Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-03
ECLI:NL:RBZWB:2025:3103
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,946 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/423463 / JE RK 24-1126
Datum uitspraak: 3 februari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. Z. Yeral te Roosendaal.
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
de beschikking van deze rechtbank van 11 juli 2024 en de daarin genoemde stukken;
de op 12 december 2024 van de GI ontvangen brief met een verzoek tot uitstel;
de op 20 december 2024 van de GI ontvangen brief met bijlagen.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 14 januari 2025. Daarnaast was aanwezig een vertegenwoordigster van de GI en een vertegenwoordigster van de Raad.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 11 juli 2024, is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 15 juli 2025 en is de GI gemachtigd om [minderjarige] tot 15 februari 2025 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is aangehouden in afwachting van het verslag van de GI over het verloop van de maatregelen, de hulpverlening en het perspectief van [minderjarige] .
2.3.
[minderjarige] verblijft op basis van voormelde machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin.
3Het resterende verzoek
3.1.
De Raad verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
4De standpunten
4.1.
De GI geeft aan dat de afgelopen periode in het teken heeft gestaan van het psychisch stabiliseren van de moeder, onder begeleiding van GGZ WNB. Hierdoor is er nog onvoldoende gewerkt aan de doelen die gesteld zijn in het kader van de ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing, om terug te werken naar een thuisplaatsing. [minderjarige] kan zo lang als het nodig is wel in het huidige pleeggezin verblijven. Voor de moeder is een zorgmachtiging verleend tot 30 maart 2025. In dit kader dient de moeder verplichte ambulante behandeling te volgen en medicatie in te nemen. Bij aanwijzingen van psychische instabiliteit kan de moeder opgenomen worden binnen GGZ WNB. Voorafgaand aan de zorgmachtiging was de moeder met een crisismachtiging opgenomen bij de High Intensive Care (HIC) van GGZ WNB. Door de opname in de HIC is de moeder gestabiliseerd. De moeder accepteert de ambulante hulpverlening en medicatie vanuit de zorgmachtiging, al vindt zij zelf de medicatie niet nodig.
4.2.
Daarnaast zijn er ook zorgen over de opvoedcapaciteiten van de moeder. De moeder is – volgens de informatie die de GI van het Openbaar Ministerie heeft ontvangen - onderdeel in het strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot kindermishandeling richting [minderjarige] . Er is nog geen zicht op afronding van het strafrechtelijk onderzoek. Gezien het letsel dat eerder bij [minderjarige] is geconstateerd, staat [minderjarige] onder controle van een kinderarts om te beoordelen of eerder ontstaan letsel van invloed is op zijn ontwikkeling. Tot op heden is dit niet het geval. Hij is op lichamelijk gebied iets langzamer dan passend bij zijn ontwikkelingsleeftijd, maar valt wel binnen de normale waarden. Eerder heeft [minderjarige] kinderfysiotherapie ontvangen in verband met een afgevlakt hoofd en een voorkeurshouding. Deze behandeling is succesvol afgerond.
4.3.
De moeder heeft eenmaal per week een uur en een kwartier contact met [minderjarige] . Hieraan zijn de volgende voorwaarden gesteld:
moeder neemt iedere omgang een fruithap voor [minderjarige] mee en geeft deze aan hem;
moeder mag haar telefoon gebruiken tijdens de omgang;
moeder mag op eigen initiatief voor het bezoek aangeven of zij op het moment van begeleiding een ronde met [minderjarige] (begeleider en pleegvader) buiten wil lopen.
4.4.
