Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-18
ECLI:NL:RBZWB:2025:4814
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,462 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 11528280 \ CV EXPL 25-474
Vonnis van 18 juni 2025
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
te [plaats 1] ,2. [eiser 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. C.G.A. Mattheussens,
tegen
STICHTING THUISVESTER,
te Oosterhout ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Thuisvester ,
gemachtigde: mr. M.C.E. Wirken.
1De zaak in het kort
De zaak gaat over de vraag of de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst moet worden vernietigd. De kantonrechter vindt van niet. De subsidiair aangevoerde grondslag dat sprake is van misbruik van recht slaagt naar het oordeel van de kantonrechter ook niet. Ook ziet de kantonrechter geen aanleiding voor een langere ontruimingstermijn. Dit betekent dat [eiser 1] en [eiser 2] de woning moeten verlaten.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 30 april 2025
- de akte van [eisers] , met producties 9 t/m 22- de akte verandering van eis
- de mondelinge behandeling van 15 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de ter zitting overhandigde en voorgedragen spreekaantekeningen van Thuisvester .
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
Tussen partijen staan de volgende relevante feiten vast:
[eisers] en Thuisvester hebben eind 2018 een huurovereenkomst gesloten voor de woning aan het [adres 1] in [plaats 2] ;
ij brief van 29 juli 2019 heeft Thuisvester de huurovereenkomst vernietigd op grond van bedrog dan wel dwaling, omdat [eisers] Thuisvester bewust onjuist zou hebben geïnformeerd over de inschrijfduur bij een inschrijving in Klik voor Wonen op basis waarvan [eisers] ten onrechte de woning toegewezen hebben gekregen;
door Thuisvester is een procedure gestart om de huurovereenkomst te vernietigen. Op 24 februari 2021 is in deze zaak vonnis gewezen (zaaknummer 8431937 CV EXPL 20-1102) en is de huurovereenkomst tussen partijen vernietigd wegens dwaling. Bedrog door [eisers] is daarbij niet aangenomen door de kantonrechter. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
Thuisvester heeft de ontruiming niet ingepland, onder meer vanwege het door [eisers] ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter;
[eisers] is een procedure gestart bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Na onderhandelingen is op 16 januari 2023 tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen. In deze vaststellingsovereenkomst is het volgende opgenomen:
“- de oorspronkelijke inschrijfduur van [eiser 1] zal worden teruggezet (…)
- [eiser 1] en [eiser 2] krijgen vanaf 1 december 2022 twee jaar de tijd om, met de oorspronkelijke inschrijfduur, andere woonruimte te zoeken;
- Op 1 december 2024 dienen [eiser 1] en [eiser 2] de woning te hebben verlaten en deugdelijk, met alle haren en zijnen, te hebben ontruimd (er komt aldus in de tussengelegen periode geen huurovereenkomst tot stand);
- Er vinden twee evaluatiemomenten per jaar plaats met [eiser 1] en [eiser 2] als ondersteuning in de zoektocht naar een andere woonruimte. [eiser 1] en [eiser 2] zullen echter zelf in actie moeten komen om een andere woonruimte te vinden.”
op 26 maart 2024 heeft een evaluatiegesprek plaatsgevonden tussen [eisers] en Thuisvester over het zoeken en vinden van een andere woning. Daarbij is ook de optie woningruil besproken. Thuisvester heeft in haar brief van 8 april 2024 vermeld dat Thuisvester in beginsel best bereid is om een verzoek tot woningruil in behandeling te nemen, maar dat dit enkel en alleen plaats kan vinden wanneer aan de voorwaarden van woningruil wordt voldaan zoals deze ook op de website van Thuisvester staan vermeld. Vervolgens is door [eisers] een verzoek gedaan tot woningruil met de directe buurvrouw op [adres 2] . Dit verzoek tot woningruil is door Thuisvester afgewezen bij brief van 12 juni 2024.
