Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-28
ECLI:NL:RBZWB:2025:3383
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,224 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer : 10956256 \ MB VERZ 24-164
CJIB-nummer : 1062 5422 5790 8559
uitspraakdatum : 28 maart 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. N.G.A. Voorbach (Verkeersboete.nl)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 28 maart 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: parkeren op een parkeergelegenheid, terwijl voertuig niet tot aangegeven categorie of groep voertuigen behoorde op de Heuvelring te Tilburg op 3 mei 2023 om 17:27 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat ten onrechte geen staandehouding heeft plaatsgevonden. Gemachtigde verwijst naar artikel 5 Wahv en stelt dat er een reële mogelijkheid tot staandehouding bestond, zodat ten onrechte is bekeurd op kenteken. De door de verbalisant gegeven verklaring is in zijn algemeenheid onvoldoende. Van een verbalisant mag verwacht worden dat hij deugdelijk onderbouwt waarom een staandehouding niet mogelijk is. De verbalisant moet een afweging maken en hij moet zijn gedachtegang, die leidt tot een bepaalde afweging, inzichtelijk kunnen maken. De inleidende beschikking komt voor vernietiging in aanmerking, wegens strijd met artikel 5 Wahv. Voorts verzoekt gemachtigde een proceskostenvergoeding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren, nu onvoldoende kan worden vastgesteld dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond. De verbalisant is verzocht (nog) een aanvullende verklaring te geven, maar heeft hierop niet gereageerd.
Overwegingen
De kantonrechter overweegt dat uit artikel 5 van de Wahv volgt dat het uitgangspunt is dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
De kantonrechter is van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat er geen reële mogelijkheid bestond om tot een staandehouding over te gaan. Daarbij is van belang dat verbalisant enkel heeft verklaard dat hij niet tot een staandehouding is overgegaan, omdat de bestuurder snel instapte en weg reed. Zo is niet duidelijk geworden of verbalisant bijvoorbeeld een privé- dan wel dienstvoertuig tot zijn beschikking had of dat hij te voet was. De verklaring dat geen staandehouding mogelijk was, acht de kantonrechter dan ook ontoereikend.
Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd. Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen, die als volgt is berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 647,- = € 323,50
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 907,- = € 453,50
totaal € 777,00
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 119,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 777,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier L.I.M. Appels, en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: