Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-06
ECLI:NL:RBZWB:2025:3496
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
1,039 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/2574
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juni 2025 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2], uit [plaats], verzoekers
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dongen.
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de afwijzing van hun verzoek om handhaving tegen de dakopbouw op de garage van de vergunninghouder. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2.
Het college heeft het handhavingsverzoek met het besluit van 31 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 juni 2024 op het bezwaar van verzoekers heeft het college de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand gelaten. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals een verzoek om schadevergoeding, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak alsnog een schadevergoeding worden toegekend en, worden uitbetaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
2.1.
Voor zover verzoekers stellen dat zij overlast ervaren is die stelling weinig onderbouwd. Ook de stelling dat er brandgevaar dreigt is niet concreet gemaakt. Bovendien lijken de overlast en het veronderstelde brandgevaar met name veroorzaakt te worden door activiteiten in de garage onder de dakopbouw. Het opschorten van de weigering handhavend op te treden zorgt er niet voor dat die activiteiten direct stop gezet (moeten) worden. Ook hierin ziet de voorzieningenrechter daarom geen spoedeisend belang.
Verzoekers geven verder aan dat zij het niet eens zijn met aanhouding van de zitting, omdat ze snel een uitspraak willen en niet willen dat het college zo de gelegenheid krijgt om fouten te herstellen. Deze procedure is niet bedoeld om met voorrang een oordeel te krijgen over een beroepschrift. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het vervelend is om langer te moeten wachten op een oordeel van de rechtbank is dat onvoldoende om spoedeisend belang aan te nemen. Een eventueel wijzigingsbesluit van het college zal in deze procedure worden meegenomen.
Conclusie
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 6 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.