Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2025-02-11
ECLI:NL:RBZWB:2025:3100
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
13,258 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/428019 / FA RK 24-4958
Datum uitspraak: 11 februari 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
,
geboren op [geboortedag 3] 2016 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.A. Stoffijn te Waalwijk.
[de pleegmoeder]
,
hierna te noemen de pleegmoeder,
wonende in [woonplaats 1] .
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 oktober 2024;
het bericht van advocaat van de vader van 22 november 2024;
het op 28 november 2024 van de oma ontvangen e-mailbericht;
het op 20 december 2024 van Koraal ontvangen e-mailbericht.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat namens de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 december 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] verlengd tot 22 december 2025. In diezelfde beschikking is de machtiging verlengd om [minderjarige 1] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 22 december 2025.
[minderjarige 1] en [minderjarige 3] verblijven op grond van de voorgenoemde machtiging bij de grootouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 december 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengd tot 22 december 2025. In diezelfde beschikking is de machtiging verlengd om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 december 2025. [minderjarige 2] verblijft op grond van voornoemde machtiging bij [accommodatie] in [plaats].
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de vader te beëindigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad baseert het verzoek op het volgende. De minderjarigen worden al langere tijd ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Zij hebben in hun jonge levens al veel meegemaakt. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn jarenlang blootgesteld aan onvoorspelbare en onveilige situaties, waarna de minderjarigen uiteindelijk uit huis zijn geplaatst. Bij de moeder zijn de minderjarigen getuige geweest van huiselijk geweld tussen de moeder en haar partner, waarbij de politie heeft moeten ingrijpen. De vader heeft de minderjarigen aangezet tot stelen. [minderjarige 1] kan niet goed praten over wat zij heeft meegemaakt. [minderjarige 3] en [minderjarige 2] laten op school en in hun leefomgeving verbaal en fysiek agressief gedrag zien. [minderjarige 3] en [minderjarige 2] hebben moeite om op school tot leren te komen. Er is nog geen duidelijkheid over het perspectief van de minderjarigen. [minderjarige 1] kiest er voor om bij de grootouders te blijven wonen. De vader is het hier niet mee eens. Ook staat hij niet achter de plaatsing van [minderjarige 3] bij de grootouders en van [minderjarige 2] bij [accommodatie]. Het standpunt van de vader zorgt ervoor dat noodzakelijke hulpverlening niet in een vrijwillig kader kan starten. De minderjarigen hebben – meer dan andere kinderen – structuur, voorspelbaarheid, sensitiviteit, fysieke en emotionele beschikbaarheid en mogelijkheden voor fysieke ontlading nodig. In de opvoedingssituatie moet zo weinig mogelijk spanning en strijd zijn, zodat de minderjarigen kunnen toekomen aan hun eigen levenstaken. De vader kan op dit moment niet tegemoet komen aan de opvoedingsbehoefte van de minderjarigen. De vader probeert [minderjarige 3] nare dingen over de grootouders te laten zeggen en heeft opruiende uitlatingen tegen [minderjarige 2] gedaan. [minderjarige 2] is hierdoor opgezet tegen de groepsleiding. Dit zorgt voor verwarring bij de minderjarigen en het brengt hen verder in de problemen. Bij de minderjarigen ontstaat er alleen maar meer onduidelijkheid over waar zij mogen opgroeien, zich thuis mogen voelen en aan wie zij zich mogen hechten.
4.2.
De vader staat niet open voor gesprekken met de GI over de consequenties van zijn uitlatingen en gedrag voor de minderjarigen. De vader wil ook geen hulpverlening. Uit het onderzoek door de Raad is gebleken dat het voor de vader moeilijk is om gezagsbeslissingen over de minderjarigen te nemen, omdat hij wantrouwend is naar de hulpverlening. Het hebben en houden van contact tussen de vader en de hulpverlening is een blijvende uitdaging. De vader heeft de hulpverlening echter nodig om, op basis van realistische gronden, een afweging te kunnen (leren) maken in het belang van de minderjarigen. Op andere momenten zet de vader zijn gezag in door contact met de minderjarigen af te dwingen op het moment dat van hem gevraagd wordt om de identiteitskaarten voor de minderjarigen te betalen. Tijdens de mondelinge behandeling worden er namens de vader mooie beloften gedaan. De Raad heeft echter gezien dat de vader, vanuit wantrouwen naar de hulpverlening, het belang van de minderjarigen niet voorop heeft gesteld. De vader stelt in de beslissingen die over de minderjarigen genomen moeten worden zijn eigen belang voorop. Hij werkt beslissingen zelfs tegen, waardoor de minderjarigen niet de hulp kunnen krijgen die zij nodig hebben. De Raad blijft dan ook bij het verzoek.
4.3.
