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Geertruidenberg, de heffingsambtenaar.
1Inleiding
1.1.
In deze uitspraak behandelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 december 2023.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende met dagtekening 25 februari 2023 een biljet toegezonden met daarop twee waardebeschikkingen.
Het betreft allereerst de waarde van de onroerende zaak ter plaatse bekend als [adres 1] (hierna: het object) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 2.650.000 (hierna: beschikking 1). Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen-eigenarenheffing van de gemeente Geertruidenberg voor het jaar 2023 opgelegd (aanslag 1).
Tevens is de waarde van de onroerende zaak ter plaatse bekend als [adres 2] (hierna: het kinderdagverblijf) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 198.000 (hierna: beschikking 2). Tegelijk met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen-eigenarenheffing van de gemeente Geertruidenberg voor het jaar 2023 opgelegd (aanslag 2).
1.3.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende deels gegrond verklaard, de waarde van object 1 verlaagd naar € 2.296.000 en aanslag 1 dienovereenkomstig verlaagd. De waarde en de aanslag van het kinderdagverblijf zijn niet gewijzigd.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig maar niet gevoegd, met de zaak met nummer 24/1994. Aan het slot van deze zitting is de behandeling aangehouden en hebben partijen een bewijsopdracht gekregen. Partijen hebben daaraan gevolg gegeven.
1.6.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting van 30 juli 2025 hervat. Hieraan hebben deelgenomen als gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde] , directeur en namens de heffingsambtenaar [persoon] .
Beoordeling
2.1.
Belanghebbende was op de waardepeildatum eigenaar van beide objecten. De betreden beschikkingen zijn zogeheten eigenaren-beschikkingen. Tegelijk met deze zaak is het beroep van de gebruiker van object 1 behandeld. In die zaak is heden ook uitspraak gedaan. De gebruikers-beschikking en aanslag van object 2 maken geen onderdeel uit van dit geschil.
2.2.
Partijen hebben ter zitting bij wijze van compromis overeenstemming bereikt. Afgesproken is dat de waarde van object 1 voor het jaar 2023 wordt vastgesteld op € 1.800.000. Deze waarde heeft betrekking op het afgebakende deel van de
voormalige school, exclusief het gedeelte waarin het kinderdagverblijf was gevestigd. Zoals ter zitting besproken wordt in deze uitspraak het ter zitting bereikte compromis bevestigd. Aanslag 1 zal de WOZ-waarde van object 1 volgen en dus ook worden verlaagd. De waardebeschikking van object 2 alsmede aanslag 2 wijzigt niet.
Conclusie
3.1.
Het beroep is (deels) gegrond. Dit betekent dat beschikking 1 wordt verlaagd. Aanslag 1 volgt de beschikking en moet dus ook worden verlaagd. De rechtbank vernietigt in zoverre de uitspraak op bezwaar.
3.2.
Omdat het beroep (deels) gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Belanghebbende heeft geen proceskosten gesteld.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op beschikking 1 en aanslag 1 en bevestigt de uitspraak voor het overige;
vermindert beschikking (waarmee de WOZ-waarde van object 1 is bepaald) tot een bedrag van € 1.800.000;
vermindert aanslag 1 dienovereenkomstig;
handhaaft beschikking 2 (waarmee de WOZ-waarde van object 2 is bepaald) en aanslag 2;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van M.M.I. van Dijk-Saris, griffier, op 31 juli 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Zaaknummer 24/1994
Tussen partijen is niet langer in geschil dat op basis van het gebruik het object in delen is opgesplitst (de zogeheten object-afbakening).