Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-17
ECLI:NL:RBZWB:2025:3188
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,141 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 11282277 \ MB VERZ 24-1159
CJIB-nummer : 7062 5422 5584 2661
uitspraakdatum : 17 februari 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 17 februari 2025. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op de Jel van der Sandelaan te Breda op 9 februari 2023 om 21:00 uur.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene had eerder geen beroep ingesteld, aangezien zij weinig hoop hadden dat het kwijtgescholden zou worden. De reden dat betrokkene er geparkeerd stond is dat ze met spoed naar het ziekenhuis moesten komen omdat de oma van betrokkene’s vriendin in het ziekenhuis op sterven lag. Uiteindelijk heeft betrokkene achter de auto van zijn schoonmoeder geparkeerd. Haar boete is kwijtgescholden en dat vinden ze heel netjes. Betrokkene hoopt dat voldoende is bewezen dat ze er om dezelfde reden stonden geparkeerd en hoopt op begrip en kwijtschelding.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht om over de termijnoverschrijding heen te stappen en het beroep gegrond te verklaren, aangezien uit onderzoek van de zittings-vertegenwoordiger inderdaad is gebleken dat de andere boete niet in stand is gelaten.
Overwegingen
Ontvankelijkheid
Betrokkene heeft het beroep bij de kantonrechter te laat ingesteld. Voor het instellen van beroep geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Die termijn eindigde in dit geval op 6 september 2023. Het beroepschrift is echter pas op 17 september 2023 ontvangen. Dat is te laat.
Artikel 6:11 van de Awb bepaalt - kort gezegd - dat een te laat ingesteld beroep tóch ontvankelijk kan zijn, wanneer het de betrokkene niet kan worden toegerekend dat te laat beroep is ingesteld.
De kantonrechter is van oordeel dat betrokkene aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het te laat instellen van het beroep niet aan hem kan worden toegerekend, zodat het beroep wel ontvankelijk is.
De kantonrechter zal vervolgens het beroep tegen de boete inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijk
De kantonrechter is met de zittingsvertegenwoordiger van oordeel dat de opgelegde boete niet in stand kan blijven. Gelet op de door betrokkene aangevoerde omstandigheden is het opleggen van een boete in dit geval niet billijk.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 159,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier mr. K. Verdult, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2025.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: