Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:4128
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,921 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummers: 11049327 \ MB VERZ 24-464 - 11024626 \ MB VERZ 24-412 - 11024657 \ MB VERZ 24-415
CJIB-nummers: 7062 5422 5409 5000
1062 5422 5522 5421
0062 5422 5409 4890
uitspraakdatum: 11 februari 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op de beroepen op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaken van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. B. de Jong (Adviesbureau Skandara B.V.)
Procesverloop
Aan betrokkene zijn drie administratieve sancties (hierna: boetes) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft alle beroepen ongegrond verklaard. Tegen die beslissingen is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaken zijn behandeld op de zitting van 11 februari 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedragingen waarvoor de boetes zijn opgelegd luiden, kort omschreven: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden op de
- A58 te Ulvenhout op 24 november 2022 om 12:14 uur;
- A16 te Prinsenbeek op 18 januari 2023 om 12:07 uur;
- A58 te Ulvenhout op 24 november 2022 om 13:16 uur.
Gemachtigde heeft in de beroepschriften samengevat aangevoerd dat betrokkene ten onrechte niet is staande gehouden. Gemachtigde verwijst naar uitspraken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid bestond om een staandehouding te verrichten mogen de sancties aan de kentekenhouder worden opgelegd. Uit de zaakoverzichten blijkt dat de verbalisant samen met een andere collega ter plekke aanwezig was. Het was dus ook mogelijk geweest dat één van de twee verbalisanten de apparatuur bediende en de andere de staandehoudingen verrichtte. Nu de verbalisant niet heeft gemotiveerd om welke reden de controle op deze wijze is vormgegeven, kunnen de sanctiebeschikkingen niet aan de kentekenhouder worden opgelegd. Voorts verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht de beroepen deels gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ter zitting heeft de zittingsvertegenwoordiger aanvullende processen-verbaal overgelegd in alle zaken waaruit blijkt dat sprake was van een eenmanscontrole en er dus geen reële mogelijkheid was tot staandehouding.
De zittingsvertegenwoordiger verzoekt de boetebedragen te matigen met 25% omdat de redelijke termijn is overschreden. De zittingsvertegenwoordiger verzoekt de beroepen voor het overige ongegrond te verklaren.
Overwegingen
Inhoudelijk
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in de dossiers - met name uit de verklaringen van de verbalisant - voldoende blijkt dat de gedragingen waarvoor de boetes zijn opgelegd, zijn verricht.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van de verbalisant. De verbalisant heeft met behulp van twee beelden op een camerasysteem de gedragingen (afzonderlijk) geconstateerd.
De boetes zijn dus terecht opgelegd.
Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Volgens de aanvullende processen-verbaal heeft de verbalisant afgezien van staandehouding omdat er sprake was van éénmanscontroles. Naar het oordeel van de kantonrechter waren er dan ook geen reële mogelijkheden tot staandehouding. De boetes zijn dus terecht opgelegd aan de kentekenhouder.
Overschrijding redelijke termijn
Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval zijn boetes respectievelijk opgelegd op 6 december 2022, 28 januari 2023 en
6 december 2022 en is de redelijke termijn dus telkens overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boetes matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). De beroepen zijn dus gedeeltelijk gegrond. De beslissingen van de officier van justitie zullen worden gewijzigd. De bedragen die betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moeten door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskostenvergoeding
Nu de boetes worden gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van de beroepen bij de kantonrechter. De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van samenhang tussen de beroepen nu hetzelfde verweer wordt gevoerd en de zaken tegelijkertijd op zitting zijn behandeld. De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- x factor samenhang 1 = € 453,50 totaal.
Dictum
De kantonrechter:
verklaart de beroepen tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep gegrond en vernietigt die beslissingen;
verklaart de beroepen tegen de inleidende beschikkingen gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikkingen in zoverre dat de bedragen van de boetes worden gewijzigd in € 262,50, plus € 9,- administratiekosten per CJIB-nummer;
draagt de officier van justitie op het bedrag van € 87,50 per CJIB-nummer, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 453,50 totaal.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier C.G. Zevenhuijzen, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025.
Als u het niet eens bent met deze beslissing , dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.