Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:3646
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
4,977 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/423338 / HA ZA 24-307
Vonnis van 11 juni 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BOUWBEDRIJF LYMBOUW BV,
gevestigd te Breda,
hierna: Lymbouw,
eiseres,
advocaat mr. M.B.A. Alkema,
tegen
1
[gedaagde 1],
wonende te [plaats],
2. [gedaagde 2],
wonende te [plaats],
hierna: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
gedaagden,
advocaat mr. Y.J.H. van Griensven.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 5 maart 2025, met alle daarin vermelde stukken,
de akte van Lymbouw van 9 april 2025 met producties genummerd 15 t/m 18,
de antwoordakte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 7 mei 2025.
1.2.
Nadat de aktes zijn genomen heeft de rechtbank bepaald dat dit vonnis er zou komen.
2De verdere beoordeling
Herstel kennelijke fout
2.1.
Het is de rechtbank gebleken dat in het tussenvonnis van 5 maart 2025 sprake is van een kennelijke fout, die zich voor eenvoudig herstel leent. In het dictum van voormeld vonnis (r.o. 5.1) wordt voor het door Lymbouw te nemen akte namelijk verwezen naar r.o. 4.39 terwijl r.o. 4.45 is bedoeld. Deze fout zal hierna in het dictum worden hersteld.
2.2.
Lymbouw vordert onder andere betaling van het bedrag van € 8.451,00 in verband met de aangebrachte elektra-installaties in de woning van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 5 maart 2025, kort samengevat, onder andere overwogen dat vast is komen te staan dat de opdracht is gegeven tot meerwerk waarvoor nog betaald moet worden, maar dat nog niet te beoordelen was welke kosten hiervoor zijn gemaakt zodat ook de redelijkheid daarvan nog niet kon worden beoordeeld. Om die reden is een nadere aktewisseling bevolen.
2.3.
Lymbouw heeft bij akte tekeningen van haar onderaannemer [onderaannemer] (hierna: [onderaannemer]) overgelegd, waarin met verschillende kleuren het meerwerk is aangegeven. [onderaannemer] heeft de kosten voor dit werk – naar de prijzen van 2021 – begroot. Volgens Lymbouw bedragen de totale kosten voor het opgedragen meerwerk € 7.575,77.
2.4.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gereageerd bij antwoordakte. Zij betwisten onder andere dat een aantal zaken meerwerk vormen en dat het in rekening gebrachte uurtarief een redelijk loon vormt.
2.5.
De rechtbank zal de gevorderde meerkosten hierna per post beoordelen.
Rookmelders
2.6.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank al overwogen dat de materiaalkosten met betrekking tot de rookmelders toewijsbaar is tot het bedrag van € 422,87. Lymbouw stelt dat de werkelijke kosten nog net wat hoger liggen, namelijk € 9,34, waartegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen bezwaar heeft gemaakt. Ook tegen de door Lymbouw gevorderde arbeidskosten van
€ 135,06 maken zij geen bezwaar. Dit betekent de kosten voor het leveren en aanbrengen van de rookmelders zullen worden toegewezen tot het bedrag van € 567,27.
De extra werkzaamheden op de begane grond
2.7.
Lymbouw stelt dat op de begane grond als meerwerk extra stopcontacten zijn aangebracht, een extra schakelaar, bepaalde stopcontacten zijn aangepast en verlaagd en extra aansluitingen zijn aangebracht. De materiaalkosten hiervoor bedroegen € 288,35 en de arbeidskosten € 2.130,05 (29 manuren tegen € 73,45).
2.8.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten de materiaalkosten niet, zodat deze zullen worden toegewezen. Wel schrijven zij erbij te blijven dat de bestaande wandcontactdozen in de keuken onveranderd zijn gebleven, met uitzondering van vier wandcontactdozen die zijn bijgeplaatst. Partijen zijn het er dus over eens dat in de keuken - anders dan in het tussenvonnis van 5 maart 2025 is overwogen - op dit punt sprake is van enig meerwerk. Naar de rechtbank begrijpt worden er echter geen kosten gevorderd voor méér dan deze vier wandcontactdozen in de keuken. Lymbouw vordert namelijk de kosten voor 14 extra wandcontactdozen over de gehele begane grond verspreid, zo blijkt uit productie 15, waarvan de rechtbank er vier getekend ziet staan in de keuken. Dit strookt dus met de stelling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2].
2.9.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] merken verder op dat Lymbouw niet uiteen heeft gezet hoeveel uren met de elektra van de keuken zijn gemoeid. Zij verzoeken hier rekening mee te houden bij de vaststelling van de manuren die met de werkzaamheden zijn gemoeid, gezien het opgevoerde aantal extra manuren voor de benedenverdieping 19 is. De rechtbank overweegt echter dat zij in haar tussenvonnis al heeft overwogen dat niet is gebleken dat opdracht is gegeven tot het vervangen van het elektrawerk in de keuken, zodat dit geen meerwerk betreft. Lymbouw heeft hiermee rekening gehouden in haar akte, zo blijkt onder andere uit pagina 3. Dat de gevorderde arbeidsuren toch mede op deze werkzaamheden zouden zien, zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] lijken te betogen, is dan ook niet gebleken.
2.10.
Tot slot betwisten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat het gehanteerde uurtarief redelijk is. Volgens hen is een uurtarief van € 55,00 redelijk, in het licht van de door Lymbouw voor de overige werkzaamheden gehanteerde uurtarieven.
2.11.
Omdat vooraf geen prijsafspraak is gemaakt voor de verrichte meerwerk-zaamheden, is het in beginsel aan Lymbouw als aannemer om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de door haar gevorderde prijs redelijk is. Hierbij moet onder andere rekening worden gehouden met de Lymbouw gewoonlijk bedongen prijzen en gewekte verwachtingen. De rechtbank vindt niet dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] mochten verwachten dat Lymbouw hetzelfde gebruikelijke uurtarief van € 55,00 zou hanteren voor alle verrichte elektriciteitswerkzaamheden, als voor de overige (standaard) bouwwerkzaamheden. Zo heeft de elektricien zich bezig gehouden met het trekken van extra kabels en aflassen. Een gespecialiseerd en daartoe opgeleid elektricien heeft nu eenmaal een hoger uurtarief. Daarbij komt dat voor bepaalde elektriciteitswerkzaamheden bij andere posten wel een lager uurtarief van € 42,38 is gerekend, waaruit blijkt dat indien mogelijk wel gebruik is gemaakt van een goedkopere kracht om het werk te verrichten. Lymbouw heeft alleen niet toegelicht dat het door haar gestelde uurtarief van € 73,45 gebruikelijk en dus redelijk is voor de bewuste verrichte werkzaamheden, terwijl op haar wel de stelplicht rust. Dit volgt in ieder geval niet uit de door Lymbouw in het geding gebrachte open begroting van [onderaannemer] Elektro groep.
Gelet op de door partijen genoemde bedragen acht de rechtbank een uurtarief van
€ 64,00 redelijk, uitgaande van een gebruikelijke uurprijs van € 55,00 met een opslag hier bovenop omdat specialistisch werk is verricht, zodat een bedrag van € 1.856,00 aan arbeidskosten toewijsbaar is.
2.13.
Dit betekent dat ten aanzien van de begane grond een bedrag van € 2.144,35(€ 288,35 + € 1.856,00) zal worden toegewezen.
De extra werkzaamheden op de verdieping
2.14.
Lymbouw stelt dat ook op de verdieping extra stopcontacten zijn aangebracht, een extra schakelaar, bepaalde stopcontacten zijn aangepast en verlaagd en extra aansluitingen zijn aangebracht. De materiaalkosten hiervoor bedroegen € 549,45 en de arbeidskosten
€ 1.352,65 (8 manuren tegen € 42,38 en 13,8 manuren tegen € 73,45). Volgens Lymbouw waren alle elektrawerkzaamheden op de verdieping niet inbegrepen in het oorspronkelijke elektraplan.
2.15.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn het hier niet mee eens. Volgens hen waren de in de tekening van productie 17 opgenomen posten/werkzaamheden reeds overeengekomen in het elektraplan.
2.16.
De rechtbank stelt vast dat in het oorspronkelijke elektraplan wel degelijk enige werkzaamheden op de verdieping zijn opgenomen. Hier hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een punt.
Conclusie
2.23.
Toewijsbaar zijn de volgende bedragen:
- € 49,50 (r.o. 4.12 tussenvonnis);
- € 500,00 (r.o. 4.15 tussenvonnis);
- € 150,00 (r.o. 4.18 tussenvonnis);
- € 288,15 (r.o. 4.23 tussenvonnis);
- € 5.051,54 (r.o. 4.39 tussenvonnis);
- € 167,66 (r.o. 4.50 tussenvonnis);
- € 227,63 (r.o. 4.51 tussenvonnis);
- € 560,33 (r.o. 4.59 tussenvonnis);
- € 6.485,59 +
Totaal € 13.480,40
Dit bedrag is exclusief BTW. Inclusief 21% BTW resulteert dit in een toe te wijzen totaalbedrag van € 16.311,28. Hierop strekt in mindering het door Lymbouw bij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te veel in rekening gebrachte bedrag van € 106,68, zodat uitgekomen wordt op
€ 16.204,60. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen zoals onweersproken gevorderd hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.