De advocaat van de vader heeft de vader tweemaal telefonisch gesproken over het verzoek. De vader kon niet aanwezig zijn bij de mondelinge behandeling omdat er op hetzelfde tijdstip een contactmoment met [minderjarige 2] gepland stond. Volgens de advocaat had de vader de hoop ook al opgegeven, dat er naar hem geluisterd zou worden. De vader geeft aan dat er al maanden geen contact meer is geweest tussen hem en de GI. Hij heeft de nieuwe gezinsvoogd van de minderjarigen nog niet gezien of gesproken. De vader wordt amper op de hoogte gehouden over wat er in het leven van de minderjarigen speelt. Hij wordt alleen gebeld als zijn handtekening nodig is. De vader is erg gefrustreerd over het verloop van de hulpverlening vanuit de GI. De vader weet niet meer wat hij moet doen om contact met de minderjarigen te mogen hebben. Uit wanhoop heeft hij bij de moeder aangegeven dat hij zelfs bereid is om te betalen voor contact met de minderjarigen. De vader heeft er geen bezwaar tegen wanneer de contacten begeleid zouden worden.
4.4.
De vader erkent dat de minderjarigen door hem betrokken zijn geraakt bij winkeldiefstal. De vader heeft [minderjarige 2] laten zien hoe hij een kluis met twee sleutels open kan maken. Dat had niet mogen gebeuren en is sindsdien ook nooit meer gebeurd. Volgens de vader worden deze incidenten uit het verleden nu tegen hem gebruikt om zijn gezag af te nemen. De vader heeft in eerste instantie niet ingestemd met een plaatsing van [minderjarige 2] bij [accommodatie]. Hij heeft niet getekend voor de plaatsing omdat hij de minderjarigen niet mocht zien. Inmiddels heeft de vader goed contact met de begeleiders van [accommodatie] en merkt hij dat het gedrag van [minderjarige 2] aanzienlijk is verbeterd. De vader is bereid om mee te werken aan de hulpverlening. De vader sluit aan bij de gesprekken over [minderjarige 2] op [accommodatie], die hij zelf plant. Het is voor de vader lastig om aanwezig te zijn, als de afspraken buiten hem om gepland worden. De GI heeft aangegeven dat de minderjarigen zich anders gedragen na het contact met de vader. De vader is daarna het contact met de minderjarigen uit de weg gegaan, om hen niet te belasten. De vader heeft het idee dat de GI partij kiest voor de moeder en dat hij buiten beeld wordt gehouden. De vader wil gewoon contact met de minderjarigen en hij wil weten waarvoor zijn handtekening nodig is. Volgens de advocaat van de vader is het beëindigen van het gezag een te ver strekkende maatregel, omdat hetzelfde bereikt kan worden door minder ingrijpende maatregelen, zoals een gedeeltelijke gezagsoverheveling. Van de GI mag meer verwacht worden, om de vader bij de hulpverlening te betrekken. De vader heeft meer behoefte aan persoonlijk contact. In het verleden heeft hij weerstand opgebouwd tegen de hulpverlening, omdat hij de minderjarigen niet of weinig zag. Het is voor de vader lastig om dit los van elkaar te zien.
4.5.
De advocaat vraagt namens de vader primair om het verzoek af te wijzen, dan wel subsidiair de behandeling van het verzoek aan te houden, om de Raad de gelegenheid te bieden om minder ingrijpende maatregelen te onderzoeken. De vader vreest dat hij, als hij geen gezag meer heeft, nog meer van de minderjarigen zal vervreemden.
Beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad bevestigd dat het verzoek niet is gebaseerd op misbruik van het gezag door de vader. De vraag die nu aan de rechtbank voorligt, is of de minderjarigen zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling worden bedreigd en of de vader niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, te dragen binnen een voor de persoon en voor de ontwikkeling van minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn.
5.3.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De rechtbank stelt vast dat de minderjarigen een erg belaste jeugd hebben gehad. Jarenlang zijn zij blootgesteld aan situaties waarin zij onveiligheid en onduidelijkheid hebben ervaren. [minderjarige 1] wil niet praten over het verleden. Zij slaat tegen muren en meubels als zij het ergens niet mee eens is. Zij toont geen interesse in haar vader en verwacht nu ook niets meer van hem. [minderjarige 1] wil bij haar grootouders opgroeien. [minderjarige 3] en [minderjarige 2] laten thuis en op school verbaal en fysiek agressief gedrag zien. De ontwikkeling van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] is gestagneerd. Zij komen op school maar moeilijk tot leren en laten probleemgedrag zien. Sinds de plaatsing van [minderjarige 3] bij de oma en van [minderjarige 2] bij [accommodatie], laten beide minderjarigen een positiever ontwikkeling zien. [minderjarige 3] gaat weer volledig naar school en [minderjarige 2] laat minder gedragsproblemen zien. Er zal voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] nog onderzocht worden waar zij het beste kunnen opgroeien. Door de trauma’s uit het verleden staat wel vast dat de ontwikkeling van de minderjarigen verstoord is verlopen en dat zij daardoor een verzwaarde opvoedingsvraag hebben. Om te kunnen werken aan hun herstel en om te kunnen profiteren van de nu geboden hulpverleningstrajecten is het voor de minderjarigen belangrijk dat er zo min mogelijk sprake is van spanningen en strijd.
5.4.
