Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-08-01
ECLI:NL:RBZWB:2025:4887
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
943 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2022
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 augustus 2025 in de zaak tussen
[verzoekster], uit [plaats] , verzoekster,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Inleiding
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van verweerder van 30 augustus 2024, over het afwijzen van een aanvraag om een uitschuifbare wapenstok en vuurwapen toe te kennen aan één van de bijzondere opsporingsambtenaren (hierna: boa) die werkzaam is bij verzoekster. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening. Met het bestreden besluit van 17 juni 2025 op het bezwaar van verzoekster heeft het college dat besluit gehandhaafd. Verzoekster heeft tegen dat besluit op bezwaar beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Beoordeling
1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin – in dit geval – de uitspraak in beroep niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid).
2. Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening. Voor de boa is vereist dat hij de benodigde geweldsmiddelen toegekend krijgt, om de aan hem opgedragen taken uit te voeren en in het belang van de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Zonder deze geweldsmiddelen kunnen die taken en werkzaamheden bij dreigende of gevaarlijke situaties niet veilig en effectief worden uitgevoerd.
3. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster onvoldoende spoedeisend belang bij haar verzoek om voorlopige voorziening. Een schorsing van de afwijzing in afwachting van de uitspraak in beroep heeft niet tot gevolg dat de boa de geweldsmiddelen mag gebruiken. Het bij wijze van voorlopige voorziening verlenen van toestemming voor het gebruik van die geweldsmiddelen is een heel vergaande maatregel, die niet past bij het karakter van een voorlopige voorzieningenprocedure. Verzoekster heeft daarnaast niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat de boa geen enkele van zijn taak en werkzaamheden uit kan voeren zonder deze geweldsmiddelen.
4. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 1 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb.