Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-03-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:3177
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,792 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11333972 \ MB VERZ 24-1330
beschikkingsnummer: 30062413460060632300
uitspraakdatum: 11 maart 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep inzake een boete op grond van artikel 154b van de Gemeentewet
in de zaak van
naam : [belanghebbende]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde: [gemachtigde]
Procesverloop
Aan betrokkene is een bestuurlijke boete opgelegd. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: het college). Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 11 maart 2025. Namens het college zijn verschenen [zittingsvertegenwoordiger 1] en [zittingsvertegenwoordiger 2] (hierna: zittingsvertegenwoordigers). Betrokkene en de gemachtigde zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: zonder voorafgaande vergunning een openbare plaats anders gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan op 30 juni 2024 om 13:46 uur op de Rijsbergsebaan te Breda.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene stelt dat degene die iets stelt, moet bewijzen. De bewijslast ligt dus bij de gemeente, vooral omdat de posters voor iedereen beschikbaar zijn op het internet. Iedereen kan deze uitprinten en ophangen. Een foto van de poster met een bedrijfsnaam is daarom onvoldoende bewijs om een persoon of organisatie aansprakelijk te stellen. Betrokkene verwijst naar het Wetboek van Strafvordering, meer specifiek artikel 344. Betrokkene is van mening dat de gemeente Breda de bewijslast ontduikt. De onprofessionele uitstraling van de poster past niet bij het bedrijf. Volgens de notitie aanplakbeleid van de gemeente wordt de adverteerder aangeschreven en gesommeerd te verwijderen.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De zittingsvertegenwoordiger ziet niet in waarom iemand, zoals betrokkene stelt, willekeurig posters van het internet zou downloaden en op zou hangen op een toegangsweg naar een ander evenement. Voorts haalt betrokkene het Wetboek van Strafvordering aan, maar het gaat hier om bestuursrecht. De zittingsvertegenwoordiger acht aannemelijk dat [belanghebbende] of een werknemer van haar de reclame heeft opgehangen. Omdat het gaat om een bedrijf wordt de standaard boete met vijf vermenigvuldigd, wegens het economisch voordeel van een bedrijf.
Overwegingen
De kantonrechter stelt voorop dat het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is, aangezien gaat om een bestuurlijke boete op grond van de Gemeentewet.
Volgens vaste jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in vergelijkbare zaken over bestuurlijke boetes (bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2022:4106) mag in de regel worden aangenomen dat degene tot wie wat is aangetroffen kan worden herleid, ook de overtreder is. Dit noemt men het bewijsvermoeden. Dat is anders indien die persoon aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het voorschrift heeft overtreden. Van betrokkene wordt dus niet verwacht dat hij onomstotelijk aantoont dat hij de overtreding niet heeft begaan. Het aannemelijk maken kan bijvoorbeeld door het geven van een concrete, gedetailleerde, logische en met objectieve omstandigheden onderbouwde verklaring voor het, zonder toedoen van de beboete persoon, belanden van wat is aangetroffen op die plek. Als daarmee voldoende twijfel ontstaat of betrokkene de overtreder is, volstaat een beroep op het bewijsvermoeden niet meer.
In dit geval staat vast dat het reclamebord is te herleiden tot [belanghebbende]. Dat een ander de reclame heeft geplaatst is door betrokkene niet aannemelijk gemaakt. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de reclame is opgehangen door iemand van [belanghebbende]. Het bedrijf is daarvoor verantwoordelijk en de boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Dictum
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, Postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer.: 11333972 \ MB VERZ 24-1330
beschikkingsnummer: 30062413460060632300
uitspraakdatum: 11 maart 2025
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep inzake een boete op grond van artikel 154b van de Gemeentewet
in de zaak van
naam : [belanghebbende]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde: [gemachtigde]
Procesverloop
Aan betrokkene is een bestuurlijke boete opgelegd. Betrokkene heeft daartegen bezwaar gemaakt bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: het college). Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 11 maart 2025. Namens het college zijn verschenen [zittingsvertegenwoordiger 1] en [zittingsvertegenwoordiger 2] (hierna: zittingsvertegenwoordigers). Betrokkene en de gemachtigde zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: zonder voorafgaande vergunning een openbare plaats anders gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan op 30 juni 2024 om 13:46 uur op de Rijsbergsebaan te Breda.
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Betrokkene stelt dat degene die iets stelt, moet bewijzen. De bewijslast ligt dus bij de gemeente, vooral omdat de posters voor iedereen beschikbaar zijn op het internet. Iedereen kan deze uitprinten en ophangen. Een foto van de poster met een bedrijfsnaam is daarom onvoldoende bewijs om een persoon of organisatie aansprakelijk te stellen. Betrokkene verwijst naar het Wetboek van Strafvordering, meer specifiek artikel 344. Betrokkene is van mening dat de gemeente Breda de bewijslast ontduikt. De onprofessionele uitstraling van de poster past niet bij het bedrijf. Volgens de notitie aanplakbeleid van de gemeente wordt de adverteerder aangeschreven en gesommeerd te verwijderen.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. De zittingsvertegenwoordiger ziet niet in waarom iemand, zoals betrokkene stelt, willekeurig posters van het internet zou downloaden en op zou hangen op een toegangsweg naar een ander evenement. Voorts haalt betrokkene het Wetboek van Strafvordering aan, maar het gaat hier om bestuursrecht. De zittingsvertegenwoordiger acht aannemelijk dat [belanghebbende] of een werknemer van haar de reclame heeft opgehangen. Omdat het gaat om een bedrijf wordt de standaard boete met vijf vermenigvuldigd, wegens het economisch voordeel van een bedrijf.
Overwegingen
De kantonrechter stelt voorop dat het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is, aangezien gaat om een bestuurlijke boete op grond van de Gemeentewet.
Volgens vaste jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in vergelijkbare zaken over bestuurlijke boetes (bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2022:4106) mag in de regel worden aangenomen dat degene tot wie wat is aangetroffen kan worden herleid, ook de overtreder is. Dit noemt men het bewijsvermoeden. Dat is anders indien die persoon aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het voorschrift heeft overtreden. Van betrokkene wordt dus niet verwacht dat hij onomstotelijk aantoont dat hij de overtreding niet heeft begaan. Het aannemelijk maken kan bijvoorbeeld door het geven van een concrete, gedetailleerde, logische en met objectieve omstandigheden onderbouwde verklaring voor het, zonder toedoen van de beboete persoon, belanden van wat is aangetroffen op die plek. Als daarmee voldoende twijfel ontstaat of betrokkene de overtreder is, volstaat een beroep op het bewijsvermoeden niet meer.
In dit geval staat vast dat het reclamebord is te herleiden tot [belanghebbende]. Dat een ander de reclame heeft geplaatst is door betrokkene niet aannemelijk gemaakt. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om eraan te twijfelen dat de reclame is opgehangen door iemand van [belanghebbende]. Het bedrijf is daarvoor verantwoordelijk en de boete is dus terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Dictum
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2025.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, Postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.