De rechtbank constateert dat duidelijk is dat de minderjarigen een band hebben met de vader. Om het gezag over een kind naar behoren uit te kunnen oefenen, moet een ouder echter belangstelling hebben voor het kind, bekend zijn met de ontwikkeling van het kind en weten wat het kind bezighoudt. Als een ouder niet beschikt over deze actuele informatie, moet deze ouder de beslissingen die er over het kind genomen moeten worden niet blokkeren en moet de ouder het kind bovenal niet blootstellen aan strijd over die beslissingen. Uit het rapport van de Raad en uit hetgeen door de moeder en de vertegenwoordigster van de GI is verklaard, blijkt dat de vader in ieder geval niet betrokken is bij [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . Door het ontbreken van contact tussen de vader en deze minderjarigen, is de vader niet in staat om aan te sluiten bij hun ontwikkeling en bij wat er in hun leven speelt.
5.5.
De vader staat bovendien niet in contact met de GI of de moeder, zodat hij ook vanuit hen niet beschikt over actuele informatie over [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . Namens de vader wordt nu aangegeven dat hij bereid is om begeleid contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] te hebben, maar hij heeft in het verleden geen gebruik gemaakt van het aanbod van de GI om de contacten voortaan, ten minste tijdelijk, begeleid uit te voeren. Evenmin heeft de vader deze wens kenbaar gemaakt aan de GI of anderszins geprobeerd om weer in contact te komen met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . Het is bovendien de vraag of het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] is om op dit moment weer contact te hebben met de vader. De vader is in ieder geval onvoldoende geïnformeerd over deze minderjarigen en daardoor niet in staat om besluiten te nemen die de opvoeding van deze minderjarigen raken.
5.6.
De vader en de moeder hebben zes maanden geleden voor het laatst contact gehad over [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . Zij overleggen niet met elkaar en de moeder staat er in de opvoeding van de minderjarigen alleen voor. Voor [minderjarige 2] geldt dat de vader wel contact heeft met hem en ook met de groepsbegeleider spreekt, maar dat hij niet aansluit bij de overleggen die er over [minderjarige 2] worden gevoerd. Bij aanvang van de plaatsing van [minderjarige 2] bij [accommodatie] had de vader grote weerstand tegen de plaatsing en wilde hij daarvoor geen toestemming verlenen. Pas na de plaatsing van [minderjarige 2] bij [accommodatie] en nu hij ziet dat het een positief effect heeft op het gedrag van [minderjarige 2] , staat de vader achter deze plaatsing. De vader is in de loop der jaren teleurgesteld geraakt over de hulpverlening en heeft daardoor grote weerstand ontwikkeld jegens de GI. De vader wijst naar de moeder en de GI voor de problematiek van de minderjarigen en neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn eigen beslissingen en gedragingen. De GI en de moeder moeten daardoor voortdurend grote moeite doen om de vader te laten meewerken aan beslissingen die over de minderjarigen genomen moeten worden. Al heeft dit niet altijd tot gerechtelijke procedures geleid, het heeft wel geleid tot frustraties bij de moeder en de GI en tot vertragingen in het hulpverleningstraject aan de minderjarigen. Dit is niet in het belang van de verdere ontwikkeling van de minderjarigen. Het zorgt voor spanningen bij de minderjarigen.
5.7.
Hoewel het gebrek aan uitoefening van het gezag door de vader op elk van de minderjarigen een ander effect heeft, staat vast dat dat effect bij ieder van de kinderen negatief is. De rechtbank ziet hierdoor geen aanleiding om ten aanzien van een van de minderjarigen een andere beslissing te nemen. De rechtbank acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de vader binnen een voor de minderjarigen aanvaardbare termijn in staat zal zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen dragen voor hun verzorging en opvoeding. De rechtbank wijst het verzoek van de Raad toe. Dit betekent dat als gevolg van deze beslissing, op grond van artikel 1:274, eerste lid, BW, voortaan alleen de moeder belast is met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
5.8.
Deze beslissing betekent niet dat de vader geen rol heeft in het leven van de minderjarigen of dat hij voor hen minder belangrijk is. Het brengt evenmin verandering in het contact dat de vader met [minderjarige 2] heeft. De vader heeft nog steeds het recht op informatie over de minderjarigen en consultatie ten aanzien van de beslissingen die over de minderjarigen genomen gaan worden. De GI zal in het kader van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen bij hen betrokken blijven. De GI blijft daarmee het aanspreekpunt voor de vader. Het is aan de vader om een betere invulling te geven aan zijn rol als vader en hiervoor de samenwerking met de GI aan te gaan.
5.9.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader] , geboren op [geboortedag 4] 1991 in [geboorteplaats 2], over:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2016 in [geboorteplaats 1] ;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, mr. Sumner en mr. SJurkovich, allen kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025, in aanwezigheid van Joosen als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/428019 / FA RK 24-4958
Datum uitspraak: 11 februari 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over de gezagsbeëindiging
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
,
geboren op [geboortedag 3] 2016 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.A. Stoffijn te Waalwijk.
[de pleegmoeder]
,
hierna te noemen de pleegmoeder,
wonende in [woonplaats 1] .
