Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-05-28
ECLI:NL:RBZWB:2025:4390
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,340 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 10230086 \ MB VERZ 22-980
CJIB-nummer : 9062 5422 4603 6755
uitspraakdatum : 28 mei 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene] B.V.
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. B. de Jong (Skandara B.V.)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft de beschikking vernietigd. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 28 mei 2025. Namens de officier van justitie is verschenen [naam 1] (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Namens Skandara B.V. is
[naam 2] verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de zaak samen met 17 andere zaken onterecht als samenhangend is aangemerkt. Gemachtigde stelt dat geen sprake is van een gelijktijdige behandeling, aangezien de hoorzittingen op verschillende momenten hebben plaatsgevonden. Ook gaat het niet om identieke werkzaamheden, aangezien het verschillende pleeglocaties en verschillende werkzaamheden betreffen. Daarnaast heeft het CVOM 0,5 punt toegekend voor de hoorzitting, terwijl 1 punt toegekend had moeten worden. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding.
Ter zitting heeft gemachtigde geen ander verweer toegevoegd.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Terecht is afgezien van horen gelet op de uitspraken van hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2021:4781 en ECLI:NL:GHARL:2021:7004). Destijds was er ook sprake van corona dus vanwege de richtlijnen kon fysiek niet gehoord worden en moest dat anders ingericht worden. Terecht is door het CVOM een proceskostenvergoeding van 0,5 punt toegekend voor de hoorzitting. Tussen de verschillende zaken heeft veel tijd gezet tussen de hoorzittingen. Er is dus geen sprake van een gelijktijdige behandeling en daarom is er geen samenhang.
Overwegingen
Met de gemachtigde en de zittingsvertegenwoordiger is de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is van samenhangende zaken De officier van justitie heeft dan ook ten onrechte samenhang van deze zaak met 17 andere zaken aangenomen. Het beroep is gegrond.
Dit betekent dat het bestreden besluit, waarbij een proceskostenvergoeding is toegekend op basis van samenhangende zaken, moet worden vernietigd en dat er een aangepaste proceskostenvergoeding moet worden toegekend.
De kantonrechter overweegt dat voor de fase bij de kantonrechter wegingsfactor 0,25 zal worden toegepast, nu in deze fase alleen de proceskostenvergoeding nog in geschil was.
Bij de berekening van de proceskostenvergoeding wordt voor de telefonische hoorzitting bij de officier van justitie, met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, 0,5 punt toegekend (zie ECLI:NL:GHARL:2021:7004).
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen. Daarbij wordt voor de telefonische hoorzitting bij de officier van justitie, met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, 0,5 punt toegekend (zie ECLI:NL:GHARL:2021:7004).
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 624,- = € 323,50
telefonische hoorzitting: 0,5 punt x gewicht 0,5 x € 647,- = € 161,75
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,25 x € 907,- = € 226,75
zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,25 x € 907,- = € 226,75
totaal € 905,50
Bij de uitbetaling mag de officier van justitie het aan deze zaak toe te rekenen deel van de eerder toegekende proceskostenvergoeding in mindering brengen, te weten € 608,63 / 18 = € 33,81, zodat de nabetaling of 871,69 bedraagt.
Met de zittingsvertegenwoordiger is de kantonrechter van oordeel dat terecht is afgezien van fysiek horen door de officier van justitie.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie voor zover daarbij voor deze zaak een proceskostenvergoeding is toegekend gebaseerd op samenhangende zaken;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 905,50;
‒ bepaalt dat de officier van justitie daarvan € 871,69 dient (na) te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.V. van Aardenne, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: