Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-07-02
ECLI:NL:RBZWB:2025:4353
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,198 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5767
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 26 juni 2024 betreffende de door de inspecteur opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens de inspecteur: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.2.
Belanghebbende is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. De griffier heeft op 14 mei 2025 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Van de plaatsing van dit bericht is op dezelfde datum een notificatie aan belanghebbende verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Daarom neemt de rechtbank aan dat belanghebbende dit bericht op 14 mei 2025 heeft ontvangen. De rechtbank stelt daarmee vast dat belanghebbende correct en op de juiste wijze voor de zitting is uitgenodigd.
1.3.
Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank direct mondeling uitspraak gedaan, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV 2022 een bedrag aan restant persoonsgebonden aftrek naar een bedrag van € 1.500 in aanmerking dient te nemen.
2.1.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in de aangifte IB/PVV 2021 een bedrag van € 1.500 aan scholingskosten in aftrek heeft genomen als persoonsgebonden aftrek. De inspecteur heeft deze scholingskosten, na aftrek van het niet-aftrekbare drempelbedrag, als persoonsgebonden aftrek in aanmerking genomen bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV 2021. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2022 terecht het door belanghebbende in aanmerking genomen bedrag aan restant persoonsgebonden aftrek van € 1.500 niet in aanmerking heeft genomen.
2.2.
Het gelijk is aan de inspecteur, dat betekent dat de aangifte IB/PVV 2022 in stand blijft.
2.3.
De rechtbank stelt vast dat belanghebbende in 2023 vanwege de beëindiging van zijn dienstbetrekking een bedrag van € 1.500 aan studiekosten heeft moeten terugbetalen aan zijn werkgever. Anders dan belanghebbende heeft gesteld, kan deze terugbetaling niet leiden tot een additionele aftrek van scholingsuitgaven over het jaar 2021 omdat deze kosten niet in 2021 maar in 2023 op belanghebbende hebben gedrukt. Omdat de aftrekbaarheid van scholingsuitgaven met ingang van 1 januari 2022 is vervallen, kunnen deze scholingsuitgaven ook in 2023 niet als persoonsgebonden aftrek in aanmerking genomen worden.
2.4.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt belanghebbende het griffierecht niet terug.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken op 2 juli 2025 door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Panah, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Dit proces-verbaal is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Gelet op artikel 8:36c, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).