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 oktober 2024;
het bericht van advocaat van de vader van 22 november 2024;
het op 28 november 2024 van de oma ontvangen e-mailbericht;
het op 20 december 2024 van Koraal ontvangen e-mailbericht.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat namens de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Hoewel behoorlijk opgeroepen, is de vader niet verschenen.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 december 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] verlengd tot 22 december 2025. In diezelfde beschikking is de machtiging verlengd om [minderjarige 1] en [minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 22 december 2025.
[minderjarige 1] en [minderjarige 3] verblijven op grond van de voorgenoemde machtiging bij de grootouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 december 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengd tot 22 december 2025. In diezelfde beschikking is de machtiging verlengd om [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 december 2025. [minderjarige 2] verblijft op grond van voornoemde machtiging bij [accommodatie] in [plaats].
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de vader te beëindigen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad baseert het verzoek op het volgende. De minderjarigen worden al langere tijd ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. Zij hebben in hun jonge levens al veel meegemaakt. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn jarenlang blootgesteld aan onvoorspelbare en onveilige situaties, waarna de minderjarigen uiteindelijk uit huis zijn geplaatst. Bij de moeder zijn de minderjarigen getuige geweest van huiselijk geweld tussen de moeder en haar partner, waarbij de politie heeft moeten ingrijpen. De vader heeft de minderjarigen aangezet tot stelen. [minderjarige 1] kan niet goed praten over wat zij heeft meegemaakt. [minderjarige 3] en [minderjarige 2] laten op school en in hun leefomgeving verbaal en fysiek agressief gedrag zien. [minderjarige 3] en [minderjarige 2] hebben moeite om op school tot leren te komen. Er is nog geen duidelijkheid over het perspectief van de minderjarigen. [minderjarige 1] kiest er voor om bij de grootouders te blijven wonen. De vader is het hier niet mee eens. Ook staat hij niet achter de plaatsing van [minderjarige 3] bij de grootouders en van [minderjarige 2] bij [accommodatie]. Het standpunt van de vader zorgt ervoor dat noodzakelijke hulpverlening niet in een vrijwillig kader kan starten. De minderjarigen hebben – meer dan andere kinderen – structuur, voorspelbaarheid, sensitiviteit, fysieke en emotionele beschikbaarheid en mogelijkheden voor fysieke ontlading nodig. In de opvoedingssituatie moet zo weinig mogelijk spanning en strijd zijn, zodat de minderjarigen kunnen toekomen aan hun eigen levenstaken. De vader kan op dit moment niet tegemoet komen aan de opvoedingsbehoefte van de minderjarigen. De vader probeert [minderjarige 3] nare dingen over de grootouders te laten zeggen en heeft opruiende uitlatingen tegen [minderjarige 2] gedaan. [minderjarige 2] is hierdoor opgezet tegen de groepsleiding. Dit zorgt voor verwarring bij de minderjarigen en het brengt hen verder in de problemen. Bij de minderjarigen ontstaat er alleen maar meer onduidelijkheid over waar zij mogen opgroeien, zich thuis mogen voelen en aan wie zij zich mogen hechten.
4.2.
De vader staat niet open voor gesprekken met de GI over de consequenties van zijn uitlatingen en gedrag voor de minderjarigen. De vader wil ook geen hulpverlening. Uit het onderzoek door de Raad is gebleken dat het voor de vader moeilijk is om gezagsbeslissingen over de minderjarigen te nemen, omdat hij wantrouwend is naar de hulpverlening. Het hebben en houden van contact tussen de vader en de hulpverlening is een blijvende uitdaging. De vader heeft de hulpverlening echter nodig om, op basis van realistische gronden, een afweging te kunnen (leren) maken in het belang van de minderjarigen. Op andere momenten zet de vader zijn gezag in door contact met de minderjarigen af te dwingen op het moment dat van hem gevraagd wordt om de identiteitskaarten voor de minderjarigen te betalen. Tijdens de mondelinge behandeling worden er namens de vader mooie beloften gedaan. De Raad heeft echter gezien dat de vader, vanuit wantrouwen naar de hulpverlening, het belang van de minderjarigen niet voorop heeft gesteld. De vader stelt in de beslissingen die over de minderjarigen genomen moeten worden zijn eigen belang voorop. Hij werkt beslissingen zelfs tegen, waardoor de minderjarigen niet de hulp kunnen krijgen die zij nodig hebben. De Raad blijft dan ook bij het verzoek.
4.3.
De advocaat van de vader heeft de vader tweemaal telefonisch gesproken over het verzoek. De vader kon niet aanwezig zijn bij de mondelinge behandeling omdat er op hetzelfde tijdstip een contactmoment met [minderjarige 2] gepland stond. Volgens de advocaat had de vader de hoop ook al opgegeven, dat er naar hem geluisterd zou worden. De vader geeft aan dat er al maanden geen contact meer is geweest tussen hem en de GI. Hij heeft de nieuwe gezinsvoogd van de minderjarigen nog niet gezien of gesproken. De vader wordt amper op de hoogte gehouden over wat er in het leven van de minderjarigen speelt. Hij wordt alleen gebeld als zijn handtekening nodig is. De vader is erg gefrustreerd over het verloop van de hulpverlening vanuit de GI. De vader weet niet meer wat hij moet doen om contact met de minderjarigen te mogen hebben. Uit wanhoop heeft hij bij de moeder aangegeven dat hij zelfs bereid is om te betalen voor contact met de minderjarigen. De vader heeft er geen bezwaar tegen wanneer de contacten begeleid zouden worden.