[eisers] is een kort geding procedure gestart, waarin op 29 januari 2025 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Op 12 februari 2025 is vonnis gewezen (zaaknummer 11479643 VV EXPL 25-1), waarbij de vordering van [eisers] grotendeels is afgewezen.
Thuisvester heeft de aangezegde ontruiming van 13 maart 2025 om 10:00 uur geannuleerd en opnieuw gepland op 26 juni 2025 om 10:00 uur, onder andere gelet op de ontruimingstermijn van drie maanden in het voornoemde vonnis.
Geschil
4.1.
[eisers] vordert na wijziging van eis primair de op 16 februari 2023 gesloten vaststellingsovereenkomst te vernietigen althans te verklaren voor recht dat het Thuisvester niet is toegestaan om op grond van de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst dan wel op welke grond dan ook de woning te ontruimen. [eisers] vordert daarnaast om Thuisvester te veroordelen om binnen twee weken na dit vonnis een nieuwe huurovereenkomst te sluiten met [eisers] voor de woning aan [adres 1] te [plaats 1] . Subsidiair vordert [eisers] Thuisvester te veroordelen om binnen een maand na dit vonnis medewerking te verlenen aan woningruil. Meer subsidiair vordert [eisers] Thuisvester te verbieden om binnen een jaar na dit vonnis over te gaan tot ontruiming van de woning en te veroordelen twee evaluatiemomenten met [eisers] te houden waarbij zij [eisers] behulpzaam is bij het zoeken naar andere passende woonruimte, op straffe van een dwangsom als Thuisvester hiermee in strijd handelt. Zowel primair, subsidiair en meer subsidiair vordert [eisers] veroordeling van Thuisvester in de proceskosten.
4.2.
[eisers] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Primair stelt [eisers] dat de vaststellingsovereenkomst moet worden vernietigd op grond van een wilsgebrek in de zin van artikel 3:44 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hij voert daartoe aan dat de vaststellingsovereenkomst is gesloten onder bedreiging dan wel dat sprake is van misbruik van omstandigheden door Thuisvester . Subsidiair voert [eisers] aan dat sprake is van misbruik van recht en strijd met artikel 3 IVRK. Verder legt [eisers] aan zijn vordering ten grondslag dat Thuisvester heeft toegezegd dat [eisers] in aanmerking kwam voor woningruil met de buurvrouw. Daarom moet zij deze toezegging nakomen. Bovendien is Thuisvester tekortgeschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst omdat zij niet heeft voldaan aan de vaststellingsovereenkomst in die zin dat zij niet jaarlijks twee evaluatiemomenten met [eisers] heeft gehouden.
4.3.
Thuisvester voert verweer. Thuisvester concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
4.4.
Thuisvester voert daartoe aan dat er geen geschil is over de inhoud van de vaststellingovereenkomst of de uitleg daarvan. Thuisvester betwist dat sprake is geweest van bedreiging of misbruik van omstandigheden bij het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst. Ook is er naar de mening van Thuisvester geen sprake van misbruik van recht of gehandeld in strijd met artikel 3 IVRK. Thuisvester voert daarnaast aan dat door haar geen toezegging is gedaan tot de woningruil, maar dat slechts de toezegging is gedaan dat zij een door [eisers] verzoek tot woningruil zal beoordelen.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
Geen vernietiging van de vaststellingsovereenkomst op grond van een wilsgebrek
5.1.
[eisers] heeft primair aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de vaststellingsovereenkomst moet worden vernietigd op grond van een wilsgebrek in de zin van artikel 3:44 BW. Hij voert daartoe aan dat sprake is geweest van bedreiging dan wel misbruik van omstandigheden bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Dit wordt door Thuisvester betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen sprake van bedreiging of misbruik van omstandigheden. De kantonrechter legt hierna uit waarom.
