Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-04-02
ECLI:NL:RBZWB:2025:3110
Strafrecht
Raadkamer
1,922 tokens
Dictum
[klager],
geboren op [datum] 1980 te [plaats],
wonende op het [adres],
thans gedetineerd in de P.I. Grave, Muntlaan 1, 5361 ME Grave,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. M.E. Broekert, advocaat te Breda,
hierna te noemen: de klager.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a Sv, ingediend op 18 november 2024 ter griffie van deze rechtbank;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 5 november 2024 in het strafrechtelijk onderzoek tegen klager onder hem een Ford Mustang met [kenteken] in beslag is genomen (hierna: de Ford);
de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 18 maart 2025 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. S.B.C. Nicolaes, klager en mr. E. van de Rakt als waarnemend advocaat van klager, gehoord.
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat klager eigenaar is van de Ford en dat hij wordt bezwaard door de inbeslagneming en het voortduren daarvan. De raadsvrouw heeft in aanvulling op het klaagschrift in raadkamer aangevoerd dat de Ford zelf niet van wezenlijk belang is in de onderliggende strafzaak, omdat er geen objectief element is dat de Ford verbindt met het vermeende misdrijf. De omstandigheid dat het vermeende misdrijf in de Ford is gepleegd doet daar niet aan af. Het voertuig is inwisselbaar. Daarnaast is voortduring van het beslag in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De Ford heeft een behoorlijke commerciële waarde. In augustus 2023 heeft klager de Ford gekocht voor een bedrag van ongeveer 50.000 euro. Deze waarde maakt al dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de rechter later de verbeurdverklaring van de Ford zal uitspreken. Voorts heeft klager een zwaarwegend persoonlijk belang bij de teruggave van de Ford. Klager heeft de Ford hard nodig voor zijn dagelijkse bezigheden en daarnaast heeft de Ford ook een grote emotionele waarde voor klager.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie en zich op het standpunt gesteld dat een latere verbeurdverklaring van de Ford in de rede ligt, omdat het feit in de Ford is gepleegd. Het klaagschrift dient daarom ongegrond te worden verklaard.
Klager heeft in raadkamer aangevoerd dat de Ford altijd zijn droomauto is geweest en dat hij lang heeft moeten sparen om deze te kunnen kopen. Daarnaast heeft hij de Ford nodig voor woon- en werkverkeer en voor het ophalen en wegbrengen van zijn kinderen naar sport en buitenschoolse opvang en ook voor het kunnen bezoeken van zijn ouders die wat verder weg wonen en hulp nodig hebben.
Beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend en klager is ontvankelijk in zijn beklag.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter heeft. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevraagd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
De rechtbank overweegt over het klaagschrift tegen het strafvorderlijk beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv als volgt.
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, moet de rechter, bij een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag:
a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee,
b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende van dat voorwerp moet worden beschouwd.
In dit laatste geval moet het klaagschrift van de beslagene ongegrond worden verklaard.
Het beslag op de voorwerpen blijft gehandhaafd als er een strafvorderlijk belang is op grond van artikel 94 Sv. Dat is het geval wanneer:
- de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk verkregen voordeel aan te tonen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen en/of
- het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
Klager is op 5 november 2024 aangehouden wegens verdenking van seksueel misbruik van een minderjarig meisje. Daarbij is de Ford waarin klager op dat moment zat in beslag genomen voor verder onderzoek. Uit de onderliggende stukken begrijpt de rechtbank dat de verdenking zich heeft uitgebreid met verdenking van het verleiden van minderjarigen, grooming en kinderporno, waarbij klager ook (deels) gebruik zou hebben gemaakt van de Ford. De raadsvrouw heeft in raadkamer aangevoerd dat de Ford geen bijzondere binding heeft met de strafbare feiten, zodat voortduring van het beslag niet gerechtvaardigd is. De rechtbank overweegt hiertoe dat de feiten inderdaad met iedere willekeurige auto gepleegd zouden kunnen zijn, maar dat het in dit concrete geval de Ford is waarin en/of waarmee de strafbare feiten gepleegd zouden zijn. Gelet op de ernst van de feiten waarvan verdachte wordt verdacht en de betrokkenheid van de Ford daarbij, acht de rechtbank - uitgaande van de stand van zaken ten tijde van de behandeling van het klaagschrift en met inachtneming van het summiere karakter van de raadkamer - het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de Ford zal uitspreken. De rechtbank neemt daarin mee dat de ernstige bezwaren die eerder door de rechter-commissaris zijn aangenomen, kennelijk nog gelden nu klager nog steeds in voorlopige hechtenis zit.
De rechtbank is voorts van oordeel dat bij deze stand van zaken voortduring van het beslag niet disproportioneel is. Zij weegt in haar oordeel mee dat bij een bewezenverklaring van de strafbare feiten zoals die aan klager ten laste zijn gelegd, er sprake is van slachtoffers die de mogelijkheid hebben om hun schade in het strafproces te vorderen en het beslag in dat verband mogelijk ook nog een strafvorderlijk doel zal dienen. Dat klager bij voortduring van het beslag buitenproportioneel in zijn vermogen zou worden getroffen is niet met enige stukken onderbouwd, zodat niet zonder meer van die omstandigheid kan worden uitgegaan.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het klaagschrift tegen het artikel 94 Sv beslag ongegrond verklaren.
Dictum
De rechtbank
- verklaart het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr J.C.A.M. Los, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2025.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).