4.4.
De vader erkent dat de minderjarigen door hem betrokken zijn geraakt bij winkeldiefstal. De vader heeft [minderjarige 2] laten zien hoe hij een kluis met twee sleutels open kan maken. Dat had niet mogen gebeuren en is sindsdien ook nooit meer gebeurd. Volgens de vader worden deze incidenten uit het verleden nu tegen hem gebruikt om zijn gezag af te nemen. De vader heeft in eerste instantie niet ingestemd met een plaatsing van [minderjarige 2] bij [accommodatie]. Hij heeft niet getekend voor de plaatsing omdat hij de minderjarigen niet mocht zien. Inmiddels heeft de vader goed contact met de begeleiders van [accommodatie] en merkt hij dat het gedrag van [minderjarige 2] aanzienlijk is verbeterd. De vader is bereid om mee te werken aan de hulpverlening. De vader sluit aan bij de gesprekken over [minderjarige 2] op [accommodatie], die hij zelf plant. Het is voor de vader lastig om aanwezig te zijn, als de afspraken buiten hem om gepland worden. De GI heeft aangegeven dat de minderjarigen zich anders gedragen na het contact met de vader. De vader is daarna het contact met de minderjarigen uit de weg gegaan, om hen niet te belasten. De vader heeft het idee dat de GI partij kiest voor de moeder en dat hij buiten beeld wordt gehouden. De vader wil gewoon contact met de minderjarigen en hij wil weten waarvoor zijn handtekening nodig is. Volgens de advocaat van de vader is het beëindigen van het gezag een te ver strekkende maatregel, omdat hetzelfde bereikt kan worden door minder ingrijpende maatregelen, zoals een gedeeltelijke gezagsoverheveling. Van de GI mag meer verwacht worden, om de vader bij de hulpverlening te betrekken. De vader heeft meer behoefte aan persoonlijk contact. In het verleden heeft hij weerstand opgebouwd tegen de hulpverlening, omdat hij de minderjarigen niet of weinig zag. Het is voor de vader lastig om dit los van elkaar te zien.
4.5.
De advocaat vraagt namens de vader primair om het verzoek af te wijzen, dan wel subsidiair de behandeling van het verzoek aan te houden, om de Raad de gelegenheid te bieden om minder ingrijpende maatregelen te onderzoeken. De vader vreest dat hij, als hij geen gezag meer heeft, nog meer van de minderjarigen zal vervreemden.
Beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen, indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
5.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad bevestigd dat het verzoek niet is gebaseerd op misbruik van het gezag door de vader. De vraag die nu aan de rechtbank voorligt, is of de minderjarigen zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling worden bedreigd en of de vader niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, te dragen binnen een voor de persoon en voor de ontwikkeling van minderjarigen aanvaardbaar te achten termijn.
5.3.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De rechtbank stelt vast dat de minderjarigen een erg belaste jeugd hebben gehad. Jarenlang zijn zij blootgesteld aan situaties waarin zij onveiligheid en onduidelijkheid hebben ervaren. [minderjarige 1] wil niet praten over het verleden. Zij slaat tegen muren en meubels als zij het ergens niet mee eens is. Zij toont geen interesse in haar vader en verwacht nu ook niets meer van hem. [minderjarige 1] wil bij haar grootouders opgroeien. [minderjarige 3] en [minderjarige 2] laten thuis en op school verbaal en fysiek agressief gedrag zien. De ontwikkeling van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] is gestagneerd. Zij komen op school maar moeilijk tot leren en laten probleemgedrag zien. Sinds de plaatsing van [minderjarige 3] bij de oma en van [minderjarige 2] bij [accommodatie], laten beide minderjarigen een positiever ontwikkeling zien. [minderjarige 3] gaat weer volledig naar school en [minderjarige 2] laat minder gedragsproblemen zien. Er zal voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] nog onderzocht worden waar zij het beste kunnen opgroeien. Door de trauma’s uit het verleden staat wel vast dat de ontwikkeling van de minderjarigen verstoord is verlopen en dat zij daardoor een verzwaarde opvoedingsvraag hebben. Om te kunnen werken aan hun herstel en om te kunnen profiteren van de nu geboden hulpverleningstrajecten is het voor de minderjarigen belangrijk dat er zo min mogelijk sprake is van spanningen en strijd.
5.4.
