Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-02
ECLI:NL:RBZWB:2025:3113
Strafrecht
Raadkamer
1,486 tokens
Dictum
[klager].
geboren op [datum] 1954 te [plaats],
wonende op het [adres],
hierna te noemen: de klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 12 februari 2025 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt op 14 januari 2025 onder klager een hond (labrador) genaamd Jara in beslag is genomen;
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 18 maart 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. S.B.C. Nicolaes en klager gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is door aangevoerd dat klager eigenaar is van de hond en dat hij altijd de benodigde zorg aan de hond heeft gegeven. De dierenarts heeft op 15 januari 2025 ook bevestigd dat de hond in goede conditie verkeert. Naar aanleiding van een eerdere inbeslagneming van de hond heeft klager voorzorgsmaatregelen getroffen. Zo had hij had iemand ingehuurd om de hond uit te laten en zijn woning schoon te maken en had hij een zwaardere scootmobiel aangeschaft. Klager kon de hulp echter op enig moment niet meer betalen en ook de scootmobiel is door een aanrijding kapot gegaan, zodat de woning niet meer werd schoongemaakt en de hond niet meer werd uitgelaten. Klager stelt dat - ondanks de grote hoeveelheid spullen in de woning en in de tuin - er voor de hond nog voldoende bewegingsruimte was.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat - gelet op de vervuilde leefomgeving, de beperkte bewegingsvrijheid voor de hond en de eigen verklaring van verzoeker waarin hij erkent dat hij de hond al geruime tijd niet uit heeft kunnen laten - zij klager niet in staat acht om voldoende goede zorg voor zijn hond te betrachten en dat het klaagschrift ongegrond verklaard dient te worden.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De hond van klager is al eens eerder (14 september 2024) in beslag genomen naar aanleiding van meldingen dat klager onvoldoende zorg voor de hond zou betrachten. De raadkamer van deze rechtbank heeft toen beslist dat de hond kon worden teruggegeven aan klager, omdat de stellingname van het Openbaar Ministerie - dat de thuissituatie van klager aanleiding zou geven tot zorgen - niet werd onderbouwd door stukken in het raadkamerdossier en klager beterschap had beloofd door (voorzorgs)maatregelen te treffen.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 14 januari 2025 met bijbehorende foto’s van de woning en tuin van klager blijkt dat de leefomstandigheden van klager en de hond sinds de laatste controle op 20 augustus 2024 echter drastisch achteruit zijn gegaan. Klager heeft in raadkamer erkend dat zijn woning al geruime tijd niet meer wordt schoongemaakt en de hond niet wordt uitgelaten. Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de kans op herhaling aanwezig is en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de hond zal bevelen. De rechtbank zal het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag dan ook ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.C.A.M Los rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 april 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).