Rente
2.24.
De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal als onbetwist worden toegewezen vanaf 21 februari 2023.
Proceskosten
2.25.
Lymbouw en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden over en weer voor ongeveer de helft van de waarde van de vorderingen in het ongelijk gesteld. De rechtbank zal de proceskosten daarom compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Alleen voor de laatste aktewisseling geldt dat een nadere toelichting van Lymbouw nodig was, zodat hierop niet ter zitting gereageerd kon worden door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en de extra aktewisseling nodig was. Lymbouw is daarom wel gehouden de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hiervoor gemaakte kosten te vergoeden, tot het bedrag van € 393,00 (0,5 punten x tarief III
€ 786,00), vermeerderd met de nakosten van € 178,00. De hierover verzochte wettelijke rente en nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna bepaald in het dictum.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat r.o. 5.1 van het op 5 maart 2025 tussen partijen gewezen vonnis, waar staat:
“voor akte te nemen door Lymbouw als bedoeld in r.o. 4.39”
wordt gewijzigd in
“voor akte te nemen door Lymbouw als bedoeld in r.o. 4.45”,
3.2.
bepaalt dat deze verbetering onder de vermelding van de datum 11 juni 2025 wordt vermeld op de minuut van het vonnis van 5 maart 2025;
3.3.
gelast elk van partijen, voor zover zij dit niet reeds hebben gedaan, de ontvangen grosse dan wel het ontvangen afschrift van het vonnis van 5 maart 2025 na ontvangst van dit herstelvonnis aan de griffie van de rechtbank te retourneren;
3.4.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan Lymbouw van het bedrag van € 16.204,60, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 februari 2023;
3.5.
veroordeelt Lymbouw tot betaling aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van het bedrag van € 571,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Lymbouw niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.6.
veroordeelt Lymbouw tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
3.7.
verklaart de veroordelingen onder r.o. 3.4 t/m 3.6 uitvoerbaar bij voorraad;
3.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Vermariën en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025.
Procesverloop
De uiteindelijk verrichte werkzaamheden stroken echter niet met de beperkte werkzaamheden zoals opgenomen in het plan. Om te beginnen blijkt uit de tekening, hetgeen ook niet is weersproken, dat er onder andere 23 extra wandcontactdozen nieuw zijn geplaatst. Deze werkzaamheden stonden niet opgenomen in het elektraplan. Hierin stond slechts dat bepaalde stopcontacten van een nieuw kapje moesten worden voorzien, en dat twee stopcontacten (één in de slaapkamer in het achterhuis en één in de slaapkamer van [naam]) zouden worden vervangen. Dat zou vanzelfsprekend beduidend minder werk zijn geweest. Verder staan in het elektraplan een aantal zaken als ‘optioneel’ opgenomen (bijvoorbeeld een aantal stopcontacten verlagen). Ook voor deze zaken geldt dat dit meerwerk vormt wanneer hier uiteindelijk de opdracht toe gegeven is.
De rechtbank concludeert dan ook dat, hoewel wel enige werkzaamheden waren begroot op de verdieping, er uiteindelijk significant meer werk is verricht zodat de door Lymbouw gevorderde werkzaamheden wel degelijk meerwerk vormden. Lymbouw heeft haar vordering op dit punt onder meer begroot op basis van een uurtarief van € 73,45. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.11 staat, heeft Lymbouw niet toegelicht waarom dit een redelijk uurtarief is. Gelet daarop zal de rechtbank het door haar als redelijk voorkomend tarief van € 64,00 hanteren, zodat de opgevoerde 13,8 manuren resulteren in een bedrag van € 883,20 aan arbeidskosten. In totaal bedragen de arbeidskosten voor de bewuste werkzaamheden daarmee € 1.222,24. Daar staat tegenover dat bepaalde werkzaamheden waarop de op de begroting opgenomen post (richtprijs) van € 12.500,00 niet lijken te zijn uitgevoerd. Het is bijvoorbeeld niet nodig een oud stopcontact van een nieuw kapje te voorzien, wanneer in plaats daarvan een geheel nieuwe wandcontactdoos wordt geplaatst. Er stond dus ook een besparing tegenover dit meerwerk. Dit is helaas niet inzichtelijk gemaakt. Omdat het slechts om een geringe besparing lijkt te gaan ziet de rechtbank aanleiding de gevorderde kosten toe te wijzen tot het lagere bedrag € 1.271,69 (€ 549,45 + € 1.222,24 – geschatte besparing € 500,00).
Vervangen van de meterkast
2.17.
