Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-16
ECLI:NL:RBZWB:2025:3734
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,224 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/8523 PARKBL
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Breda, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 4 oktober 2024.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Motivering
3. Vast staat dat de dagtekening van de uitspraak op bezwaar 4 oktober 2024 is. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending ervan later dan die datum heeft plaatsgevonden.
3.1.
De wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn eindigde op 15 november 2024. Een beroepschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de termijn is ontvangen, of als het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
3.2.
De rechtbank heeft het beroepschrift op 24 december 2024 ontvangen. Het beroepschrift is daarom niet-tijdig ingediend.
3.3.
De wetsartikelen over beroepstermijnen zijn dwingend van aard. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroep in verzuim is geweest, oftewel als de termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
3.4.
De griffier heeft belanghebbende de kans gegeven zich uit te laten over de reden voor de termijnoverschrijding. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij gedurende de beroepstermijn met gezondheidsproblemen kampte en dat hij, na een doktersbezoek in het ziekenhuis op 22 december 2024, de locatie heeft bezocht waar de naheffingsaanslag parkeerbelasting betrekking op had. Ter plaatse heeft hij opgemerkt dat de borden met zone nummers verkeerd stonden en daarom heeft hij besloten om alsnog beroep in te stellen.
3.5.
De rechtbank overweegt dat belanghebbende, gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd, gedurende de gehele beroepstermijn geen aanleiding heeft gezien om beroep in de stellen tegen de uitspraak op bezwaar. Dat belanghebbende met gezondheidsklachten kampte is uiteraard vervelend, maar belanghebbende heeft pas ruim na het einde van de beroepstermijn, na een bezoek aan de betreffende parkeerlocatie, besloten om een beroepschrift in te dienen. In dat geval kan niet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Ook anderszins is niet gebleken dat sprake is geweest van een omstandigheid die dusdanig is dat belanghebbende niet verweten kan worden dat hij, of iemand namens hem, niet binnen de beroepstermijn een beroepschrift heeft ingediend.
Conclusie
4. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 16 juni 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.