Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-05-23
ECLI:NL:RBZWB:2025:3820
Strafrecht
Raadkamer
1,341 tokens
Dictum
[klager],
geboren op [geboortedag] 2009 te [geboorteplaats] ([land]),
woonplaats kiezende ten kantore van mr. T. van Riel, Postbus 1030, 4801 BA Breda,
hierna te noemen: de klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 3 december 2024 een telefoon (merk Redmi) onder klager in beslag is genomen;
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 12 februari 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 20 mei 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. C.P.G. Tax en mr. T. van Riel als gemachtigd advocaat van klager gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat klager onevenredig wordt belast door de inbeslagname van de telefoon. Klager heeft belang bij teruggave, omdat zich op zijn telefoon diverse belangrijke documenten bevinden die hij momenteel nodig heeft. De telefoon is veel waard voor hem. Zijn persoonlijke belang dient, mede gelet op zijn jeugdige leeftijd, te prevaleren boven het strafvorderlijke belang.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beslag dient te worden gehandhaafd. Het is niet hoogst onwaarschijnlijk dat een rechter later oordelend tot verbeurdverklaring van het beslag zal beslissen. Voorts is door de raadsman niet naar voren gebracht waarom niet tot de zitting in juni 2025 kan worden gewacht.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De aanwezigheid van een strafvorderlijk belang sluit niet uit dat de rechtbank onder omstandigheden bij de beoordeling van het klaagschrift ook onderzoekt of voortzetting van het beslag voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
De rechtbank gaat er vooralsnog van uit dat de telefoon is gebruikt ten behoeve van het plegen van het strafbaar feit waarvan hij wordt verdacht. De door de raadsman gestelde belangen zijn vooralsnog weinig concreet en overigens van onvoldoende gewicht om thans te oordelen dat het voortduren van het beslag disproportioneel is. Het is dan ook niet hoogst onwaarschijnlijk dat een rechter later oordelend tot verbeurdverklaring van die telefoon zal beslissen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 23 mei 2025 genomen door mr. L.W. Louwerse, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.S.S. Fanis, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 23 mei 2025.
De griffier is niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
ECLI:NL:HR:2023:81.