De samenwerking tussen de moeder en de GI verloopt goed. De GI wil in de komende periode, door middel van flexibiliteit in de randvoorwaarden en de uitbreiding van het begeleid contact, bezien of de moeder vorderingen kan blijven maken. De moeder heeft geen herinnering nodig voor de wekelijkse bezoeken, wel voor de evaluatie één keer in de drie weken en het onthouden van nieuwe afspraken. De aankomende periode zal de GI zich richten op het onderstaande om vervolgens een opvoedingsbesluit te kunnen nemen:
monitoren of de zorgmachtiging voor de moeder verlengd wordt;
monitoren op welke wijze de moeder functioneert zonder zorgmachtiging;
het strafrechtelijke onderzoek/uitspraken rondom moeder volgen;
monitoren hoe de bezoeken tussen de moeder en [minderjarige] verlopen en mede door de voortgang van de bovenstaande punten en de wijze waarop de bezoeken verlopen het contact te evalueren en bij te stellen;
meer zicht te krijgen op hoe moeders opvoedingsvaardigheden zijn om te kunnen beoordelen of zij bij stabiliteit goed genoeg ouderschap kan laten zien. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI nog aangegeven dat er een DNA-onderzoek verricht gaat worden om met zekerheid vast te stellen wie de vader van [minderjarige] is. Volgens de moeder heeft zij voor het bedreigen van de ex-schoonfamilie van de strafrechter een taakstraf gekregen. De GI wil het onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] zorgvuldig verrichten. De moeilijkheid in deze situatie is dat [minderjarige] nog erg jong is en gehecht is aan zijn pleegouders. De GI wil nog volgen of de moeder haar behandeling bij de GGZ WNB voortzet, ook als er geen zorgmachtiging meer is. Volgens de moeder was zij alleen maar boos toen zij op de HIC werd opgenomen. Het is volgens de GI belangrijk dat de moeder inzicht krijgt in haar ziektebeeld. Als uit het onderzoek blijkt dat [minderjarige] niet naar de moeder kan terugkeren, betekent dat niet dat de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder niet verder uitgebreid kan worden. Volgens de GI is het nu nog te vroeg voor [minderjarige] om terug naar de moeder te gaan. [minderjarige] is gehecht aan zijn pleegouders en ziet zijn moeder nog maar een uur en een kwartier per week. Dat is voor nu nog onvoldoende om als basis te dienen voor een terugkeer van [minderjarige] bij de moeder.
4.5.
Door en namens de moeder is aangegeven dat zij het niet eens is met het verzoek. De moeder stelt zich op het standpunt dat zij zelf voor [minderjarige] kan zorgen en dat [minderjarige] weer bij haar kan komen wonen. De moeder kan zich evenwel ook voorstellen dat [minderjarige] nog niet onmiddellijk bij haar kan gaan wonen. De moeder realiseert zich dat er problemen zijn geweest met haar mentale gezondheid. Zij had problemen met haar ex-partner en ex-schoonfamilie. De moeder is hiervoor door de strafrechter veroordeeld, maar zij gaat hiervan in hoger beroep. Op dat moment verkeerde de moeder psychisch gezien niet in een gezonde toestand. De moeder wilde haar kinderen zien, maar dit kon niet. Daarom was zij erg boos geworden. Nu de moeder behandeling krijgt, gaat het weer goed met haar. De moeder is geen verdachte, maar getuige in het strafrechtelijk onderzoek naar de mishandeling van [minderjarige] . De moeder heeft de politie toestemming verleend om het medisch dossier van [minderjarige] in te zien. Zij maakt zich hierover geen zorgen. De huidige zorgmachtiging van de moeder loopt tot maart van dit jaar. Op enig moment zal de zorgmachtiging niet meer worden verlengd, omdat de moeder bereid is om vrijwillig mee te werken aan haar behandeling. De moeder stelt zich ook ten aanzien van de GI goed begeleidbaar op. De moeder heeft haar drie andere kinderen ook zelf opgevoed. Zij weet wat zij moet doen als een kind in paniek schiet. Zij kan bovendien terugvallen op de hulpverlening die om haar heen staat. Zij vraagt dan ook om het verzoek van de Raad af te wijzen. Volgens de moeder is haar persoonlijke problematiek te wijten aan haar verleden, waarin zij gezien heeft dat haar vader zich had opgehangen. Dat beeld krijgt ze niet meer van haar netvlies. In het verleden kreeg de moeder medicatie waarvan zij nog meer in de war raakte en suïcidale gedachten kreeg. De medicatie die zij nu krijgt, heeft deze uitwerking niet. [minderjarige] moet volgens de moeder de kans krijgen om zich aan haar te hechten.