Ten eerste merkt de kantonrechter op dat door [eisers] in de dagvaarding een onjuiste voorstelling van zaken is gegeven. Zo heeft hij daarin opgenomen dat Thuisvester heeft gedreigd met executie van het vonnis en zij niet het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch af wilde wachten. Vast is komen te staan dat Thuisvester het arrest wel wilde afwachten. Zij heeft namelijk geen stappen ondernomen om het vonnis te executeren, ook al had zij dat kunnen doen. De enkele omstandigheid dat Thuisvester tijdens de procedure in hoger beroep gezegd heeft dat [eisers] de woning binnen twee weken moet verlaten als hij ongelijk krijgt in die procedure, levert naar het oordeel van de kantonrechter geen bedreiging op. Dat een ontruiming volgt na een eventueel verloren hoger beroep is immers een logische consequentie. [eisers] heeft tijdens de mondelinge behandeling ook aangevoerd dat door Thuisvester keer op keer op keer is aangedrongen om de vaststellingsovereenkomst te tekenen en hij daar daarom toe over is gegaan. Ook op dit punt concludeert de kantonrechter dat het standpunt van [eisers] onjuist is. Door Thuisvester is toegelicht dat zij aan het begin van de procedure gevraagd of [eisers] een vaststellingsovereenkomst wil sluiten en dat zij dit ook heeft gevraagd kort voor de mondelinge behandeling. Tussen deze momenten zat anderhalf jaar. Daar komt bij dat [eisers] werd bijgestaan door een advocaat en dat alle contacten over het sluiten van een vaststellingsovereenkomst via die advocaat zijn gelopen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan hierbij niet gesproken worden van enige dwang.
Ten aanzien van het standpunt dat sprake is van misbruik van omstandigheden door Thuisvester oordeelt de kantonrechter als volgt. De kantonrechter acht het best voorstelbaar dat [eisers] in lastige persoonlijke omstandigheden zat, in combinatie met onzekerheid over de uitkomst van de procedure in hoger beroep, maar dat maakt niet dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Thuisvester hoefde [eisers] niet te weerhouden van het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. De vaststellingsovereenkomst had namelijk zowel voor [eisers] als voor Thuisvester voor- en nadelen. Bovendien speelt ook hier een rol dat [eisers] in deze procedure werd bijgestaan door een advocaat.
Het voorgaande maakt dat de kantonrechter oordeelt dat de primaire grondslag niet slaagt.
Geen misbruik van recht
5.2.
Subsidiair heeft [eisers] aangevoerd dat sprake is van misbruik van recht. Dit misbruik houdt volgens [eisers] in dat achteraf is komen vast te staan dat hij in hoger beroep gelijk zou hebben gekregen. Hij vindt het daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Thuisvester nu alsnog gebruik maakt van bevoegdheden die volgen uit de vaststellingsovereenkomst en zij de ontruiming wil executeren. [eisers] stelt dat Thuisvester geen belang heeft bij een ontruiming. Thuisvester betwist dit. Zij voert daartoe aan dat [eisers] op basis van zijn werkelijke inschrijftijd destijds niet in aanmerking kon komen voor de huidige woning. Dit wil zij graag rechttrekken. Thuisvester hecht er veel belang aan dat mensen in de woning terechtkomen op basis van het toedelingssysteem. Zij kan hierop geen uitzondering maken. [eisers] heeft recht op een woning en komt ook voor voldoende (andere) woningen in aanmerking op basis van de inschrijftijd en de voorrangsregeling die op [eisers] van toepassing is, echter niet voor de huidige woning omdat deze niet passend is. [eisers] voldoet niet aan de hiervoor geldende criteria.
5.3.
Ook ten aanzien van deze grondslag merkt de kantonrechter op dat de feitelijke stellingen niet helemaal juist weergegeven zijn door [eisers] in de dagvaarding. De kantonrechter is met Thuisvester van oordeel dat de subsidiaire grondslag, misbruik van recht, niet slaagt.