In totaal bedroegen de kosten hiervoor volgens de specificatie van Lymbouw
€ 1.290,76. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis al overwogen dat het vervangen van de meterkast meerwerk vormde. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] erkennen dat de meterkast inderdaad niet vermeld stond in het opgestelde elektraplan, maar wijzen erop dat dit plan provisorisch was opgesteld en betrekking had op lichtpunten, wandcontactdozen en dergelijke en bovendien niet op alle vertrekken. Dit blijkt volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook wel uit het feit dat op de tekeningen van [onderaannemer] vele werkzaamheden staan die niet als meerwerk zijn gearceerd, maar ook niet in het provisorische elektraplan waren opgenomen.
2.18.
In de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aangevoerde omstandigheden wordt geen reden gezien terug te komen op de in het tussenvonnis gegeven beslissing op dit punt. Dat het vervangen van de meterkast door [onderaannemer] niet als meerwerk is gearceerd, brengt immers nog niet met zich dat deze werkzaamheden dus onderdeel vormden van de oorspronkelijke begrote werkzaamheden waarop de opgenomen stelpost zag. [onderaannemer] was namelijk geen contractspartij en evenmin is gebleken dat hij vanaf het begin af aan bij de overeenkomst tussen partijen betrokken was. Uit niets anders blijkt dat het vervangen van de meterkast van meet af aan is overeengekomen tussen partijen, zodat erop vertrouwd mocht worden dat dit onder de stelpost zou vallen.
Lymbouw heeft € 367,25 aan arbeidskosten berekend op basis van een uurtarief van € 73,35. Zoals hiervoor is overwogen vindt de rechtbank een uurtarief van € 64,00 redelijk zodat aan arbeidskosten een bedrag van € 320,00 toewijsbaar is. Omdat de kosten hiervoor verder niet zijn betwist, zal deze post worden toegewezen tot het bedrag van € 1.243,10.
Spots
2.19.
De materiaalkosten voor het aanbrengen van de spots bedroegen volgens Lymbouw € 458,08 en de arbeidskosten waren € 499,46 (6,8 manuren tegen € 73,45), zodat gekomen wordt tot het bedrag van € 957,54.
2.20.
Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren de spots begrepen in de overeengekomen werkzaamheden. Zij verwijzen naar het elektraplan. Ook op dit punt wordt de rechtbank dus verzocht terug te komen op haar oordeel dat deze werkzaamheden geen onderdeel vormden van het oorspronkelijke elektraplan. Hier wordt geen aanleiding toe gezien. In het elektraplan staat onder andere opgenomen ‘dimmers hoog voor inbouw spotjes’, en ‘dubbele schakelaar + stopcontact vervangen door enkel stopcontact laag en dubbele dimmers. Een voor (…) de inbouwspots bij de ramen’. Hier gaat het dus alleen om het plaatsen van de dimmers zelf, en niet op de aanschaf en plaatsing van de spots.
Voor het plaatsen van inbouwspots, waarbij de spots zelf worden ingebouwd evenals alle bedrading, geldt dat het om veiligheidsredenen begrijpelijk is dat Lymbouw ervoor heeft gekozen dit werk te laten uitvoeren door een gespecialiseerd elektricien. Ook hier geldt dat de rechtbank een uurtarief van € 64,00 redelijk vindt in plaats van het door Lymbouw gehanteerde uurtarief van € 73,45. Dit betekent dat aan arbeidskosten een bedrag van € 435,20 toewijsbaar is
De vordering zal dan ook worden toegewezen tot het bedrag van € 893,28.
LED-strips in de keuken
2.21.
De materiaalkosten hiervoor bedroegen volgens de specificatie van Lymbouw
€ 145,90 en de arbeidskosten (4 manuren tegen € 73,45) € 293,80, zodat in totaal wordt gekomen tot het bedrag van € 439,70. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen bezwaar gemaakt tegen de materiaalkosten, maar wel bepleit dat een uurtarief van € 55,00 redelijk is. De rechtbank volgt hen hierin. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, ziet de rechtbank niet direct in waarom het plaatsen van deze verlichting een specialistisch uurtarief van
€ 73,45 rechtvaardigt. Dit zal mogelijk afhangen van de soort en wijze van bevestiging van de LED-strips, maar hierover is niets naders gesteld. De vordering wordt daarom toegewezen tot het bedrag van € 365,90 (€ 145,90 + (4 x € 55,00 = € 220)).
Tussenconclusie
2.22.
Het toe te wijzen bedrag voor de totale meerwerkpost 70 ‘E-installaties’ komt hiermee uit op € 6.485,59 (€ 567,27 + € 2.144,35 + € 1.271,69 + € 1.243,10 + € 893,28 +
€ 365,90).