Beoordeling
5.1.
In artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald, dat de kinderrechter de GI op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen, als het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
In artikel 1:265c, tweede lid, BW is bepaald dat de kinderrechter op verzoek van de GI de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige telkens met ten hoogste een jaar kan verlengen.
5.2.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken, dat er nog steeds voldaan wordt aan de wettelijke criteria voor een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . Uit de inhoud van de informatie van de GI is gebleken, dat er in het afgelopen jaar sprake is geweest van forse psychische problematiek bij de moeder. Zij was hierdoor niet beschikbaar voor [minderjarige] en de GI. Uiteindelijk is de moeder zover uit balans geraakt, dat zij gedwongen opgenomen is geweest. Inmiddels aanvaardt de moeder de behandeling van de GGZ WNB en is haar toestand gestabiliseerd. Sinds 17 oktober 2024 heeft de moeder eenmaal per week begeleid contact met [minderjarige] . Deze contacten zijn onlangs met 15 minuten uitgebreid, tot een uur en 15 minuten. Het is de moeder te prijzen dat zij zich heeft kunnen herpakken en dat zij de behandeling vanuit de GGZ WNB aanvaardt. Ook is er inmiddels een goede werkrelatie ontstaan tussen de moeder en de GI. Het is invoelbaar dat de moeder [minderjarige] op dit moment weer bij haar wil laten terugkeren. De positieve ontwikkeling is echter nog te pril en te kwetsbaar. Er is nog geen zicht op de opvoedcapaciteiten van de moeder en of zij in staat is om voor [minderjarige] een stabiel opvoedklimaat te creëren. Evenmin is er zicht op de belastbaarheid van de moeder en wat zij aan kan. Daarnaast is nog onduidelijk of de zorgmachtiging voor de moeder verlengd zal worden en wat er uit het strafrechtelijk onderzoek naar de mishandeling van [minderjarige] zal komen. Gelet op het recente verleden en wat daarin is voorgevallen, moet nu geconcludeerd worden dat [minderjarige] nog niet terug naar de moeder kan. De rechtbank zal het resterende verzoek van de Raad dan ook toewijzen.
De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de GI de komende periode zal benutten om ook het onderzoek naar het perspectiefbesluit – zo snel als dat mogelijk is – in te stellen en af te ronden. De rechtbank begrijpt dat de GI dat onderzoek zorgvuldig wil verrichten, maar voor [minderjarige] is het belangrijk dat op korte termijn duidelijk wordt waar hij zal opgroeien.
5.4.
Tijdens de ondertoezichtstelling zal - in ieder geval - gewerkt moeten worden aan de volgende doelen:
monitoren of de zorgmachtiging voor de moeder verlengd wordt;
monitoren op welke wijze de moeder verder functioneert (met of zonder zorgmachtiging);
het strafrechtelijke onderzoek/uitspraken rondom de moeder volgen;
monitoren hoe de bezoeken tussen de moeder en [minderjarige] verlopen en mede door de voortgang van de bovenstaande punten en de wijze waarop de bezoeken verlopen het contact te evalueren en bij te stellen of uit te breiden;
meer zicht te krijgen op hoe moeders opvoedingsvaardigheden zijn om te kunnen beoordelen of zij bij stabiliteit goed genoeg ouderschap kan laten zien;
het (zo spoedig mogelijk) verrichten van een onderzoek om een perspectiefbesluit te kunnen nemen.
5.5.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
5.6.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 15 februari 2025 tot 15 juli 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2025 door mr. Van Leuven, mr. Sumner en mr. Jurkovich, allen kinderrechters, in aanwezigheid van Joosen als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.