Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-06-02
ECLI:NL:RBZWB:2025:3412
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,180 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/8275 WHT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2025 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. C. van der Ent),
en
de minister van Financiën, verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar van 31 juli 2024. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat de minister op 3 december 2024 een beslissing op bezwaar heeft genomen.
1.1.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank verzocht om het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen. Daartoe voert de minister aan dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen is ingesteld nadat er een beslissing op bezwaar was genomen.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Voldeed het beroepschrift aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen. Voordat de rechtbank deze vraag kan beantwoorden, dient de rechtbank eerst te beoordelen of het beroepschrift voldeed aan de vereisten als genoemd in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4.1.
Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, kan een beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen worden ingediend zodra:
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
4.2.
De minister stelt dat verzoekster het beroep niet tijdig beslissen heeft ingediend nadat er op 3 december 2024 al een beslissing op bezwaar was genomen en heeft een kopie van de beslissing op bezwaar overgelegd. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ten tijde van het indienen van het beroepschrift op 5 december 2024 geen sprake (meer) was van niet tijdig beslissen. Als het beroep niet was ingetrokken, zou de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren.
4.3.
De rechtbank concludeert dat met de beslissing op bezwaar van 3 december 2024 niet tegemoetgekomen is aan het daarna ingediende beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het verzoek van verzoekster om de minister te veroordelen in de proceskosten zal daarom als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van S.E. van Noort, griffier, op 2 juni 2025, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).