De rechtbank constateert dat duidelijk is dat de minderjarigen een band hebben met de vader. Om het gezag over een kind naar behoren uit te kunnen oefenen, moet een ouder echter belangstelling hebben voor het kind, bekend zijn met de ontwikkeling van het kind en weten wat het kind bezighoudt. Als een ouder niet beschikt over deze actuele informatie, moet deze ouder de beslissingen die er over het kind genomen moeten worden niet blokkeren en moet de ouder het kind bovenal niet blootstellen aan strijd over die beslissingen. Uit het rapport van de Raad en uit hetgeen door de moeder en de vertegenwoordigster van de GI is verklaard, blijkt dat de vader in ieder geval niet betrokken is bij [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . Door het ontbreken van contact tussen de vader en deze minderjarigen, is de vader niet in staat om aan te sluiten bij hun ontwikkeling en bij wat er in hun leven speelt.
5.5.
De vader staat bovendien niet in contact met de GI of de moeder, zodat hij ook vanuit hen niet beschikt over actuele informatie over [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . Namens de vader wordt nu aangegeven dat hij bereid is om begeleid contact met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] te hebben, maar hij heeft in het verleden geen gebruik gemaakt van het aanbod van de GI om de contacten voortaan, ten minste tijdelijk, begeleid uit te voeren. Evenmin heeft de vader deze wens kenbaar gemaakt aan de GI of anderszins geprobeerd om weer in contact te komen met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . Het is bovendien de vraag of het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] is om op dit moment weer contact te hebben met de vader. De vader is in ieder geval onvoldoende geïnformeerd over deze minderjarigen en daardoor niet in staat om besluiten te nemen die de opvoeding van deze minderjarigen raken.
5.6.
De vader en de moeder hebben zes maanden geleden voor het laatst contact gehad over [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . Zij overleggen niet met elkaar en de moeder staat er in de opvoeding van de minderjarigen alleen voor. Voor [minderjarige 2] geldt dat de vader wel contact heeft met hem en ook met de groepsbegeleider spreekt, maar dat hij niet aansluit bij de overleggen die er over [minderjarige 2] worden gevoerd. Bij aanvang van de plaatsing van [minderjarige 2] bij [accommodatie] had de vader grote weerstand tegen de plaatsing en wilde hij daarvoor geen toestemming verlenen. Pas na de plaatsing van [minderjarige 2] bij [accommodatie] en nu hij ziet dat het een positief effect heeft op het gedrag van [minderjarige 2] , staat de vader achter deze plaatsing. De vader is in de loop der jaren teleurgesteld geraakt over de hulpverlening en heeft daardoor grote weerstand ontwikkeld jegens de GI. De vader wijst naar de moeder en de GI voor de problematiek van de minderjarigen en neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn eigen beslissingen en gedragingen. De GI en de moeder moeten daardoor voortdurend grote moeite doen om de vader te laten meewerken aan beslissingen die over de minderjarigen genomen moeten worden. Al heeft dit niet altijd tot gerechtelijke procedures geleid, het heeft wel geleid tot frustraties bij de moeder en de GI en tot vertragingen in het hulpverleningstraject aan de minderjarigen. Dit is niet in het belang van de verdere ontwikkeling van de minderjarigen. Het zorgt voor spanningen bij de minderjarigen.
5.7.
Hoewel het gebrek aan uitoefening van het gezag door de vader op elk van de minderjarigen een ander effect heeft, staat vast dat dat effect bij ieder van de kinderen negatief is. De rechtbank ziet hierdoor geen aanleiding om ten aanzien van een van de minderjarigen een andere beslissing te nemen. De rechtbank acht het hoogst onwaarschijnlijk dat de vader binnen een voor de minderjarigen aanvaardbare termijn in staat zal zijn om de verantwoordelijkheid te kunnen dragen voor hun verzorging en opvoeding. De rechtbank wijst het verzoek van de Raad toe. Dit betekent dat als gevolg van deze beslissing, op grond van artikel 1:274, eerste lid, BW, voortaan alleen de moeder belast is met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
5.8.
Deze beslissing betekent niet dat de vader geen rol heeft in het leven van de minderjarigen of dat hij voor hen minder belangrijk is. Het brengt evenmin verandering in het contact dat de vader met [minderjarige 2] heeft. De vader heeft nog steeds het recht op informatie over de minderjarigen en consultatie ten aanzien van de beslissingen die over de minderjarigen genomen gaan worden. De GI zal in het kader van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen bij hen betrokken blijven. De GI blijft daarmee het aanspreekpunt voor de vader. Het is aan de vader om een betere invulling te geven aan zijn rol als vader en hiervoor de samenwerking met de GI aan te gaan.
5.9.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader] , geboren op [geboortedag 4] 1991 in [geboorteplaats 2], over:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats 1] ,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2016 in [geboorteplaats 1] ;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, mr. Sumner en mr. SJurkovich, allen kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2025, in aanwezigheid van Joosen als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Feiten
In dat geval is de vader afhankelijk van de moeder om hem te informeren over de minderjarigen. Het is voor de minderjarigen heel belangrijk dat zij in de toekomst contact hebben met de vader en dat zij weten wie hij is. De advocaat van de vader krijgt uit de stukken het beeld dat er volwassen zaken met de minderjarigen besproken worden. De minderjarigen krijgen echter niet te horen dat de vader wel contact met hen wil. De vader acht het voor de minderjarigen, maar met name voor [minderjarige 2] , niet in hun belang dat zijn gezag beëindigd wordt. Volgens de advocaat zijn er geen recente voorbeelden gegeven van situaties waarin de vader niet zou hebben meegewerkt aan het nemen van beslissingen over de minderjarigen. Het is voor hen belangrijk dat zij zien dat de vader in de toekomst wel mee gaat werken. Volgens de advocaat zijn er voldoende mogelijkheden om met de vader in contact te komen. Hij heeft immers wel gereageerd op haar e-mails en telefoonoproepen. Het is dan nu te voorbarig om zijn gezag te beëindigen.