Los van de vraag of [eisers] in hoger beroep inderdaad gelijk zou hebben gekregen, geldt dat de kern van een vaststellingsovereenkomst is dat een einde wordt gemaakt aan het geschil, onder afweging van goede en kwade kansen. [eisers] heeft hiervoor gekozen en is daarin bijgestaan door een advocaat. Dat Thuisvester nakoming vraagt van de vaststellingsovereenkomst is begrijpelijk. Bovendien is in alle vergelijkbare zaken waarin Thuisvester partij was een vergelijkbare regeling getroffen met de huurders. Al deze vaststellingsovereenkomsten zijn nageleefd. Dit heeft geleid tot het verlaten van de onjuist toebedeelde huurwoning door deze huurders. De kantonrechter begrijpt dat Thuisvester belang hecht aan het gelijkelijk behandelen van deze vergelijkbare zaken en dat recht wordt gedaan aan het belang van Thuisvester om zorg te dragen voor een eerlijke verdeling van sociale woonruimte en het passend toewijzen van woningen.
5.4.
Door [eisers] is ook aangevoerd dat een ontruiming ernstige gevolgen heeft voor de kinderen. Zij hebben er belang bij in de woning te kunnen blijven wonen en niet uit hun vertrouwde omgeving te worden gehaald. Naar het oordeel van de kantonrechter slaagt dit verweer niet. Bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst speelden deze gevolgen ook al een rol en zijn deze gevolgen meegewogen. Hier is onder meer rekening mee gehouden doordat [eisers] nog een periode van twee jaar heeft gekregen na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst om op zoek te gaan naar andere woonruimte.
Woningruil
5.5.
[eisers] stelt dat Thuisvester een toezegging heeft gedaan om woningruil mogelijk te maken. De aangevraagde woningruil voldeed aan de eisen die Thuisvester stelde, echter is de aanvraag afgewezen vanwege de vaststellingsovereenkomst die partijen hebben gesloten. Thuisvester betwist dat dit de reden van de afwijzing was. Zij voert daartoe aan dat zij slechts een toezegging heeft gedaan om naar een aanvraag tot woningruil te kijken, maar niet dat zij de woningruil zou toewijzen. Omdat [eisers] niet voldeed aan de gestelde eisen voor woningruil, waaronder de inkomenseisen is de aanvraag tot woningruil afgewezen. Doordat niet aan de inkomenseisen werd voldaan was geen sprake van een passende woning. De kantonrechter oordeelt dat door [eisers] onvoldoende is onderbouwd dat hij op dat moment wel voldeed aan de eisen van woningruil. [eisers] heeft wel gesteld dat het inkomen voldoende was om in aanmerking te komen voor de woningruil, maar heeft dit niet aangetoond met stukken. Ook is door hem niet aangetoond dat op het moment dat de beoordeling van de aanvraag plaatsvond, de woning waarmee de woningruil plaats zou vinden een passende woning was. Bovendien staat het Thuisvester vrij om te beoordelen of sprake is van een passende toewijzing, ook al is wel voldaan aan de inkomenseis. Thuisvester heeft de aanvraag beoordeeld en geconcludeerd dat [eisers] niet aan de daaraan gestelde eisen voldeed. Door Thuisvester is verder toegelicht dat bij een nieuwe aanvraag tot woningruil gekeken moet worden naar de normen die daar op dit moment op van toepassing zijn. Zowel deze normen als het inkomen van [eisers] is veranderd in de afgelopen jaren, waardoor woningruil met de directe buren ook op dit moment niet toegewezen zal kunnen worden omdat niet aan de gestelde eisen wordt voldaan.
Conclusie
5.9.
Al het voorgaande maakt dat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen, zowel primair, subsidiair als meer subsidiair.
Proceskosten
5.10.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Thuisvester worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
510,00
Dictum
De kantonrechter
6.1.
wijst de vorderingen van [eisers] af,
6.2.
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 510,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2025.