Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-07-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:4511
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,397 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2633
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juli 2025 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: [persoon] ),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker inzake de weigering van het UWV om verzoeker een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 28 mei 2024 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 30 april 2025 heeft het UWV verzoekers bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Tevens heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de beroepsprocedure het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
4. De griffier heeft aan verzoeker gevraagd om de spoedeisendheid van zijn verzoek toe te lichten. Daarbij is verzoeker verzocht om een overzicht van zijn financiële situatie, waaruit blijkt van zijn inkomsten en vaste lasten, spaargelden of andere vermogensbestanddelen, bij voorkeur met bewijsstukken.
4.1.
In zijn reactie op het verzoek van de griffier heeft verzoeker aangegeven dat hij sinds januari 2024 in een ernstige financiële noodsituatie verkeert omdat hij sindsdien geen structurele inkomsten meer heeft. Hij heeft tijdelijk kunnen overleven dankzij incidentele hulp van familieleden, beperkte eigen middelen en uitgestelde betalingen van vaste lasten. De laatste maanden zou ondersteuning door zijn ouders stopgezet zijn vanwege hun beperkte draagkracht. Verzoeker heeft een afschrift van zijn betaalrekening over de periode van 1 april 2025 tot en met 30 juni 2025 overgelegd. Ook heeft verzoeker een afschrift van zijn spaarrekening over de periode van 30 juni 2025 tot en met 1 juli 2025 overgelegd.
4.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit wat verzoeker heeft aangevoerd niet dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dat verzoeker ten tijde van het bestreden besluit, en ook nog toen hij op 27 mei 2025 een verzoek om voorlopige voorziening indiende, aanzienlijke bedragen tot zijn beschikking had. Zo is er op 1 mei 2025 een bedrag van € 1.000,- overgeschreven van eisers spaarrekening naar zijn betaalrekening. Op 7 mei 2025 is een bedrag van € 4.000,- overgemaakt van eisers spaarrekening naar zijn betaalrekening. Dat uit het overgelegde afschrift blijkt dat het saldo op verzoekers spaarrekening op 1 juli 2025 ‘slechts’ € 700,- bedroeg, doet hieraan niet af. Uit de afschriften van verzoekers betaalrekening blijkt immers dat verzoeker enkele dagen eerder, op 27 juni 2025 en 28 juni 2025, in totaal nog een bedrag van € 3.250,- heeft overgemaakt naar zijn betaalrekening. Daar komt bij dat betaling van een aantal van de door verzoeker gestelde vaste lasten niet uit de door hem overgelegde bankafschriften blijkt. Zo staat daar geen afschrijving kostgeld aan verzoekers ouders van € 350,- per maand op en ook ontbreekt een afschrijving voor de ziektekostenverzekering die volgens verzoeker € 147,- per maand zou bedragen.
4.3.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in zodanige omstandigheden verkeert dat van hem niet kan worden verlangd dat hij de beroepsprocedure afwacht.
Conclusie
5. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 11 juli 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.