4.6.
De moeder geeft aan dat zij met alle minderjarigen contactregelingen heeft en dat die goed verlopen. Ook heeft zij een goede werkrelatie met de GI. De vader heeft zij een half jaar geleden voor het laatst gesproken en op dat moment vroeg hij wat de prijs was om de minderjarigen te kunnen zien. De moeder heeft het contact daarna geblokkeerd. De moeder loopt er steeds tegenaan dat de vader niet meewerkt aan het nemen van beslissingen over de minderjarigen. Zij heeft bij de rechtbank om vervangende toestemming moeten vragen voor het aanvragen van identiteitskaarten voor de minderjarigen, omdat de vader niet bereid was om mee te werken. De moeder heeft naast [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nog een kind met de vader. De vader heeft nog nooit geïnformeerd naar dit kind. Volgens de moeder heeft de GI vaak geprobeerd om met de vader in contact te komen. De vader neemt echter zijn telefoon niet op als de GI hem probeert te bellen. De moeder ziet geen meerwaarde in het behoud van het gezag door de vader. Zij voorziet dat zij in dat geval steeds zal moeten procederen om beslissingen over de minderjarigen te kunnen nemen. Volgens de moeder gaat het beter met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] nu zij geen contact meer met de vader hebben. Zij ziet in de afwezigheid van de vader tijdens de mondelinge behandeling, dat hij er kennelijk zelf geen moeite voor wil doen. De vader is daarnaast ook nooit naar de oudergesprekken op school geweest.
4.7.
Namens de GI wordt aangegeven dat er een nieuwe jeugdbeschermer aan het gezin is gekoppeld. De GI probeert regelmatig om contact te krijgen met de vader, maar slaagt hier niet in. In de afgelopen vijf weken heeft de GI vijf keer via mail en via telefoon geprobeerd om contact met de vader te krijgen. De GI heeft ook meerdere keren de vader gevraagd om toestemming te verlenen voor hulpverlening aan de minderjarigen, maar heeft deze toestemming niet gekregen. De vader heeft niet meegewerkt aan de plaatsing van [minderjarige 2] bij [accommodatie]. De vader heeft geen contact meer met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . In eerste instantie waren de contacten met alle minderjarigen onbegeleid. Maar nadat er verschillende voorvallen zijn geweest, heeft de GI voorgesteld om de contacten voortaan te begeleiden. De vader wilde dat niet, waardoor de begeleide contacten niet gerealiseerd konden worden. [minderjarige 1] interesseert het niet meer of ze de vader ziet. De hulpverlening aan [minderjarige 1] is gestopt, omdat zij niet meer over het verleden wil praten. [minderjarige 1] heeft geen verwachtingen meer van haar vader. Zij is daar heel duidelijk over. [minderjarige 3] heeft veel kindeigen-problematiek. Hij heeft, sinds de plaatsing bij zijn oma en sinds hij geen contact meer heeft met de vader, positieve stappen gemaakt. Omdat hij zijn vader niet meer ziet, wordt hij niet meer belast met de uitspraken die de vader doet. [minderjarige 3] laat ook op school beter gedrag zien. Hij gaat nu weer volledig naar school. [minderjarige 3] zal nog bij [accommodatie] onderzocht worden. Ook staat hij op de wachtlijst voor traumabehandeling. De huidige jeugdbeschermer heeft [minderjarige 2] nog niet gesproken. Wel is bekend dat [minderjarige 2] het fijn vindt, dat hij zijn vader ziet. Die contacten worden begeleid vanuit [accommodatie]. [minderjarige 2] vindt het contact met de vader fijn, maar hij wil wel dat de vader doet wat er van hem gevraagd wordt. De vader sluit niet aan bij evaluaties of gesprekken bij [accommodatie]. Wel spreekt hij de groepsbegeleider van [minderjarige 2] aansluitend aan het contactmoment. Voor [minderjarige 2] is nog onderzoek nodig naar zijn kindeigen-problematiek en zijn perspectief. De vader heeft geen inzicht in de problematiek van de minderjarigen. Het is voor de minderjarigen echter belangrijk dat de hulpverlening zonder vertraging kan worden ingezet. Als het gezag van de vader wordt beëindigd, zal de GI met hem blijven werken aan het hebben van contact en het informeren van de vader over de minderjarigen.
Feiten
In dat geval is de vader afhankelijk van de moeder om hem te informeren over de minderjarigen. Het is voor de minderjarigen heel belangrijk dat zij in de toekomst contact hebben met de vader en dat zij weten wie hij is. De advocaat van de vader krijgt uit de stukken het beeld dat er volwassen zaken met de minderjarigen besproken worden. De minderjarigen krijgen echter niet te horen dat de vader wel contact met hen wil. De vader acht het voor de minderjarigen, maar met name voor [minderjarige 2] , niet in hun belang dat zijn gezag beëindigd wordt. Volgens de advocaat zijn er geen recente voorbeelden gegeven van situaties waarin de vader niet zou hebben meegewerkt aan het nemen van beslissingen over de minderjarigen. Het is voor hen belangrijk dat zij zien dat de vader in de toekomst wel mee gaat werken. Volgens de advocaat zijn er voldoende mogelijkheden om met de vader in contact te komen. Hij heeft immers wel gereageerd op haar e-mails en telefoonoproepen. Het is dan nu te voorbarig om zijn gezag te beëindigen.
4.6.
De moeder geeft aan dat zij met alle minderjarigen contactregelingen heeft en dat die goed verlopen. Ook heeft zij een goede werkrelatie met de GI. De vader heeft zij een half jaar geleden voor het laatst gesproken en op dat moment vroeg hij wat de prijs was om de minderjarigen te kunnen zien. De moeder heeft het contact daarna geblokkeerd. De moeder loopt er steeds tegenaan dat de vader niet meewerkt aan het nemen van beslissingen over de minderjarigen. Zij heeft bij de rechtbank om vervangende toestemming moeten vragen voor het aanvragen van identiteitskaarten voor de minderjarigen, omdat de vader niet bereid was om mee te werken. De moeder heeft naast [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nog een kind met de vader. De vader heeft nog nooit geïnformeerd naar dit kind. Volgens de moeder heeft de GI vaak geprobeerd om met de vader in contact te komen. De vader neemt echter zijn telefoon niet op als de GI hem probeert te bellen. De moeder ziet geen meerwaarde in het behoud van het gezag door de vader. Zij voorziet dat zij in dat geval steeds zal moeten procederen om beslissingen over de minderjarigen te kunnen nemen. Volgens de moeder gaat het beter met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] nu zij geen contact meer met de vader hebben. Zij ziet in de afwezigheid van de vader tijdens de mondelinge behandeling, dat hij er kennelijk zelf geen moeite voor wil doen. De vader is daarnaast ook nooit naar de oudergesprekken op school geweest.
4.7.
Namens de GI wordt aangegeven dat er een nieuwe jeugdbeschermer aan het gezin is gekoppeld. De GI probeert regelmatig om contact te krijgen met de vader, maar slaagt hier niet in. In de afgelopen vijf weken heeft de GI vijf keer via mail en via telefoon geprobeerd om contact met de vader te krijgen. De GI heeft ook meerdere keren de vader gevraagd om toestemming te verlenen voor hulpverlening aan de minderjarigen, maar heeft deze toestemming niet gekregen. De vader heeft niet meegewerkt aan de plaatsing van [minderjarige 2] bij [accommodatie]. De vader heeft geen contact meer met [minderjarige 1] en [minderjarige 3] . In eerste instantie waren de contacten met alle minderjarigen onbegeleid. Maar nadat er verschillende voorvallen zijn geweest, heeft de GI voorgesteld om de contacten voortaan te begeleiden. De vader wilde dat niet, waardoor de begeleide contacten niet gerealiseerd konden worden. [minderjarige 1] interesseert het niet meer of ze de vader ziet. De hulpverlening aan [minderjarige 1] is gestopt, omdat zij niet meer over het verleden wil praten. [minderjarige 1] heeft geen verwachtingen meer van haar vader. Zij is daar heel duidelijk over. [minderjarige 3] heeft veel kindeigen-problematiek. Hij heeft, sinds de plaatsing bij zijn oma en sinds hij geen contact meer heeft met de vader, positieve stappen gemaakt. Omdat hij zijn vader niet meer ziet, wordt hij niet meer belast met de uitspraken die de vader doet. [minderjarige 3] laat ook op school beter gedrag zien. Hij gaat nu weer volledig naar school. [minderjarige 3] zal nog bij [accommodatie] onderzocht worden. Ook staat hij op de wachtlijst voor traumabehandeling. De huidige jeugdbeschermer heeft [minderjarige 2] nog niet gesproken. Wel is bekend dat [minderjarige 2] het fijn vindt, dat hij zijn vader ziet. Die contacten worden begeleid vanuit [accommodatie]. [minderjarige 2] vindt het contact met de vader fijn, maar hij wil wel dat de vader doet wat er van hem gevraagd wordt. De vader sluit niet aan bij evaluaties of gesprekken bij [accommodatie]. Wel spreekt hij de groepsbegeleider van [minderjarige 2] aansluitend aan het contactmoment. Voor [minderjarige 2] is nog onderzoek nodig naar zijn kindeigen-problematiek en zijn perspectief. De vader heeft geen inzicht in de problematiek van de minderjarigen. Het is voor de minderjarigen echter belangrijk dat de hulpverlening zonder vertraging kan worden ingezet. Als het gezag van de vader wordt beëindigd, zal de GI met hem blijven werken aan het hebben van contact en het informeren van de vader over de minderjarigen.